De Kerk en wij
GEMEENSCHAP
IX.
Nadat wij in korte trekken gezien hebben, hoe de Kerk op velerlei gebied zich met ons bezig houdt van de wieg tot het graf, ligt de vraag voor de hand, wat wij nu eigenlijk voor de Kerk betekenen.
In de apostolische geloofsbelijdenis of twaalf artikelen des geloofs belijden wij niet slechts te geloven één heilige algemene christelijke Kerk, maar ook direct daarop volgend „de gemeenschap der heiligen". Heiligen zijn hier geen ,,heilig verklaarden", zoals de Roomse Kerk die kent, maar christenen, die door de Doop kennelijk tot de gemeente behoren en als zodanig geroepenen zijn. Letterlijk betekent het oorspronkelijk woord ; "afgezonderd", n.l. van de heiden-wereld, om de Heere te dienen.
Paulus noemt de gelovigen in Corinthe ook heiligen, hoewel er op hun heiligheid veel was aan te merken volgens Paulus' brieven aan deze gemeente. Over deze gemeenschap der heiligen spreekt ook de Heid. Catechismus in vr. 55 : „Wat verstaat gij onder de gemeenschap der heiligen ? ", en het antwoord luidt :
„Eerstelijk, dat de gelovigen allen en een iegelijk als lidmaten, aan de Heere Christus en al Zijn schatten en gaven gemeenschap hebben.
Ten andere, dat elk zich moet schuldig weten zijn gaven ten nutte en ter zaligheid der andere lidmaten gewilliglijk en met vreugde aan te wenden".
Wij willen nu speciaal letten op dat tweede gedeelte in dit antwoord, waar de Catechismus weer zo heerlijk practisch is. Immers blijft de Catechismus nooit hangen in allerlei bespiegelingen, die misschien wel zeer interessant kunnen zijn, zoals wij op onze verenigingen ook zo warm kunnen debatteren over allerlei geestelijke onderwerpen, maar die uiteindelijk vaak buiten ons hart en dagelijks leven omgaan. Neen, de Catechismus is altijd practisch, echt ingesteld op het volle leven en de practijk daarvan. Wij worden hier herinnerd aan Gods rijke beloften, maar ook aan Gods eis over ons leven : „Gehoorzaamheid is beter dan offerande".
Intussen is deze gemeenschap een stuk van ons geloof en helaas blijft het daar ook nogal eens bij. Wij geloven het wel, maar dan in de zin van : het raakt ons niet.
Maar wij moeten dit toch anders leren zien. want Kerk en gemeenschap der gelovigen horen bij elkander. Waar geen gemeenschap der heiligen beoefend wordt, moet misschien wel een vraagteken gezet worden achter het woord Kerk. Want uiteindelijk openbaart de Kerk zich in het practische leven van de week juist in die gemeenschap. Zeker, wanneer wij des Zondags samenkomen in het Huis des Heeren, dan is daar heel bijzonder de gemeenschap van de geroepenen, die samenkomen om de Heere aan te roepen in de dienst des Woords en der gebeden. En nog veel intiemer wordt die gemeenschap aan de Tafel des Verbonds, waar wij immers gemeenschap oefenen met de Heere, maar ook als gelovigen onderling.
Doch als deze gemeenschap werkelijkheid is, dan moet dit ook blijken in het dagelijks leven van iedere dag.
Men zegt wel eens lachend : „geloven doe je in de Kerk". Met andere woorden, men wenst „zekerheid" in het dagelijks leven. Doch bij deze opvatting wordt het geloof losgemaakt van ons bestaan in de week.
Paulus leert dit anders : „hetzij dat gij eet of drinkt of iets anders doet, doet het alles ter ere Gods !" Dan alleen blijkt het Evangelie in ons leven een kracht Gods ter zaligheid te wezen.
Die gemeenschap moet er dus in werkelijkheid zijn, moet beoefend worden. En daar hebben wij ernst mee te maken. „Daaraan zal de wereld bekennen, dat gij uit God zijt, dat er éénheid is onder ulieden". Dat ligt in dezelfde lijn van dat andere woord van Jezus : ,,Indien gij de mensen hun zonden niet vergeeft, zo zal ook mijn hemelse Vader uw misdaden niet vergeven". Dit zijn hoogst ernstige woorden, die direct ingrijpen in het leven van iedere dag. Het geloof zonder de werken is dood, zegt Jacobus. Daarom vraagt hij : „Toon mij uw geloof uit uw werken".
Indien werkelijk deze gemeenschap onder de christenen meer en ernstiger beoefend was, zou het misschien in ons werelddeel niet zo ellendig zijn als het thans is.
Maar daarom zegt onze Catechismus ook terecht, dat er eerst gemeenschap met Christus moet zijn, voordat de gemeenschap der heiligen tot stand komt. Immers van nature zijn wij eerder geneigd tot haat dan tot liefde en gemeenschapszin.
Daarom spreekt Vraag 54 ook van een „Ievend lidmaat", omdat er maar al te vaak dode lidmaten blijken te zijn in wier leven het geloof slechts een zaak van fatsoen en niet van het hart is.
Als wij echter de Heere Jezus Christus hebben leren kennen als onze Heiland en Zaligmaker, dan kan het moeilijk anders of wij zullen op alle terreinen des levens leren vragen ; „Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal!"
Zulk een geloof zal een plaats vragen in ons persoonlijk leven, in ons gezin, op school, op de vereniging, op sociaal en maatschappelijk gebied, op politiek terrein en natuurlijk ook in heel ons kerkelijk leven, waar toch de bakermat ligt van ons geloof, omdat de Heere door de prediking des Woords, die in de Kerk plaats vindt, ons wil leiden tot dat geloof.
Lid zijn van de Kerk, betekent dus ook gemeenschap te oefenen met elkander. En daarom zullen wij de volgende keer vragen, hoe mijn verhouding is tot de Kerk, of met andere woorden : wat doe ik voor de Kerk.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van woensdag 5 januari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van woensdag 5 januari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's