De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samuël, een zoon der Wet

FEUiLLETON

5 minuten leestijd

EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA

135)

Toen de koopman zag, dat zijn uitvluchten hem ditmaal niets hielpen, brak hij uit in woede en in weeklagen. Hij vervloekte zijn besluit van vroeger, om met anderen heen te trekken naar dit woeste land ; hij beschuldigde Sinaï, dat deze hem had overgehaald, en zei, dat hij liever dood wilde gaan. ,,Wat heb ik ooit gehad ? En wat heb ik nu ? Ik heb mijn brood gegeten in Rusland, en toen heb ik er nog vlees bij gehad, — en zij hebben mij daar nooit kwaad gedaan, zoals jij altijd beweert!"

,,Je brood ? " viel Tulpenbloesem hem in de rede. Het was toch eigenlijk veel meer het brood van die boeren daar ! Maar nu zou jij juist je eigen brood kunnen eten.

,,Het Russenbrood smaakte beter, en ik verdiende het gemakkelijker. Ik ben voor boerenwerk niet in de wieg gelegd ; waarom heb ik mij toch laten bepraten om mee te gaan ? Een kaal en heet land is het hier, niks dan armoe en werken! Hier wordt niet gedronken en nooit eens gespeeld, en nooit eens geld geleend ! De mensen zijn er niet, van wie je je brood zou kunnen verdienen ? Er zijn geen rijke stommeriken en ook geen arme stommeriken. En wat heb je dan aan je verstand, als er geen stommeriken zijn ? Als ik mijn opgespaarde centen niet had opgemaakt met die reis, was ik nu misschien reeds een rijk man ! Mandel had voor mijn part in zijn eentje mee mogen gaan. Ieder naar zijn lust en gaven ! Ik kon daar overal wel wat verdienen. Maar wat kan ik hier ? O, Reb Sinaï, en dan werk jij mij ook nog in alles tegen !"

Hij was zó vol droefheid en zó vol verwijten, dat Tulpenbloesem  genoeg medelijden met hem had om hem nog één keer menselijk en vriendelijk toe te spreken. Hij herinnerde hem aan het grote volksbelang, dat wel enige jaren ontbering en wel wat besparing waard was, en aan de vreselijke smaad, die het vroegere leven hun had opgelegd. Maar al die dingen werden door Lemberger heel anders opgevat en aangeslagen. En toen kreeg hij weer zijn oude hartstocht en liefde voor zijn zaak terug.

,,0, Lemberger", toornde hij, ,,verlang je daar nu heus nog naar terug? Als je maar een roebel te zien kreeg, was je dan bereid om daarvoor al die smaad en al die spot op je te nemen, en dan de grote hanzen te vleien en je door hen te laten uitlachen ? Altijd de hoed voor hen af te nemen en hen dan aan jouw baard te laten trekken ? Als jij maar kroopt voor hen, namen zij jou alles af, en dan kon jij misschien een paar stuivers verdienen !

Jij mocht hen „welgeboren" noemen of nóg mooier, en jou scholden ze dan voor „vuile Jood". En dan was jij daar ook nog tevreden mee en dacht misschien bij jezelf : laten zij een plukje haar van me hebben, ik heb immers geld! Wat heeft het geld jou toch te pakken !

Natuurlijk, wie wil er niet verdienen ? Maar jou maakt de trek om te verdienen tot een deelgenoot aan alles wat verkeerd en zondig is ! O, Lemberger, jij dient nog altijd het gouden kalf !"

De aldus aangesprokene antwoordde niet, maar boog met op elkaar gebeten lippen zich voorover en begon ondertussen erwten uit te zoeken, die hij uit een zakje had geschud.

Eindelijk hief hij zijn hoofd op en zei boos;  „Wat sta je me daar nog altijd aan te kijken ? Is er nog iets hier voor je te zien ? Wil je soms nóg wat ? Ga nou maar naar anderen en scheld die ook eens de huid vol, en neem hun hun brood ook maar af voor die belasting".

,,Mijn plicht doe ik bij allen gelijk. Maar er is hier niet één, wie ik dit behoef te zeggen, behalve jou !" 

De Thoraschrijver ging bekommerd heen en bekeek onderweg de akker. Reeds uit de verte was het land van Lemberger kenbaar door de slechtere verzorging, vergeleken bij al de anderen. Hij hoopte niet eens meer, dat dit te verbeteren zou zijn, — hij wist er heus geen raad meer op. Al het land er om heen kwam voortdurend beter in cultuur en de derde oogst had reeds het dubbele opgeleverd van de eerste- De groentetuinen leverden ook al op, wat redelijkerwijze van ze kon worden verwacht. Sirocco en regenloze tijd hadden voor de kolonisten hun verschrikking verloren. Zij hadden geleerd het klimaat al zijn gunsten af te loeren. Nu wisten zij reeds met zekerheid, dat zij bij vlijtige inspanning en bij een spaarzaam leven hun onderhoud hier zouden kunnen vinden en langzamerhand ook hun schulden zouden kunnen afbetalen. Ook zou men wel allengs meer genoegen krijgen in dit bestaan, men zou gemakken krijgen, en zich wat behagelijker kunnen gaan inrichten, totdat men eindelijk een model dorp zou zijn. Reeds dachten enigen er aan. om het volgend jaar over te gaan tot de bouw van werkelijke woonhuizen. 

Van een punt van de weg van Haïfa nam Nazareth zag hij een rijzige vrouwelijke gestalte naderen. Hij verbaasde zich over deze gedaante, die in dit land opviel, waar een vrouw bijna nooit alleen over de weg ging, en lette toen niet verder meer op haar. Een half uur later trad diezelfde persoon zijn huis binnen.

(Wordt vervolgd.)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's