In Christus geheiligd
I.
In een P.S. onder mijn vorig artikel (in ,,De Waarheidsvriend" van 9 Dec. 1948) over het onderwerp „Doop geweigerd ? " — maakte de Redactie de opmerking, dat het aanbeveling zou verdienen om voor onze lezers de vraag onder de ogen te zien : Erkent ons Doopformulier verband tussen het geloof der ouders en het geheiligd zijn der kinderen ? En zo ja, welk verband ? De Redactie verwijst daarbij naar 1 Cor. 7 : 12 v.v., in het bijzonder vers 14, en vraagt, hoe wij dat hebben te verstaan.
Gaarne wil ik trachten, deze vragen te beantwoorden. Dit zou in enkele volzinnen kunnen. Dit lijkt mij echter onvruchtbaar. Want wie op bedoelde vragen antwoord geeft, kiest positie in velerlei kwesties, die op het ogenblik oorzaak zijn van veel verdeeldheid en strijd, zowel in als buiten de Herv. Kerk. En daar het gaat om vragen, die van levensbelang zijn voor de gemeente („existentiële" vragen, noemt men dat tegenwoordig graag !), is het niet te verwachten, dat eenvoudig op mijn gezag één antwoord als het enig-ware door allen wordt aangenomen.
Daarom willen wij het antwoord zoeken, als het ware, ,,aan de hand geleid" (zoals hij zelf graag zegt) door een autoriteit, wiens woord onder al de strijdende partijen toch altijd nog veel gezag heeft: door Calvijn.
Het recht tot deze aanpak geeft mij de Redactie zelve, door de wijze, waarop zij haar vraag geformuleerd heeft. De vraag is immers, niet : of ik verband erken tussen het geloof der ouders en het geheiligd zijn der kinderen — maar : of ons Doopformulier dit doet.
Wie echter, met genoemde vraag in gedachten, het Doopformulier doorleest, zal al spoedig tot de ontdekking komen, dat daarop niet zo gemakkelijk ,,ja" of „neen" is te antwoorden. Het Doopformulier schijnt zich hierover niet duidelijk uit te laten. Wel treffen ons echter enkele uitdrukkingen, waarvan wij voelen, dat zij verband houden met de gestelde vraag. Zo b.v. de passage, die begint met de woorden: ,,En hoewel onze kinderen deze dingen niet verstaan, zo mag men ze nochtans daarom van d de Doop niet uitsluiten, aangezien zij ook zonder hun weten der verdoemenis in Adam deelachtig zijn, en alzo ook weder in Christus tot genade aangenomen worden". Dit wordt gestaafd met een beroep op Gods belofte aan Abraham in Gen. 17 : 7, op Petrus' woorden, in Hand. 2 : 39, en op Gods bevel tot de besnijdenis als „een zegel des verbonds en der gerechtigheid des geloofs". En omdat de doop in de plaats der besnijdenis gekomen is, „zo zal men de kinderen, als erfgenamen van het Rijk Gods en van Zijn Verbond, dopen".
En al, wat hier gezegd en bedoeld wordt, is samengevat in de eerste vraag, die aan de ouders gesteld wordt: ,,Eerstelijk, hoewel onze kinderen in zonden ontvangen en geboren zijn, en daarom aan allerhande ellendigheid, ja, aan de verdoemenis zelve onderworpen, of gij niet bekent, dat zij in Christus geheiligd zijn, en daarom, als lidmaten van Zijn gemeente, behoren gedoopt te wezen ? "
Onze kinderen worden dus niet door de Doop lidmaten van Christus' gemeente, maar zij zijn het, als in Christus geheiligd, en daarom behoren zij gedoopt te wezen. Verzuimen de ouders deze plicht om hun kinderen te laten dopen, dan wil dit voor hun kinderen niet zeggen, dat zij er niet bij horen, dat zij géén lidmaten der gemeente zijn. Want zij zijn in Christus geheiligd, behoren daarom gedoopt te wezen, en worden dus zelve geroepen om, als zij tot hun jaren gekomen zijn, te vragen, dat ook hun de Doop worde toegediend.
Want zij zijn niet in hun ouders geheiligd, maar in Christus. Al laten hun ouders hen niet dopen, al tonen deze dus, althans op dit punt, géén geloof, dit neemt niet weg, dat zij geheiligd zijn, en dat God in Zijn genade hen rekent tot het volk des Verbonds en hen roept om zélf te vragen om de Doop als het zegel des Verbonds.
Maar is er dan helemaal geen verband tussen het geloof der ouders en het geheiligd zijn der kinderen ?
Om de bedoeling van het Doopformulier op dit punt recht te verstaan, willen wij teruggrijpen op de theologie van Calvijn. Want het is buiten alle tegenspraak, dat Calvijns theologie de achtergrond vormt van de theologie van al onze liturgische en symbolische formulieren, die in de tijd der Reformatie zijn ontstaan. Wie geregeld Calvijn bestudeert, komt telkens tot de verrassende ontdekking, dat heel wat uitdrukkingen van Calvijn vrijwel letterlijk terug te vinden zijn in onze belijdenisgeschriften, in onze Formulieren voor de H. Doop, voor het H. Avondmaal, enz., en ook in de Kanttekeningen op onze Staten-Vertaling. Dit kan geen toeval zijn. Hieruit blijkt, dat de geschriften van Calvijn onder al de bronnen, die de vaderen geraadpleegd hebben, een zeer voorname, zo niet de voornaamste plaats, hebben ingenomen.
Zo zullen wij ook de theologie, die aan het woord is in ons Doopformulier, alleen recht kunnen verstaan, wanneer wij nagaan, wat Calvijn heeft geleerd — ook met betrekking tot boven-gestelde vraag.
Wij raadplegen dus Calvijn, in de eerste plaats in zijn commentaar op 1 Cor. 7 : 14, dat door de Redactie in het bijzonder werd genoemd, Paulus spreekt in 1 Cor. 7 o.m. over de vraag, die hem gesteld is : Wanneer in een huwelijk de man of de vrouw de prediking van het Evangelie heeft gehoord en Jezus Christus in geloof heeft aangenomen als Heiland en Zaligmaker, maar de andere partij weigert Christus aan te nemen en blijft volharden in zijn heidendom, is het voor de Christen dan niet heilige plicht om de ongelovige wederhelft te verlaten en te scheiden ? De band aan Christus is toch sterker en heiliger dan de band aan man of vrouw ? En wanneer de andere partij welbewust elke band met Christus weigert, moet de huwelijksband dan voor de Christen niet een ondragelijk juk worden ? Paulus zelf schrijft in 2 Cor. 6 : 14 v.v.: „Trekt niet een ander juk aan met de ongelovigen. Want wat mededeel heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis ? En wat samenstemming heeft Christus met Belial, of wat deel heeft dé gelovige met de ongelovige ? Of wat samenvoeging heeft de Tempel Gods met de afgoden ? Want gij zijt de tempel des levenden Gods, gelijkerwijs God gezegd heeft: Ik zal in hen wonen en Ik zal onder hen wandelen, en Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn".
Op grond van deze belofte, welke geen andere is dan Gods Doopbelofte, worden de gelovigen dus opgeroepen om niet een ander juk aan te trekken met de ongelovigen, ja, zelfs om zich van hen af te scheiden. „Daarom gaat uit het midden van hén en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en Ik zal ulieden aannemen". Is het dus geen Christenplicht om tot echtscheiding over te gaan, als de andere partij ongelovig is ?
Neen ! antwoordt Paulus. Want hier is geen sprake van een ander juk aantrekken met de ongelovige : het juk is er al. De ongetrouwden moeten geen verbintenis aangaan met ongelovigen. Dit brengt wel grote moeilijkheden met zich mede in een omgeving als te Corinthe, die. nog overwegend heidens was : de gemeente vormde nog slechts een onbeduidende minderheid in die grote handelsstad. Dus kwamen ongehuwden voor de vraag te staan, of de weg tot het huwelijk niet voorgoed voor hen afgesloten was, als zij Christen werden. Maar „wat deel heeft de gelovige met de ongelovige ? "
,,Doch den getrouwden gebied niet ik, maar de Here (n.l. Christus in Matth. 5 : 32 en 19 : 3—9), dat de vrouw van de man niet scheide ; en indien zij ook scheidt, dat zij ongetrouwd blijve, of zich met de man verzoene ; en dat de man de vrouw niet verlate". Heeft enig broeder der gemeente een ongelovige vrouw, en zij is tevreden bij hem te wonen, dat hij ze niet verlate. En heeft een vrouw, zelf Christin, een ongelovige man, en hij is tevreden bij haar te wonen, dat zij hem niet verlate.
,,Want de ongelovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongelovige vrouw is geheiligd door de man. Want anders waren uw kinderen onrein, maar nu zijn zij heilig".
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 30 december 1948
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's