DOOP GEWEIGERD ?
Mag ooit aan een kind de Doop geweigerd worden ?
Dat is een vraag, die telkens rijst, wanneer in Kerkeraadsvergaderingen wordt gesproken over het onbevredigende van de huidige Doopspraktijk. Herhaaldelijk komt het voor, dat de Doop wordt aangevraagd voor een kind, welks ouders overigens niet de minste kerkelijke en geestelijke belangstelling tonen. Sinds de Doop van hun vorig kind zijn zij nooit meer ter kerk geweest. Na de Doop van dit kind zullen zij vermoedelijk ook niet terugkomen, tenzij hun nóg een kind geboren wordt. Waarom zij dan nog wel komen voor de Doop ? Het antwoord is dikwijls, omdat moeder het graag wil. Soms spreekt men het openlijk uit, dat men van de Bijbel niets gelooft, dat men de inhoud van, Doopformulier en Doopvragen niet kent en aan de Doop geen waarde hecht. Geen wonder, dat dan bij de ouderlingen, die Doopzitting houden, de vraag rijst, of in zulk een geval de Doop mag worden toegestaan ? Kunnen zulke ouders in oprechtheid ,,ja" zeggen op de Doopvragen ?
Natuurlijk kan daartegenover de vraag gesteld worden, in hoeverre het al of niet oprecht-zijn der ouders iets af- of toedoet aan de waarde en de heiligheid van de Doop. Tenslotte wordt immers het kind gedoopt, en niet de ouders. Wordt de Doop geweigerd, dan wordt feitelijk het kind de dupe, en niet de ouders.
Daar komt nog iets bij. Van de Doopouders wordt gevraagd : hoewel onze kinderen in zonde ontvangen en geboren zijn, en daarom aan allerhande ellendigheid, ja aan de verdoemenis zelve onderworpen — of zij niet bekennen, dat zij in Christus geheiligd, zijn, en daarom als lidmaten van Zijn gemeente behoren gedoopt te wezen? Daarmede is, dus feitelijk gezegd, dat die kinderen, hoewel zondaren krachtens afstamming en geboorte, in Christus geheiligd zijn, en dat zij lidmaten van Zijn gemeente zijn, reeds vóórdat zij gedoopt zijn, krachtens Gods Verbond en belofte. God rekent die kinderen er bij : bij Zijn volk. Want Zijn belofte geldt ons èn ons zaad, tot een eeuwig Verbond (Gen. 17 : 7). Het is te hopen, dat de ouders dit ook geloven en erkennen ; dat ook zij hun kinderen er bij gerekend willen zien : bij Gods volk, bij Christus' Kerk. Maar als zij dit niet geloven en dit niet in oprechtheid belijden, mag dan aan het kind de Doop onthouden worden, als God dit kind er bij rekent ?
Zien wij alleen op het kind, dan moeten wij wel vaststellen, dat niemand het recht heeft om een kind de Doop te weigeren. Dit zou immers geschieden, omdat zijn ouders Gods belofte verwerpen, of althans links laten liggen. Want wat het kind zélf betreft : wij weten nog niet, wat toch dit kindeke worden zal : gelovig of ongelovig. Bij de kinderdoop is in dat opzicht de zaak niet zo gemakkelijk, als wat wij lezen in Hand. 10, als Petrus het Evangelie heeft verkondigd aan Cornelius en zijn huis : ,,Als Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen, die het Woord hoorden". Men hoorde hen spreken met vreemde talen en God groot maken. Dan zegt Petrus : „Kan ook iemand het water weren, dat dezen, niet gedoopt zouden worden, welke de Heilige Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij ? " En hij beval, dat zij zouden gedoopt worden in de naam des Heeren. Het Doopwater mag niet geweerd worden, waar de betekende zaak aanwezig is.
Maar mag het Doopwater geweerd worden, waar de belofte Gods aanwezig is ? En die belofte is toch stellig aanwezig voor ons èn ons zaad, tot een eeuwig Verbond. In de dankzegging na de Doop wordt gezegd : ,,Almachtige, barmhartige God, wij danken en loven U, dat Gij ons en onze kinderen, door het bloed van uw lieve Zoon Jezus Christus, al onze zonden vergeven, en ons door Uw Heilige Geest tot lidmaten van Uw eniggeboren Zoon, en alzo tot Uw kinderen, aangenomen hebt, en ons datzelve met de Heilige Doop bezegelt en bekrachtigt".
God hééft dit gedaan ! Hij hééft die kinderen door het bloed van Jezus Christus al hun zonden vergeven. Hij hééft hen door Zijn Heilige Geest aangenomen tot lidmaten van Christus, en alzo tot Zijn kinderen. (Vgl. Dankgebed).
Hoe groot de afvalligheid der ouders ook zij. God blijft hun kinderen zien en voor Zich opeisen als Zijn kinderen. Dit blijkt wel heel sterk uit Ezech. 16 vs. 20 en 21, waar de Heere aan het volk Israël, aan hetwelk Hij verwijt een terugvallen in het heidendom van Amorieten en Hethieten, bovendien verwijt: „Voorts hebt gij uw zonen en uw dochteren, die gij Mij gebaard hebt, genomen, en hebt ze denzelven (n.l. aan de afgoden) geofferd om te verteren : is het wat kleins van uw hoererijen, dat gij Mijn kinderen geslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als gij dezelven door het vuur hebt doen gaan? "
Hoezeer ook ons volk ontkerstend is, hoezeer het ook is teruggevallen in het oude heidendom, hoezeer onze Doopouders ook hun kinderen overgeven aan de afgoden — de Heere blijft hen voor Zich opeisen als Zijn kinderen. Het bloed van Jezus Christus is voor hen vergoten, zodat al hun zonden vergeven zijn.Zij zijn aangenomen als lidmaten van Christus, en alzo als kinderen Gods. Dat bezegelt en bekrachtigt God de Heere door de Heilige Doop, die wij dus aan de kinderen niet mogen onthouden
Zo is het volgens de leer der Kerk in ons Doopsformulier.
Maar nu de Doopspractijk ! Deze practijk schrijft voor, dat aan de Doopouders bepaalde vragen gesteld worden, waarop zij hebben te antwoorden — niet voor het kind, maar voor zichzélf. De formulering der Doopvragen toont dit duidelijk aan.
In de Anglikaanse Kerk - staat het in dit opzicht iets anders, volgens het ,,Liber precum pubhcarum Ecclesiae Anglicanae" (Boek der publieke gebeden van de Anglicaanse Kerk), dat vóór mij ligt.
Daar is de eerste vraag, die door de Dienaar aan de Doopgetuigen (peters en meters) gesteld wordt : "Doet gij, in naam van dit kind, afstand van de duivel en al zijn werken, van de ijdele praal en de heerlijkheid der wereld, en van al haar begeerlijkheden, en van de begeerten des vleses, alzo dat gij niet zult toestaan, dat gij die volgt of door hen wordt geleid ? " Het antwoord is: „Ik doe afstand van die alle". Dan wordt in vraagvorm hun de Apostolische Geloofsbelijdenis voorgehouden : ,,Gelooft gij in God de Vader, de Almachtige, Schepper des hemels en der aarde ? En in Jezus Christus, Zijn eniggeboren Zoon... enz. ? " Antwoord : „Dit alles geloof ik zeer stelhg". Dienaar : „Wilt gij gedoopt worden in dit geloof ? " Antwoord : ,,Ik wil". Dienaar : ,,Zult gij derhalve gehoorzaam de heilige wil en de geboden Gods bewaren, en daarin wandelen al de dagen van uw leven ? " Antwoord : "Dit zal ik doen".
Voortdurend antwoorden en belijden de Doopgetuigen hier in naam van het kind, dat gedoopt wordt. Dit blijkt ook, wanneer na de dankzegging de peters en meters door de Dienaar aldus worden toegesproken :
„Aangezien dit kind door u als borgen (per vos sponsores) heeft beloofd, dat het afstand zal doen van de duivel en al zijn werken, dat het zal geloven in God, en Hem zal dienen : daarom moet gij indachtig zijn, dat het uw, plicht is voor dit kind zó te zorgen, dat het (zodra het met het oog op zijn leeftijd kan geschieden) leert, met hoe heilige wens en belofte het zich door u hier heeft verbonden "
In de Catechismus, die de kinderen moeten leren, voordat zij door de bisschop geconfirmeerd worden, luiden de eerste vragen aldus : ,,Wat is uw naam ? " ,,N. of M." ,,Wie heeft u deze naam gegeven ? " ,,Mijn peters en meters in mijn Doop, waarin ik geworden ben een lid van Christus, een kind van God, en een erfgenaam van het Koninkrijk der hemelen".
„Wat hebben de peters en meters toen voor u gedaan ? " „Drie dingen hebben zij in mijn naam beloofd en toegezegd, enz." „Meent gij niet, dat gij moet geloven en doen datgene, wat zij in uw naam beloofd hebben? " ,,Ja, zeker, enz."
Duidelijk is hier dus een verschil tussen de Doopvragen in de Anglikaanse en die in onze Kerk. Daar antwoorden peters en meters in naam van het kind, dat naderhand ook erkent, dat het zélf heeft gesproken door hen. Bij óns antwoorden de ouders voor zichzélf, leggen een belijdenis af, en beloven hun kind te zullen onderwijzen of te doen en te helpen onderwijzen in deze leer, die zij beleden hebben.
Er valt over te spreken, wat de meest juiste inzetting is, maar dat is voor ons nu niet aan de orde. De orde der Kerk schrijft ons voor, dat de Doopouders zelf, en voor zichzelf, hebben te antwoorden op de drie voorgeschreven vragen, waarin zij een belijdenis en een belofte afleggen.
Dit maakt voor ons de Doopzitting moeilijker, dan wanneer onze Doopvragen op Anglikaanse wijze waren geformuleerd. Het leven der Doopouders is menigmaal in openlijke strijd met hetgeen zij belijden en beloven. Konden wij onszelf nu maar geruststellen met de redenering : „Nu ja, zij spreken ook niet voor zichzelf, maar in naam van hun kinderen — en of die er mede instemmen, zal eerst naderhand kunnen blijken" — dan konden wij vrede hebben met de practijk, die wij voor ogen zien. Maar wij kunnen dit niet, nu de ouders ,,ja" zeggen op de vragen, als zij tonen niet te beseffen wat zij doen als wij hen een belijdenis en belofte laten afleggen, die gelogenstraft worden door hun leven.
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 december 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's