MEDITATIE
Een oprechte belijdenis
Jesa ja 59 vers 12. Want onze overtredingen zijn vele voor U en onze zonden getuigen tegen ons. Onze overtredingen zijn bij ons en onze ongerechtigheden kennen wij. Jesaja 59 vers 12.
Hij weet, wat van Zijn maaksel is te wachten. Hoe vaak hebben wij deze regelen wel eens met elkander gezongen, zonder de diepe betekenis er van in te denken. Maar toch ziet de Heere zijn kerk, zoals zij is, zwart in haarzelf, maar liefelijk in Hem, die haar met zijn heil bekleedt. Ja, ieder die door genade heeft geleerd wat de Heere van zijn schepsel vraagt, zal van niets sterker overtuigd zijn dan hiervan, als de Heere met mij doet naar mijn zonden, dan is het verloren. En wanneer de Heere genade komt te bewijzen, zal het altijd zijn om Zijns groten Naams wiL
Gelukkig de mens, die hier in de tijd zijns levens geoefend wordt, om deze les te leren. Het is zo jammer, dat de mens altijd met zijn eigenwaarde begint. Daarmede moet hij niet beginnen. Wat is een schuldvol mens waard ? Hoeveel penningen iemand, die een eeuwige schuld heeft ?
Hij is gelukkig te achten, die dit door genade mag leren inzien. Wel breken er voor dezulken bange dagen aan in het schrikdal der ontdekking, waar al onze gerechtigheid en verwachting aangaat, maar Hij, die geen half werk doet, leert ook het oog hulpzoekend opheffen. En van de hemel khnkt het tot dezulken : „Vrees niet. Ik help u !"
Hoe fel de tegenstand woede van hel en satan, zonde en wereld, vlees en bloed. Hij, die u roept, is getrouw, die het ook doen zal. Zwak en schuldig in zichzelf, ontrouw en verloren alle dagen, nochtans kinderen, die niet liegen zullen, door Hem, die zijn kerk liefheeft met een eeuwige liefde.
Doch het kost heel wat, om deze les te leren. Ja, het kost heel wat om de mens tot erkenning van zonde te brengen.
Maar die erkenning van ellende houdt de zondaar zo lang mogelijk tegen. Het kost heel wat om tot de schuldbelijdenis te komen : Wij hebben gezondigd en gedaan dat kwaad is in Uw heilige ogen.
Juist, zoals de profeet in het begin van dit hoofdstuk het volk aanspreekt, dat zich moede maakt met het peinzen over de levensraadselen, die zij niet konden oplossen, en dan zegt de profeet: Zie, de hand des Heeren is niet verkort, maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen ulieden en tussen uw God.
Het zijn vreselijke zonden, die de profeet hier in haam van het schuldige volk belijdt, waar hij zichzelf bij komt in te sluiten. Met een oprechtheid, die u versteld doet staan, noemt hij de gruwelijkste dingen, het overtreden en het liegen tegen de Heere, het achterwaarts wijken van onze God, het spreken van onderdrukking en afval, het ontvangen en het dichten van valse woorden uit het hart.
Gij kunt er inkomen, dat het volk er niet zo gemakkelijk toe kwam zulke overtredingen te belijden. Maar de Heere maakt een eind aan deze toestand door het woord, waarmede Hij de profeet tot hen zond; De profeet, die eerst als tolk tegen het volk optreedt, maar daarna de'tolk wordt van de schuldbelijdenis van het volk voor God.
Dan worden de zonden niet meer verdoezeld in een vage term. Veel minder onder grote en vreselijke woorden, de eigenlijke zonden verheeld. Neen, dan worden ze met nairie erkend. Als de profeet komt met het woord : „Want onze overtredingen zijn vele voor U", dan neemt hij deel in de schuldbelijdenis voor de Heere. Hij klemt zich vast in zijn smeking aan de Heere.
O, dat deed straks de Christus ook, als Hij als de Borg de verlossing der Zijnen volbrengen zou. Hij heeft in de plaats der Zijnen gekermd als Hij beladen was met de schuld van Zijn Kerk. Maar Hij, de Zoon, is verhoord, en omdat al Gods kinderen als een bundelke der levenden op Zijn Middelaarsziel gebonden liggen, omdat Hij het gebed uit de diepte in hun mond komt te leggen : „Want onze overtredingen zijn vele voor U, ligt ook in Hem alleen de oorzaak van het horen en verhoren van de smeking.
Wat hebben de profeten God niet altijd als een rechtvaardig en heilig God aan het volk voorgesteld, een God, wiens oordelen waarachtig en getrouw zijn.
Daarom, God is heilig en rechtvaardig, en als God met de mens gaat richten, niet één op duizend kan hij antwoorden, want de beste gerechtigheid van de mens is niet anders dan een wegwerpelijk kleed.
"Onze overtredingen zijn bij ons". Gebukt gaat de profeet onder de schuldenlast van dat volk. Hij weet het, als de Heere in dat gericht zal treden, dan komt alles weg te vallen. Dat kleed der eigengerechtigheid, die deugden en vroomheid, dat alles blijkt geen grond te zijn, waarop men kan nederzinken.
Wel wil het natuurlijk hart des mensen niet aan een algehele veroordeling. Het is alleen Gods Geest, die het hoogmoedige hart komt te buigen en leert in de weg van zelfontdekking dat vonnis van de Rechter ondertekenen.
Als de Heilige Geest een mensenkind in de diepte komt te leiden, dan zal hij schrikken over al die gruwelen en over al die boosheid, zelfs dan, wanneer er nooit een grove zonde naar buiten trad, al werd hij voor alle uitbrekende zonden bewaard. Want dan ziet hij, hoe de wortel des levens verkankerd is, dan krijgt hij met Gods recht te doen, dan perst het uit zijn geprangd gemoed : „Onze overtredingen zijn bij ons en onze ongerechtigheden kennen wij". Dan gevoelt hij, dat hij moet omkomen. Het kermen wordt belijden. Het belijden wordt door Gods Geest geleerd:
't Is niet alleen dit kwaad, dat roept om straft
Neen, 'k ben in ongerechtigheid geboren.
Al zijn zonden komen voor hem. Niet alleen zijn dadelijke zonde, maar ook zijn erfzonde. Alles wordt hem een last. Niets dan ongerechtigheden. Hij wil niets afdingen op de rechtvaardig verdiende straf. Hij zegt : „Onze ongerechtigheden kennen wij". Niets dan zonde. Hij roept nu niet als een smekeling om de straf te ontkomen, maar belijdt als een zondaar, die door de Heilige Geest aangeraakt is, in de diepte getrokken, met Gods onkreukbaar recht in aanraking gekomen, als een schuldige neervalt.
De zonde, hij weet het, is een afbuiging van het recht, een zich keren van de weg der gerechtigheid, een zich verzetten tegen de rechten en geboden des Heeren.
Ja, de stand van het hart was reeds verkeerd van de beginne af. Want als de Heilige Geest innerlijk aanraakt, gevoelt hij dat het woord ongerechtigheid niet te scherp is.
En als gij mocht menen in zelfverblinding, dat er nog wel iets goeds is overgebleven, dan wordt dit onverbiddelijk afgesneden door het woord van Jesaja : ,,Al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed". Dan staat de Rechter, die volkomen recht doet. Hij spant Zijn vierschaar. Hij meet met een zuivere maat. Hij weegt met een juiste weegschaal.
En welk een toestand wordt het dan voor de ziel : zonde vóór zich, zonde achter zich, de hel spert haar kaken open en de belijdenis stijgt op uit het hart : ,,Onze overtredingen zijn bij ons en onze ongerechtigheden kennen wij".
Maar dan leert Gods kerk met de profeet ook kennen, dat zij te doen heeft met een God, die geen lust heeft in de dood des goddelozen, doch daarin heeft Hij lust, dat hij zich bekere en leve. En als dit voor eigen ziel doorgemaakt wordt, dan leert de ziel dat wonder van Gods ontferming in de Heere Jezus Christus zo hoog waarderen, dan zijn er ogenblikken dat de ziel met de Bruidskerk uitroept: „Alles wat aan Hem is, is gans begeerlijk".
En wie nu met de schuldbelijdenis van de profeet instemt, verandert van houding. Wat een lust was, wordt een last, wat een last was, wordt een lust.
Dan is het niet meer een heimelijk liefhebben, terwijl de mond er van zwijgt, maar een erkennen met de mond, van wat met het hart oprecht verfoeid wordt.
Hoe nodig is het dan dat de zondaar door 's Heeren Geest aan zichzelf ontdekt wordt, onderworpen aan de vloek, onmachtig om zich zelf te verlossen en zijn zaligheid uit te werken. Hoe noodzakelijk is de aandrang des Heiligen Geestes om de toevlucht te kunnen nemen tot Christus Jezus, de enige Zaligmaker.
Als het nog nooit tot de belijdenis gekomen is met de profeet : „Onze ongerechtigheden kennen wij", dan hebt gij nog geen oor ontvangen om te vernemen, dat er bij de Heere vergeving is.
Dat het in het heden der genade tot deze belijdenis kome, dan zult gij het ervaren : Zijn bij ons dan vele zonden, bij God wordt gena gevonden. Zoekt toch daarom bij Geesteslicht de dingen, die boven zijn, opdat het uw leven worde de Heere te kennen, te dienen, te verheerlijken en te aanbidden.
Is er menigmaal nog bange twijfel in het hart, dat de Heere zulke snode zondaren geen vergiffenis wil schenken, toch, uit uw eigen levenservaring kunt gij het getuigen, dat bij de Heere uitkomst is. Al is van uw zijde uw levensweg raadselachtig, met gedurige vrees, van 's Heeren zijde staat het vast. Alles, wat gij van node hebt, ligt in de Heere gereed. Uit Zijn Middelaarsvolheid daalt af genade voor genade. In de vaak zware strijd zult gij goede moed ontvangen. Te midden van de donkere nacht des levens ervaart gij het, dat het licht van de Zon der Gerechtigheid doorbreekt.
Straks, na het eind van de reis, zal aan al deze reizigers de kroon des levens geschonken worden uit des Heeren hand. En in verwondering 'en aanbidding zal de ziel uitroepen :
Wij steken 't hoofd omhoog En zullen d' eerkroon dragen ; Door U, door U alleen. Om 't eeuwig welbehagen I
(Maartensdijk)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 november 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's