MEDITATIE
Iets nieuws
Zie, ik zal wat nieuws maken. Jesaja 43 vers 19.
Dit is een bemoedigende toezegging voor een volk in ellende. Lang geleden waren er grote wonderen geschied, de Heere had het volk uitgeleid uit de slavernij van Egypte. Had de Heere hen niet bijgestaan, dan waren ze in de druk omgekomen, maar met een machtige hand en een sterke arm had Hij hen verlost en later, al mocht de geschiedenis van het volk één keten zijn van afval en ongehoorzaamheid jegens hun getrouwe Weldoener, van genade hadden geen einde.
Zo menigmaal had hun God des Verbonds hun Zijn gunst betoond. Als vijanden het land afstroopten, als oorlog op oorlog het volk teisterde, als misgewas de hoop van de landman beschaamde, dan deed de Heere op het ootmoedig smeekgebed grote wonderen, en mocht al het volk moeten ervaren, dat de zonde en de verbreking van Gods verbond zich duur liet betalen, een voleinding maakte de Heere niet; naar hun zonde heeft Hij de Israëlieten niet bezocht. Maar nu schenen Gods barmhartigheden door toorn te zijn afgesneden, het leek wel, alsof het uit was tussen God en Zijn volk, want zó erg als nu was het nooit geweest. Immers zat het volk in Babel, in ballingschap, de duizenden waren weggevoerd, dat betekende : de dood van het volk, en dat was alles gevolg van eigen zonde, eigen boosheid kastijdde hen en eigen afkerigheid strafte hen.
Was er nu wel mogelijkheid van verlossing ? En dan komt het woord van de Profeet : ,,Ik zal wat nieuws maken" ; vroeger zijn grote dingen gebeurd, maar ook de grootste daad van verlossing uit het verleden haalt niet, bij wat de Heere doen zal, als Hij aan doden wonderen doen zal en een volk zal doen herleven. Als de vervulling van Gods beloften komt, dan zal blijken, dat de Heere doet boven bede en boven verwachting. "
In het donkere heden van de Babylonische ballingschap dacht het volk slechts aan 't verleden, de toekomst bood hun geen enkel perspectief, er was geen uitzicht; hun hope was vergaan, maar de Heere komt over de bergen van zonde en schuld heen. Hij vraagt niet, of het volk de genade wel waard is, en of het zoveel goedheid Gods wel verdiend heeft, maar ziet veel meer naar de nood en gaat zich over de nooddruftigen ontfermen : ,,Ik zal wat nieuws maken", en leert Zijn gemeente, te leven van de beloften over de toekomst. Ook hier weer komt de gemeente van het Oude Testament uit als een Advents-gemeente.
De Heere legt hier sterke klemtoon op het totaal ongedachte, op het algeheel onvermoede. De uitkomst en de verlossing, die het volk zich niet kan indenken ; die komt niet op uit het brein van de mens, dat is de goddelijke verrassing ; behoort niet tot menselijke mogelijkheden, en straks zal een verlost volk zingen :
„Dit werk is door Gods alvermogen. Door 's Heeren hand alleen geschied; Het is een wonder in onz' ogen".
Dit woord ziet niet alleen op de verlossing van Israël uit ballingschap. Dit blijkt reeds direct uit het verband van dit Schriftgedeelte, waar gesproken wordt van het gedierte des velds, dat de Heere zal prijzen, welke jubel van het stomme schepsel spreekt van de hernieuwing van Gods schepping. In de nieuwe bedehng zal ook het dier leven tot Gods eer. In het Nieuwe Testament verwijst de Heere Jezus Christus meer dan eens terug naar dit gedeelte van Jesaja en laat zien, hoe de Profeet met het oog op de verwachte Messias en de verlossing, die Hij werkt, heeft gesproken. (Jes. 42 vs. 1 enz. ; Jes. 53, Jes. 61 vs. 1, enz.).
Meer dan Kores, meer dan Cyrus is hier. Kores verloste het volk uit Babel; wie had zulks kunnen denken ?
Wie had zich in kunnen denken de komst van de Heere Jezus Christus tot verlossing van Zijn volk, en in wiens hart is opgeklommen de gedachte aan zulk een verlossing, als de Heere Jezus voor een volk, dat in de ban van de dood gevangen ligt, zou bewerken ?
Iets nieuws — de Schrift wordt niet moede, ons dat telkens weer voor te houden — vinden wij hier beneden niet, het is aldoor de oude, zelfde kringloop van vergankelijkheid en dood, van schuld en zonde aan de éne kant en gericht aan de andere kant.
Iets nieuws, dat de ban van deze benauwende kringloop doorbreekt, is er niet.
Ik kan van mijn leven niet iets nieuws maken.
Hebt u wel ervaren, hoe gij uzelven uit de zondenood niet kunt opwerken? Het is nu eenmaal een onmogelijkheid voor de mens, zichzelven te verlossen, en ook is er geen „bloot schepsel", die hem verlossen kan, ook weet de mens de weg niet, langs welke die verlossing komen zoude. Hij staat voor een diepe kloof, die overbrugd moet worden, staat, als aan de oever van een zee, waar hij doorheen moet, leert door het ontdekkende licht van Gods Geest vragen : „Is er voor mij een middel, om de straf te ontgaan en wederom tot genade te komen ? " Van zulk een verlossing kan niemand zonder de openbaring Gods zich een voorstelling maken. En nu is het de Heere, die, wat menselijk onmogelijk is, mogelijk maakt.
Als er raad noch daad tot de verlossing van de mens was, toen was er de Heere, die in Goddelijke wijsheid en onbegrijpelijke liefde iets nieuws op stapel heeft gezet.
En dat grote heilsplan tot verlossing van Zijn volk stelt alle andere daden van hulp en
(een zin die niet te lezen is)
Onder de zon is niets nieuws, maar wat God in Christus geeft, dat is het nieuwe, en hetgeen het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord en in het hart van de mens niet is opgeklommen, dat heeft God bereid dien, die Hem liefhebben.
,,Zie, Ik zal wat nieuws maken". Van dat nieuwe gaan we weer spreken met Kerstfeest ; dan worden wij geroepen om ons te bezinnen op wat de Heere gedaan heeft.
Voor veel mensen is dit helemaal niets nieuws ; zovele jaren toch maakte men het Kerstfeest mee ; ik zeg met opzet: Men maakte mee, het was iets gewoons, van vieren was geen sprake ; men beleefde niet het wonder Gods. Hebt u, beste lezer, een wonderdoend God nodig ? Dat zal heel zeker het geval zijn, als u gezet bent voor de onmogelijk te overbruggen kloof tussen God en uw leven ; dit zal heel zeker zijn, wanneer gij hebt leren vragen, hoe het ooit mogelijk zal zijn, dat uit uw gebroken leven de lof van God weer rijzen zal, en gij uit de ballingschap van uw vervreemding van God uitgehaald wordt en gesteld op de weg naar Sion. Zo wordt Christus u onmisbaar, als het grote wonder Gods in deze wereld ; Hij komt met was nieuws, Hïj is de verwerkelijking van het heilsplan Gods tot zaligheid.
Nooit genoeg kunt gij u 't wondere van de daden des Heeren, om Zijn volk uit de dood der vervreemding op te halen, indenken ! Het zijn mysteriën, waarin de engelen tevergeefs zoeken in te blikken, want het komt op uit het welbehagen van Gods eeuwige liefde.
„Zie, Ik zal wat nieuws maken" ; dat wijst over Cyrus heen naar de komende Knecht des Heeren en zó naar het woord van de Openbaring : „Zie, Ik maak alle dingen nieuw".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 16 december 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's