Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA
132)
Vlak bij het huis zag hij Sinaï Tulpenbloesem, die de geiten en de schapen al naar buiten dreef. Met voeten, geheel nat van de dauw, trad hij binnen, en zijn pleegvader dadelijk achter hem.
„Vergeef mij", zei Samuel ootmoedig, terwijl hij zijn pak boodschappen neerlegde ,,ik vond gelegenheid om over ons geloof te disputeren. Het heeft wel wat lang geduurd, maar ik heb die tijd alleen maar van mijn slaap afgenomen". Sinaï keek hem onderzoekend aan en ghmlachte bevredigend. „Dat is goed — dat kan je sterken voor je beroep". Hij haalde een bijl en touwen en ging nog een keer weg, om nu de geiten aan een lijn vast te leggen.
Suze had de koffie klaar en wachtte. Zij had zich over hem bezorgd gemaakt. Eindelijk tegen de morgen was zij ingeslapen en had een droom gehad. Deze hield haar nog zó bezig, dat zij hem moest vertellen, vóór zij ging naar wat hij had beleefd. luisteren
„Ik zat gisteravond een hele tijd alleen in grote onrust en dacht toen al maar aan de Messias en aan jou, mijn kind, terwijl een groot verlangen mij alle andere gedachten ontnam. Want je moet niet vergeten, dat ik oud ben en dat ik niet lang meer wachten kan. Ik bad toen en dacht aan Eén, en zei in mijn gebed : „Als hij het is, laat mij dan nog blijven leven, opdat ik hem helpe. Maar als hij het niet is, laat mij dan maar spoedig sterven, zodat ik kan heengaan en het Hem aan gindse zij kan zeggen, dat Hij komen moet". En het kwam met alle macht over mij, dat nu — vandaag, of in ieder geval dezer dagen, — de Messias zich zou openbaren. Vóór die tijd had ik gesproken en Hem getoond dat de. tijd rijp was. Hij wachtte daarop, en nog niemand had het aangedurfd om Hem dit te zeggen.
En ik dacht aan onze grote Herzl, en hoe die had moeten heengaan zonder te hebben gezien, wat hij had geloofd en gewild, en ik dacht weer, of het misschien met mij toch nog zou gaan als met hem in het laatst.
Toen zag ik een gezicht, — het was stellig geen droom.
Hij lag daar, Herzl, die dierbare man, en hij streed met de dood, en een gestalte als een cherub trad op hem toe, en droogde hem het doodszweet af.
Hij klaagde : „Ach, dat ik zo vroeg al moet sterven. Mijn hoop gaat met mij ten grave. Geliefde, gij kent de arbeid mijner ziel, dat ik mijn broeders hun land wilde teruggeven en hen uit hun lijden wilde verlossen. Alle Joden hingen mij aan, en nu moet ik hen loslaten, want ik moet heengaan.
En toen zei de grote engel vriendelijk: „Mijn zoon, weet gij dan niet waarom uw volk daar maar al moet dwalen ? "
En hij sprak : „Neen, heer, dat weet ik niet. Maar ik ken wel de nood van mijn volk. Breng mij tot Jehovah, dat ik Hem bidde. Ik weet, dat de Hoeder Israëls niet sluimert, noch slaapt. Breng mij naar Hem toe, als gij kunt".
Toen zei die grote engel: ,,Vertrouw op mij, ik ben Michaël, de aartsengel Gods". En hij nam hem in zijn armen en de hemel ging open. En daar zaten alle vromen en zaligen uit Israël. Onze Herzl hield de hand van de cherub vast in de zijne en hij stamelde : ,,Dat is de Heere ! Zeg het mij : is dat onze koning David ? En is dat Daniël, die zijn hoofd buigt en zo nadenkt ? En daar zie ik Elia. Ik herken ze allen".
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's