Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA
128)
Samuël sloeg bedroefd de handen ineen. „O wee, o wee! Gij moogt dat niet zeggen. Zijt gij niet bevreesd om dat te zeggen ? Ik mag dat niet aanhoren, ofschoon . . . . ..ofschoon . . . . . en ik ben in Bethlehem geweest, waar Hij geboren is. Maar — dan zijt gij toch Meschummads I Mijn hoofd duizelt. Ben ik nu abuis, of zijt gij het ? Wij mogen Zijn naam niet noemen, — en gij zingt liederen over Hem ?
Of is dat soms niet waar, dat gij liederen over Hem gezongen hebt ? Moeder zegt het.... Moeder heeft hier op de bank gezeten, die avond, en heeft u toen liederen horen zingen, zoals de „Nazareners" ze zingen, en tóch weer anders ! En zij kan dat niet vergeten, en er maar geen rust bij vinden".
Weest barmhartig — ik vind ook geen rust. Hier is het toch geweest, en het was bij het begin van de Sabbat, en dat meisje heeft door het venster uw feest gezien. Is dat zo, ontfermt u dan over mij, en zegt mij alles !"
De kinderen waren welwillend dichter bij de gast gekomen. De jongen en het jongere meisje hadden allebei reeds een hand op zijn knie gelegd, en zagen vriendelijk troostend hem in het gelaat, dat hij toch niet eens één keer met een glimlach of met een of andere vraag hun had toegekeerd.
De vrouw wendde zich tot haar man, als vroeg zij zijn goedkeuring, en zijn blik stond haar dat toe.
,,Je moeder en dat meisje hebben juist gehoord en goed gezien. Wij zijn van Israël net zo goed als jij en je moeder, en wij willen ook in alle eeuwigheid tot Israël behoren ! En wij geloven aan Jeschua, die.de onzen hebben verstoten en vermoord, en hebben hem bij ons Jood-zijn opgenomen.
Wij geloven en weten, dat Hij alleen ons zalig maakt, en niet Mozes of de Wet. Wij weten ook, dat Hij de Redder is van gans Israël.
En wij geloven, dat Israël Hem weldra erkennen zal. Samuël werd beurteling bleek en rood.
„Houdt gij dan de Wet niet meer ? " ,,Ja zeker, wij onderhouden de wet en de sabbath net zo goed als jullie allen. En dat doen wij, omdat ze ons volk bevolen zijn, en omdat ze onze kentekenen zijn, èn voor God èn voor de wereld, en omdat ze ons samenhouden. God heeft ons de wet en de sabbat en ons eigen gelaat gegeven, opdat Israël zich niet zou vermengen met de volken, want door onze profeet Jesaja heeft Hij gezegd : „En hun zaad zal onder de heidenen bekend worden, en hun nakomelingen in het midden der volkeren. Allen, die hen. zien zullen, zullen hen kennen, en zij zijn een zaad, dat de Heere gezegend heeft". Wij zullen eeuwig voor Hem een volk blijven. Daarom werpen wij ook niet weg, wat ons samenbindt.
Maar dat alleen kan geen mens zalig maken: ons zalig maken kan alleen Jeschua.
,,Maar waaraan weet gij dat ? En waarom denkt gij dat ? " ,,Omdat wij Hem kennen".
,,Hoe kunt gij Hem kennen ? Hij is immers dood, spoedig is dat al tweeduizend jaar geleden". Samuël schreide het haast uit van smart en verontwaardiging.
„Hij leeft, en wij zullen met Hem leven. Jij zult Hem ook leren kennen, mijn jongen".
,,Leeft Hij ? O, heb nog geduld met mij, en laat mij dit nog even mogen doordenken ! U bedoelt zeker, dat gij zijn herinnering behoudt en viert, — net zoals de Mohammedanen in Hebron nog de herinnering behouden aan onze vaderen, maar Hij is toch dood ? "
,,Hij leeft, en is alle dagen bij ons, en regeert ons door Zijn geest, en maakt ons nu reeds gelukkig".
Samuël greep met vertwijfelende gebaren naar zijn hoofd. „En Die zal dan de Messias zijn, een onzichtbare Messias ? ! Is dat dus uw geloof ? "
„Mijn man heeft zich eens op een Vrijdag in de naam van Jeschua-Messias laten onderdompelen, en ik heb dat ook gedaan".
,,0 Heer, heb nog geduld met mij ; wat heeft uw klein geluk voor Israël te betekenen, dat gij daarvoor de hoop van Israël opgeeft ? Wat is dat nu voor een ruil ? Neein mij niet kwalijk, als ik boos antwoord, waar gij zo vriendelijk waart, maar het is mij om de waarheid te doen. Hebt gij dan werkelijk al uw profetieën opgegeven ?
Gelooft gij dan precies als de Gojim, dat die op ons geen betrekking hebben ? En mogen wij in de wereld dan maar alleen de klaagplaats hebben? Samuël beefde over heel zijn lichaam.
De man en vrouw hadden medelijden met hem, en toch glimlachten zij heel zachtjes, net alsof zij er zeker van waren dat zijn nood spoedig zou overgaan in die zelfde grote vreugde, die zij bezaten en hem thans aanprezen.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 november 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's