De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De Kerk en wij

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De Kerk en wij

7 minuten leestijd

PREDIKING

VIII.

Wij komen nu tot het laatste gedeelte van onze bespreking over de Kerk in ons leven. Wij zagen reeds hoe de Kerk ons aanspreekt in onze Doop, in de catechisatie, belijdenis doen, viering van het Heilig Avondmaal, in het huisbezoek en ziekenbezoek.

In en onder al deze werkzaamheden vanwege de Kerk was altijd weer de verkondiging van Jezus Christus en Die gekruisigd!

Dit is immers in de Kerk der Hervorming het middelpunt in de dienst des Heeren bij de samenkomsten der gemeente.

Daarom zullen wij nu nog wijzen op de prediking, zoals deze elke week tot ons komt in de kerkdienst.

De Heere spreekt ons aan in de prediking, maar de Heere doet dat door de prediker, die in opdracht van de Kerk en dus ambtelijk het Woord Gods verkondigt, waarbij hij gebonden is aan de Heilige Schrift als Gods Woord en aan de belijdenis, die daarmede in overeenstemming is.

De prediker is dus eigenlijk de heraut, die aankondigt, dat de Koning komende is. Niet alleen in de dag der dagen, doch ook nu, terwijl gij luistert, want de Heere roept u door Zijn Woord.

Daarom heeft de prediker zich duizendmaal te bezinnen of hij waarlijk Gods Woord brengt en niet zijn eigen geliefkoosde gedachten omtrent dat Woord Gods. Alleen dan is het ook waarlijk Gods Woord, wat gepredikt wordt.

Dat Woord nu is een tweesnijdend scherp zwaard. De Heere spreekt ons daarin aan als zondaren, die onder het oordeel Gods liggen vanwege de zonde. Het veroordeelt ons dus zonder meer als onbekwaam tot enig goed. Dat is niet aangenaam voor de mens, die toch eigenlijk zulke hoge gedachten omtrent zichzelf koestert. Maar zo alleen ook kunnen wij de blijdschap van het Evangelie verstaan, dat er vergeving is voor onze zonde en dat er verlossing is uit de machtige banden, waarmede wij aan het rijk der duisternis verbonden zijn. Zo alleen kunnen wij iets begrijpen van het leven, en sterven van de Heere Jezus Christus. Hij droeg de vloek, die op ons rust vanwege onze zonde. Hij worstelde met de dood om de verschrikking daaruit weg te nemen voor al Zijn discipelen. Daarom is Christus de Middelaar Gods en der mensen, tevens ook de barmhartige Hogepriester.

En in de prediking worden wij voor een keuze geplaatst: „Kies u heden, wie gij dienen zult". Het gaat in deze prediking om niets minder dan om een eeuwig leven of een eeuwige dood. Het gaat dus om het zijn of niet zijn, maar dan dit laatste gezien bij het licht van Christus' woord : „daar zal wening zijn en knersing der tanden". Het gaat hier dus om het vóór of tegen Christus, want neutraal zijn, is bij deze dingen niet mogelijk. Wie een vriend der wereld zijn wil, wordt een vijand van God geacht.

Zo roept de rechte prediking ons altijd weer tot bekering en tot geloof. Het grote gevaar bestaat echter, dat wij de ernst van de prediking niet meer horen, zodat wij meer zitten te critiseren dan te luisteren naar wat Gods ons hier en nu te zeggen heeft.

Eigenlijk is kerkgaan een zeer verantwoordelijk werk, want wie de weg wel geweten en niet bewandeld zal hebben, zal met dubbele slagen gekastijd worden. Dat gevaar is niet denkbeeldig, want wij stellen ons gemakkelijker en vaker boven de prediking met onze critiek, dan dat wij ons waarlijk „neerzetten" onder de prediking van het Woord Gods.

Zou trouwens veel critiek niet een soort camouflage zijn, waarachter wij onze onwil om ons waarlijk te bekeren naar het Woord Gods trachten te verbergen!

Wanneer wij intussen zo de prediking leren zien als de verkondiging van Gods oordeel over ons en tevens als aankondiging van Zijn genade jegens ons, dan gaan wij wellicht voortaan ook anders naar de kerk.

Het gaat daar niet om een bepaalde dominee, ook niet om een „mooie" preek, maar het gaat daar om de ere Gods. Niet hoe wij de preek vinden is van belang, maar hoe de Heere óns vindt.

Nu gaan wij alles toch even anders zien.

Het begint met die oude woorden : „Onze hulp is in de Naam des Heeren". En hiermede belijden wij als gemeente onze diepe afhankelijkheid van God. Daarna laat de Heere ons als het ware groeten met die rijke woorden : „Genade zij u en vrede " Ja, God Zelf is hier aanwezig, want Hij is daar, waar twee of drie in Zijn Naam vergaderd zijn. Dat maakt de kerkdienst zó plechtig !

De prediker staat daar immers als heraut des Heeren en wij zitten daar als gemeente van geroepenen. Ja, ook de jongeren zijn immers geroepen om de Heere te dienen. Voorts zingen wij een lied ter ere Gods, een lofpsalm of een klaaglied, misschien ook wel een gebed. Laten wij het dan ook biddend zingen. Daarop volgt het lezen van de Wet des Heeren als uitdrukking van Gods wil, als spiegel van onze ongehoorzaamheid en als regel voor ons geloofsleven ter dankbaarheid. Het gebed, waarin wij tezamen de Heere danken voor Zijn zegeningen en tezamen Hem onze schuld belijden. Hem bidden om zegen voor zieken en andere kruisdragers. Hem bidden om de leiding van Zijn Geest in ons leven. En dan de preek, die voor ieder onzer persoonlijk bestemd is. Laten wij er dus maar nooit meer onze buurman op aanzien, alsof de dominee het hem toch maar eens zo goed gezegd had. Neen . . . .. de Heere wilde het juist u eens flink aanzeggen, maar ge hebt de andere kant uitgekeken!

Als wij zo luisteren, zullen we Natan nog eens horen, zijn wijsvinger op ons gericht en het zal zwaar in onze oren dreunen : „Gij zijt die man". . . . . , die priester, die aan de overkant voorbij ging? toen daar een mens jammerlijk aan deze weg lag in grote nood . . . .  , die farizeër, die veel te goede dunk van zichzelf had.... misschien wel: die Judas, die Jezus verraden heeft voor een handvol geld . . . . ., en zeker : die Petrus, die Jezus zo droevig verloochend heeft!

Maar zo worden wij klein onder de prediking. Zo leren wij de Heere te voet vallen met de tollenaarsbede in het hart: „O, God, wees mij zondaar genadig".

Deze prediking is de Joden een ergernis en de Grieken een dwaasheid, maar een kracht Gods voor ieder, die gelooft. 

Doch wie zo ootmoedig luistert en ook bidt om de Heilige Geest, diens hart zal geopend worden voor de rijkdom van het Evangelie van Gods genade in Christus en hij zal uit de prediking (hoe ongelukkig misschien deze ook zij) een zegen ontvangen. God kan ook met een kromme stok wel een rechte slag slaan !

In die prediking komt de Heere tot ons door Zijn Woord en aan de Kerk zijn de woorden Gods toebetrouwd als weleer aan Israël.

Nu zal het ons wel duidelijk geworden zijn, welk een schat van zegeningen de Heere ons geeft in de Kerk, waartoe wij mogen behoren, ondanks het feit, dat er zoveel dwalingen en zonden in gevonden worden.

Maar niemand zal kunnen zeggen, dat de Heere onze oude Kerk verlaten heeft, waar nog altijd het Woord Gods wordt gepredikt en de sacramenten worden bediend. En het blijkt altijd weer, dat de Heere genadiger is dan de mensen. Laten wij echter bidden voor de komst van Gods Koninkrijk, zoals Christus ons geleerd heeft. Maar laten wij dan ook bidden voor onze Kerk, vooral in deze benarde tijd, dat de Heere haar leiden wil door Zijn Heilige Geest. Want dat is de wil des Heeren, dat wij wèl zullen doen aan alle mensen, maar meest aan de huisgenoten des geloofs. Daarom ligt hier voor ons de heilige opdracht, de arbeid in onze gemeente en in heel onze Kerk altijd weer op te dragen in ons gebed voor de troon der genade. En ook zullen wij altijd moeten bedenken, dat wie over de Hervormde Kerk spreekt, over zichzelf spreekt, want ook gij zijt een deeltje van dat geheel, waaruit de Hervormde Kerk is samengesteld.

Daarom wil ik nu de titel boven al deze stukjes eens omdraaien, om nu nog te vragen, hoe wij staan tegenover de Kerk. De volgende keer zal het dus heten : „Wij en de Kerk".

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's

De Kerk en wij

Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1948

De Waarheidsvriend | 6 Pagina's