MEDITATIE
Gij weel de genade van onze Heere Jezus Christus
Zó verstoord kan de wereldorde niet zijn en zó verward de wereldaanblik niet wezen, dat de inkomste van Christies de Heere in Bethlehems stal onopgemerkt zou voorbijgaan aan de nageslachten.
Integendeel, het blijft zijn bekoring behouden, 't Is verwonderlijk hoe hierin alles deelt. De meest-onkundige, die nauwelijks u zal kunnen vertellen wat en wie de Christus is geweest, zowel de Gemeente des Heeren, die haar God niet genoegzaam weet te eren vanwege deze wonderschone lossing van het raadsel hoe zondaren v/orden behouden van een anders zekere dood, allen worden gelijkelijk stil gezet bij het naderen van de Kerstweek.
Gij weet hoe de Roomse nabuur de stilte van de nachtrust verbreekt door de schare te noden tot in de onmiddellijke aanschouwing van de kribbe, nagebootst binnen de wanden van haar heiligdommen.
Gij weet hoe zelfs ook die kringen zich hebben zoeken aan te passen, waar voorheen voor de Christus Gods niets anders dan hoon en smaad werd tezaam gelezen.
Gij vindt thans de Kerstemblemen overal. Het gevaar schijnt zelfs niet denkbeeldig, dat de grenzen tussen onheilig en heilig dreigen te zullen worden uitgewist.
Van twee kanten kan dit verschijnsel onzer dagen worden belicht.
Wie bij het uiterlijke blijft staan en aan het uitwendige op zich zelf enige waarde toekent, verheugt er zich in, blij als hij is, dat steeds breder terreinen v/orden ontsloten. De redenering luidt aldus: voorheen niets — nu iets". In wat achter ons ligt, geen enkele klank van het kindeke in de kribbe, nu - toch iets dat doet vragen : ,,wat moet dit feest ? Waarvoor dient dit tooisel ? "
Toch kan niet worden verheeld, dat velen dit verschijnsel pijnlijk heeft getroffen, wijl de vrees voorzit : is de wereldvervlakking reeds zover gekomen, dat zij alles betrekt binnen haar grenzen. Dat de stilte van de Kerstnacht wordt opgenomen in het rumoer van de geest dezer eeuw. Dat ook zelfs van dit allerheiligste de schennende hand niet wordt geweerd.
Wij constateren alleen het feit, dat wie niet meer optrekt naar Bethelehem een enkeling is. 't Kerstfeest is het feest bij uitnemendheid. Geeft maar eens acht op wat iedereen kan opmerken.
Op Goede Vrijdag trekt reeds een scheur. Dan zijn er velen, die achterblijven. De sfeer van Golgotha werkt benauwend voor velen.
Men gevoelt zich in deze omgeving verre van thuis. Alleen: wie in de Kruis-Koning zijn schuldendelger ontmoet en Hem als Middelaar begroet. Die ingaat in het heiligdom om Gode Zijn rantsoen aan te bieden, roemt deze dag als de dag der dagen, de schoonste welke ooit deze aarde zag, maar wie deze blik niet heeft, voor wie Christus bleef de zoon van Jozef en Maria, kan aan de benauwende gedachte zich niet ontworstelen : ik ben hier in het gezelschap van iemand, die onderging in de dood: Voor deze bleef de benaming van „Goede Vrijdag" iets vreemds.
Met Pasen werd dit verschijnsel nog dubbel onderstreept, om van Pinksteren niet eens te reppen.
Bij het klimmen der feesten zinkt het meeleven van de massa steeds dieper weg.
Dat zulks te denken geeft, mag niet worden verheeld. Natuurlijk schuilt de fout bij het verkeerde begin. Voor de massa heeft de kribbe iets aantrekkelijks : ,,Een Koning in een kribbe". Een lofzang van hemelkoren weigert te verstommen. Een omgeving waar ge beide treft n.l. de machtigen dezer wereld en de wijzen van het Oosten, maar daarnaast de herders uit het veld, laat niemand onbewogen. Doch wat hier tegenover staat wanneer de lijn zuiver wordt getrokken, zó, dat ge achter Bethlehem niets meer over houdt, zo moet ge de wonderschone liefde Gods eens merken in de overgave van de Eengeborene, opdat de armoede dezer wereld zal worden ingeruild tegen de rijkste goederen van de hemel.
God werd mens. De Koning der koningen daalde in de laagste stee om wat verloren lag onder de zonde te begiftigen met eeuwige heilsgoederen. Zo gezien komt het woord van de Apostel, neergelegd in 2 Cor. 8 : 9 tot zijn recht: ,,Want gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwille is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijne armoede zoudt rijk worden."
Wij stellen hierbij een drietal punten vast. Ten eerste : Christus werd van rijk arm. In de tweede plaats : opdat gij van arm rijk zoudt worden.
Ten derde : weet gij, dat dit enkel de genade van onze Heere Jezus Christus is.
Wij spreken dus over verschillende punten : rijkdom, armoede, genade.
Het eerste roept dadelijk de Engelenboodschap naar voren: ,,Ziet ik verkondig u grote blijdschap, die alle den volke wezen zal, n.l. dat u heden geboren is Christus de Heere in de stad Davids".
Dit zijn wel mee de meest bekende woorden uit de Heilige Schrift. Dit is het kernpunt van het Evangelie. Dit is het wonder der wonderen. Doch let nu op wat volgt. En dit zal u het teken zijn. Ge zult het kindeke vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe.
Ziet hier het teken van Zijn Christus zijn, het bewijs dat Hij is Jezus, d.i. Zaligmaker. Men spreekt vaak van tegenstellingen, maar hier liggen ze opgehoopt.
Wij ontlenen onze beschrijving aan het Woord des Heeren.
Die in den beginne bij God was, God zelf zijnde. Die alles gemaakt heeft wat gemaakt is ; door Wien alles wordt onderhouden en geregeerd, wordt ingeweven in het doek der mensheid. Deze wordt geboren uit een vrouw. Welke pen zou dat vermogen, n.l. de juiste omschrijving te geven van Zijn heerlijk wezen, zoals Hij was voor Zijn menswording.
Een enkel woord, dat Zijn goddelijke lippen hebben gesproken wijst heen naar dit wonderschone, rijke verleden.
Neemt slechts dit ene uit de Hogepriesterlijke bede : „Vader verheerlijk Mij met de heerlijkheid, die Ik had eer de wereld was". Of zoals de Spreukendichter het uitduidt : „Toen Hij de grondvesten der aarde stelde was Ik een voedsterling bij Hem, en Ik was dagelijks Zijn vermakingen".
Voor ons mensen, die leven temidden van een door de zonde verdorven wereld, die overal op onvolmaaktheden stoten is het eenvoudig een onmogelijkheid om ons enigszins een voorstelling te vormen van dat rijke leven, dat de Christus Gods genoot voor Hij de menselijke natuur aannam.
Wordt er van het leven bij God in de hemel wat mensenkinderen, die zalig worden zullen verkrijgen, reeds gezegd, dat geen oog het heeft gezien en in geen mensenhart is opgeklommen, wat is het dan geweest dat vanuit die Bron, de Gever van dit alles opsprankelde en zich mededeelde aan heel deze goddelijke omgeving.
Christus rijkdom, bestaande in Zijn wezen is niet weer te geven. Net zo min als God Zelf in Zijn volheid door ons kan worden omschreven, net zo min bestaat de mogelijkheid om enigszins naar waarde te schatten de rijkdommen waarin de Zone Gods voor Zijn menswording zich verlustigde.
Dat heeft de Heere prijsgegeven. Hij, Die rijk was, zo luidt het woord dat ons in deze waarheid inleidt, is arm geworden.
Levert dit eerste talloze moeilijkheden voor ons stofbewoners, om deze woorden uit te beelden, dit laatste is des te gemakkelijker. Immers hier komt de Allerhoogste op ons terrein. Hij werd aardbewoner.
De aanraking tussen deze twee werelden de ontzaglijke rijkdom, welke de Christus Gods had van te voren en de onbegrensde armoede, welke Hij tegenging bij Zijn inkomst in deze wereld, ziet ge in de Kerstnacht. Dan zuigen de hemelpoorten open en de duistere nacht van Zijn geboren worden wordt volgegoten door de lichtende gestalten der cherubs en serafijnen, van de overheden en krachten, van de aartsengelen, met hen die geregeld voor de Troon zijn. Zij zingen voor hen niet ongewone liederen op hemelse accoorden van „ere zij God in den hoge, vrede op aarde, in mensen een welbehagen".
Toen dat moment inluidde, lagen twee werelden als dooreengestrengeld. Van uit de rijke hemel werd deze arme, doodarme wereld volgegoten met licht en vrolijke gezangen. De engelen, de hemelbewoners konden het niet laten. Hem zolang mogelijk te vergezellen. Hem de tol der ere gevend. Wanneer deze hulde van Hogerhand als maatstaf had gegolden voor aardbewoners, zoals zich verwachten liet, zo komt alles wat er zich voordoet in een raadselachtig licht te staan.
Deze Christus heeft geen toegang. Geen plaats voor Hem. Moeilijker weg dan door Hem moest bewandeld worden, vindt ge niet. De poorters van Bethlehem hielden de poorten gesloten. In letterlijke zin gold het woord : niemand, die Hem begeerde, 't Gold niet alleen voor het stedeke, dat in de rolle des boeks stond aangeduid, maar zo was het begin tot het einde : geen plaats in de herberg. Schrijf het af zo ge wilt voor de volle 100 % pp de onwil van mensen, op de harteloosheid omtrent hulpbehoevenden, op hardheid tegenover het misdeelde, toch komt ge ten slotte te staan voor des Hoogsten bestel. Ontledigd, ontbloot van alle hulp, zonder enig bedeksel, moest Hij, de Zone Gods worden neergelegd tussen de dieren des velds, buiten de samenleving.
Wilt ge het u zien getekend, zo sla op de gewijde rolle: Alzo lief heeft God.de wereld gehad, dat Hij Zijn Eenigeboren Zoon gegeven heeft. Hier staat het „overgegeven". De kruisweg begint niet in de laatste dagen van Zijn rondwandeling, doch reeds in de Kerstnacht. Zie daarvan is dat hele leven van Christus een bevestiging : ,,ontledigd". Niets is Hem gelaten wat op heerlijkheid geleek.
Nu lees ik het met ogen, die geleerd hebben te lezen in het boek van Gods geheimenissen : arm geworden, dood-arm. Die rijk was, rijk in de volste zin van het woord : hemels rijk, goddelijk rijk, onuitsprekelijk rijk, om zulke doodarmen rijk te maken.
Thans mag ik, al is het op een gebrekkige wijze de tolk zijn van wie deze Christus de Zijnen mag noemen : Hij gaf het Zijne voor mij. Hij nam het mijne als het Zijne, daarom werd Hij ontledigd geheel.
De armoede van Christus hangt dus onlosmakelijk saam met de armoede van wie Christus toebehoren. Zou daarin dan ook niet de geheimkoorde schuilen waarmee ieder, die waarlijk arm werd zich tot Christus voelt aangetrokken.
Rijk worden zegt in de allereerste plaats, dat men niet rijk is.
En zie dat kan lang niet van iedereen worden getuigd. Denkt maar eens aan het woord uit Openb. 3 : ,,Gij zegt: ik ben rijk en verrijkt geworden, en heb geen dings gebrek en gij weet niet, dat gij zijt ellendig, jammerlijk en arm en blind en naakt".
Dit geldt als waarschuwing. Christus komt de zodanigen tegemoet met : ,,Ik raad u dat gij van Mij koopt goud beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden. Doch wie nu arm mocht worden, steeds armer, zodat hij tenslotte moet belijden: Ik heb letterlijk niets meer, zie tot dien wordt de nodiging gericht die hem zal geleiden naar de kribbe van Bethlehem. Hij is de Zaligmaker. God Zelf is ingegaan in uwe armoede.
Ziet daarin eens de hand des Heeren, merkt eens op de lokking welke u tegenklinkt in het woord van onze tekst: want gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwille is arm geworden, daar Hij rijk was en nu komt het: opdat gij door Zijne armoede rijk zoudt worden.
Door Zijne armoede, gij rijk.
Wordt nu niet heel die arme omgeving van Bethlehem voor u een expresse nodiging. Als gij eens niets meer hebt, dan zult gij door vals medelijden niet beklagen wie daar nederligt, maar aanbidden. Om nu alles in Christus te vinden, niet in Zijn rijkdom, maar in Zijn armoede. Die armoede is om uwe overtreding. Hij heeft niets onwaardigs gedaan, maar gij. Hij heeft in geen enkel opzicht Gods Wet geschonden doch gij weet nu geen stee te wijzen of daar druppelde de zonde op neer of nog erger, zoals de Dichter het weergeeft:
Een stroom van ongerechtigheden Had d' overhand op mij.
Zoudt ge 't nu aandurven om wat er op volgt over te nemen :
Maar ons weerspannig overtreden Verzoent en zuivert Gij.
Ongerijmd geeft het in nog heerlijker vorm : Doch bij U is vergeving, opdat Gij gevreesd wordt.
Daar is op heel deze wereld geen preekstoel waarvan het Evangelie der genade zo zuiver wordt uitgedragen dan vanuit de kribbe van Bethlehem en het hout der schande.
Ik werd ontkleed voor u. Ik werd naakt uitgeschud. Ik hield niets over, armer dan arm werd Ik, om het uwe te nemen en het Mijne te geven.
Wij blijven op een afstand van elkander staan, zo die omwisseling, die wondervolle ruiling niet tot stand komt.
Wie met niets in zijn hand, met enkel zonde in zijn hart, met schuldbelijdenis op de lippen tot de kribbe nadert, zal het ervaren : „geen rijker Koning dan Deze, geen milder Vorst dan Deze".
Mogen wij deze Christus Gods eens sprekend invoeren zoals Hij daar in schijnbaar enkel hulpeloosheid nederligt.
Hoort eens de klanken, welke ik opving : geef Mij uw armoede, dan hebt ge Mijn rijkdom ; geef Mij uw zonde, dan hebt ge Mijn gerechtigheid, geef Mij uw moeite, uw leed dan krijgt gij Mijn kroon en heerlijkheid. Ik zeide de hemel vaarwel om u de hemel te ontsluiten. Ik gaf alles prijs om wie niets heeft overgehouden de ruimste ingang te geven door de poort der genade.
"t Is gunst alleen. Daarom is ons sluitstuk hieraan gewijd.
Want gij weet de genade van onze Heere Jezus Christus, dat Hij om uwentwille is arm geworden, daar Hij rijk was, opdat gij door Zijn armoede rijk zoudt worden. Gij weet het, zegt de Apostel.
Zou het nu geheel overbodig zijn om eens deze vraag te stellen : weet gij het ook ? Ik heb het u zoeven reeds voorgehouden : het woord van de Heiland zelf, dat Hij richtte tot een van Zijn gemeenten op aarde : gij weet niet dat gij zijt : arm, jammerlijk, naakt en blind : Wat gij meent te hebben bestaat niet. Gij hebt het niet. Voor Gods oog verdwijnt alles. Hier is enkel plaats voor gunst. Wie daarvan wenst te leven krijgt het ruim. Het Evangelie is niet voor rijke mensen, maar voor behoeftigen.
Kan het ooit in duidelijker bewoording worden weergegeven :
Nooddruftigen zal Hij verschonen, Aan armen uit gena Zijn hulpe ter verlossing tonen.
Immers : want Hij slaat hun zielen ga.
Als Hij uw ziele gadeslaat, wat vindt Hij daar. Een verbroken en verbrijzeld hart zal Hij nooit verachten. Dat is het werk dat Hij zelf heeft gewrocht : Hij maakt zalig. Hij alleen. De eerste, die door de poort kwam was een moordenaar, die een beroep deed op de belofte : heden zult gij met Mij de paradijspoort binnen treên.
't Is enkel genade.
Ik, zo spreekt de Heere, maakte het pad vrij voor u.
Amen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 23 december 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's