De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wij kennen ten dele

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Wij kennen ten dele

9 minuten leestijd

De nieuwe theologie verschilt weliswaar in haar Schriftbeschouwing van de Vrijzinnige opvattingen, maar nochtans komen zij daarin overeen, dat zij beide grondig verschillen van het Schriftgeloof der reformatoren.

Dit heeft ten gevolge, dat zij ook in hun geloofsleer op alle voorname stukken grondig afwijken van de gereformeerde doctrine. Het merkwaardige verschijnsel is nochtans niet zeldzaam, dat verdedigers van de beide genoemde richtingen zich er op trachten te beroemen bij uitstek gereformeerd te zijn, ja, met name hun afwijkende meningen willen zij zo mogelijk als eigenlijk en — beter begrepen dan de orthodoxie zulks vermocht — gereformeerd pogen voor te stellen.

Dergelijke drogredenen doen intussen opgeld in kringen, die te weinig theologisch gevormd zijn om daarop critisch te reageren, te meer, wanneer zij vermengd worden met de betuiging van met de belijdenis der Vaderen in te stemmen. En dat gebeurt, hoewel men zeer goed kan weten, dat de ganse belijdenis der Vaderen onmiddellijk samenhangt met hun belijdenis aangaande de Heilige Schrift. Geen bevoegd beoordelaar zal ontkennen, dat hij, die instemt met de artikelen des geloofs, die over de Heilige Schrift handelen, (vgl. Ned. Geloofsbel. Art. 1—7), de overige artikelen daarmede in overeenstemming zal vinden en zal onderschrijven.

Daar staat echter tegenover, dat een andere waardering van de Heilige Schrift, het standpunt ten aanzien van de dingen, die daarin geschreven staan, vanzelfsprekend door dezelfde motieven, welke tot zulk een andere Schriftbeschouwing hebben geleid, zal bepalen.

Dit blijkt dan ook telkens weer het geval te zijn.

Zo wil men ondierscheiding maken tussen Inspiratie der Schrift en geïnspireerdheid. ,,God deelt in de Bijbel niet een en ander mede, dat nu als waarheid heeft te gelden, maar Hij laat ons door Zijn getuigen zeggen, dat Hij zichzelf in Jezus Christus aan ons gegeven heeft", ' zo schrijft dr. van Niftrik op blz. 33 van zijn „Kleine Dogmatiek". Hij , wil dus niet, dat wij goddelijke waarheden hebben. Dat noemt hij intellectualisme. Hij spreekt over een huiselijk en gemoedelijk Godsbegrip, dat wij vroeger hadden, hetwelk onze tijd onmogelijk heeft gemaakt, (a.w. blz. 32). ,,Het is ons niet meer mogelijk God zo zonder meer rechtlijnig te verbinden met de geschiedenis des vaderlands. Het is ons niet meer mogelijk God te zien als de beschermer van onze welvaart en als de handhaver van onze onafhankelijkheid. Het is ons niet meer mogelijk op God beslag te leggen met onze beginselen, programma's en overtuigingen", (a.w. blz. 32, 33).

Als de tijd dat heeft kunnen doen, zal het weinig verschil maken, of men het gemoedelijke Godsbegrip heeft ingeruild tegen een „raadselachtig" Godsbegrip van een God, „die initiatief neemt, een aanval op de mens doet en zijn afgoden verbrijzelt". Een Godsbegrip is slechts een Godsbegrip, een gedachte, die in de hersenen rondzweeft. De mens heeft zich in alle eeuwen afgoden gemaakt en in alle eeuwen heeft God gezorgd, dat er mensen waren, die in Hem, de enige en waarachtige God, geloofden en Zijn Woord bewaarden.

Wij zijn dan ook van oordeel, dat de veranderingen, die werden genoemd : ,,niet meer rechtlijnig verbinden met de geschiedenis des vaderlands" en wat er verder volgt, veeleer bewijzen van ontkerstening, althans van scepsis, dan van verdieping van geloofsbesef moeten worden geacht.

Wij lezen althans in de Heilige Schrift, dat God ook de tijden en de bepalingen onzer woning ordineert (Hand. 17 vs. 26) en dat er geen muschje ter aarde valt zonder Zijn wil. (Matth. 10 vs. 30). Dat is, dunkt ons, nogal een tamelijk rechtlijnige bemoeienis met deze aarde en ons, aardelingen.

Men moet wel een moeitevolle denkstructuur aanleggen, om hier uit de rechtlijnige bemoeienis Gods met onze geschiedenis uit te komen. ,,God deelt in de Bijbel niet een en ander mede, dat nu als waarheid heeft te gelden", zegt prof. Van Niftrik.

Hier hebben wij een voorbeeld, waaraan wij de betekenis van dat oordeel kunnen toetsen.

Is dat nu zo, of is het niet zo, dat God onze woonplaats bepaalt ?

Is het zo, of is het niet zo, dat Christus alzo gesproken heeft over de musschen, en zo ja, is het waarheid, dat geen muschje ter aarde vallen zal zonder de wil des Vaders ?

Zijn dat waarheden, die weliswaar in het geloof eerst recht worden verstaan, maar die intussen ook voor ons alledaagse verstand als objectieve waarheden hebben te gelden ? Of is dat alles niet zo ?

Uit de algemeenheid, waarmede prof. Van Niftrik de opmerking maakt, zou men moeten concluderen van neen, dat is niet zo.

Dat wordt echter een netelige zaak. Historisch zal men moeilijk kunnen aantonen, dat Christus zo niet heeft gesproken. En, indien Hij zo wèl gesproken heeft, heeft Zijn woord dan geen gezag voor ons ?

Indien de getuigen Hem zulke woorden ten onrechte in de mond hebben gelegd, zijn zij valse getuigen, het ergste, wat van hen zou kunnen worden gezegd ?

Wat betekent dan heel het profetische en apostolische getuigenis ?

Wij hebben vernomen, dat het gaat om de kennis van God in Jezus Christus. ,,God laat ons door Zijn getuigen zeggen, dat Hij zichzelf in Jezus Christus aan ons gegeven heeft". Dit schijnt tegehjkertijd een beperking en een verdieping, maar wat betekenis heeft dit voor onze kennis van God en van Zijn Christus ?

Dat is niet zo eenvoudig. „Immers, als historisch feit deelt Jezus Christus de realiteit en dubbelzinnigheid van alle historische feiten. Alleen de daad van Gods openbaring doet Hem de Christus zijn", (a.h.w. blz. 35).

Zo hebben wij Christus' getuigenis ook al weer niet verstaan. Ten eerste is het een vreemde spreekwijze van Jezus Christus als historisch feit te spreken. De vleeswording des Woords, de kruisdood, de opstanding des Heeren zijn historische feiten. Maar dan : „Vlees en bloed hebben u dat niet geopenbaard, maar Mijn Vader, die in de hemelen is", zo lezen wij Christus' woord. (Matth. 16 vs. 17).

Hier is dus sprake van een daad van openbaring door de Vader, maar er staat niet, dat die daad ,,Hem Christus doet zijn", maar dat Petrus door die daad Gods ontdekt, dat Jezus de Christus is : Gij zijt de Christus, de Zoon van de levende God.

Het gaat trouwens over de vraag : „Wie zegt gij, dat Ik ben", en niet : Wie zegt gij, dat Ik door een openbarende daad Gods gemaakt wordt?

Zo lezen wij ook nergens, dat het onderricht van de Heilige Geest ons ,,gelijktijdig" maakt met Jezus Christus. Deze uitdrukking is dan ook weinig geschikt om een levende betrekking tot Christus, te verduidelijken.

Wellicht zitten deze dingen vast op de hoofdgedachte, welke de verdediger van de nieuwe theologie ons onder het oog zal willen brengen : n.l. dat wij God niet adaequaat kunnen kennen. Dat wil zeggen, dat onze kennis van God, omdat wij schepselen zijn, nooit op één lijn met Gods zelfkennis kan worden gesteld. God is de Verhevene, die zich zelf op een goddelijke en voor ons verborgen wijze kent en onze Godskennis kan met Zijn goddelijk Wezen nooit overeenkomen. Wij hebben geen goddelijke kennis, maar kennen op menselijke wijze, kunnen, slechts op menselijke wijze over God spreken en zouden aan die menselijke voorstellingen en begrippen ten onrechte goddelijke waarde hechten.

Zo zouden wij, orthodoxen, ook de goddelijkheid der Heilige Schrift bovenmate zeer verheven en haar menselijkheid over het hoofd  gezien hebben.

Nog een schrede, en dit wordt welhaast als afgoderij uitgekreten.

Niettemin kan het argument ons niet zo geweldig aandoen. Het is de gereformeerde theoloog altijd wel bekend geweest, dat onze Godskennis zeer verscheiden is van de goddelijke zelfkennis. Vandaar de onderscheiding in archetypische en ectypische Godskennis. Dit behoeft echter de waarheid en zekerheid van de ectypische Godskennis niet in de weg te staan. Als de Heilige Geest, die. de diepten Gods onderzoekt, ons in de kennis Gods inleidt en ons die kennis bij brengt in de gestalte van het menselijke kennen, is de Heilige Geest waarborg voor de waarheid, gelijk geschreven is. (Joh. 14 vs. 26).

Veeleer steekt in dat argument van niet adaequaat kennen Gods een element van intellectualisme, hetwelk in strijd komt met de werkelijkheid van schepping en openbaring. De wetenschap, dat God eeuwig onderscheiden is van het schepsel, moge de conclusie wettigen, dat ook Gods kennen eeuwig onderscheiden is van ons kennen en dat wij Hem niet vermogen te kennen op een wijze, die daarmede overeenkomt.

Dit sluit echter geenszins uit, dat God zich te kennen geeft op een schepselmatige wijze.

Wij mogen zelfs verder gaan en geloven, dat God de mens naar Zijn beeld geschapen heeft, opdat hij zijn God zou kennen en liefhebben. Dit wordt trouwens bevestigd door Christus, als Hij zegt, dat het eeuwige leven is in de kennisse Gods. Zo is de mens tot Gods kennis geschapen en geroepen. Schepping en openbaring hangen onmiddellijk samen. Om 't heel erg duidelijk te zeggen : in de schepping van de mens zijn de menselijke aard en gestalte van de Godskennis door de Schepper bepaald geworden. 

Ook de menselijkheid der Godskennis is een schepping Gods en als zodanig niet in conflict met de waarheid dier kennis.

Dat conflict met de waarheid ligt niet in de menselijkheid, maar in het gemis van een levende betrekking met de God der waarheid.

Nergens wordt van het schepsel, wat wij noemen „adaequate" kennis van God geëist. Dat ware zelfs ongerijmd. Maar juist daarom kan de geopenbaarde kennis om haar menselijkheid niet worden veroordeeld.

Het is ook niet anders dan ontvluchting aan het schepselmatige — ondanks , — en mogelijk dank zij , — alle verwerping van de mens en het menselijke — wanneer men zich terugtrekt op de waarheid, n.l. Jezus Christus, zoals de verdedigers van de nieuwe theologie dat plegen te doen.

Zeker; Christus heeft gezegd, dat Hij de Waarheid is. De Heilige Geest, d.i. de Geest van Christus wordt ook de Geest der Waarheid genoemd. Dat vindt geen tegenspraak, maar daaruit volgt geenszins, dat wij geen geopenbaarde waarheden zouden hebben omtrent God, de schepping en onderhouding der wereld, de val, de verzoening en verlossing in en door de Christus, gelijk de kerk daarvan getuigt in haar belijdenis.

Het onderricht van de Christus, ons door de Evangeliën overgeleverd, leert wel anders. Het voortdurend conflict met de Farizeërs (en Sadduceërs) geeft duidelijk te kennen, dat Hij onderscheid maakt tussen leer en leer. Het bewijst ook, dat het geloof aan de gedragingen wordt gekend.

Hoewel het zo is, dat wij de waarheid Gods en de rijkdom van Christus nooit met ons verstand zullen kunnen omvatten of in menselijke woorden zullen kunnen omschrijven, en dat wij op een verborgen wijze in de gemeenschap des geloofs door de Heilige Geest gemeenschap kunnen oefenen met de Christus, wil dat nog niet zeggen, dat Zijn licht niet over ons leven kan opgaan, zodat wij in dat licht wandelen. Dat zegt de Christus zelf : „Die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben".

Het ligt nu eenmaal in de aard van het geschapen leven, dat wij ten dele kennen, ook in de kennis der genade.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

Wij kennen ten dele

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 december 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's