De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

MEDITATIE

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

MEDITATIE

EEN ONMISBARE BEDE

10 minuten leestijd

Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen. Psalm 90 : 12.

Welk mens wordt niet aangegrepen door de wisseling van de tijdperken in z'n leven ? Wie blijft er onbewogen, wanneer een oud jaar met al z'n wisselvalligheden wordt afgesloten en een nieuw jaar met z'n vele nog onbekende belevenissen inzet ? 

Zelfs de wereldling, die buiten Gods Woord opgroeit, gevoelt weemoed in het hart, wanneer op 31 December de klok van twaalf uur middernacht aankondigt, dat weer 'n tijdperk is weggestorven en een nieuw jaar begint. In hoeveel, totaal onkerkelijk geworden gezinnen, wordt dan nog niet door het zingen van een godsdienstig lied aan die wisseling der jaren een zekere wijding gegeven.

Echter, met een vroom gebaar zijn we van de diepe ernst der jaarwisseling niet af.

Weemoed is heel iets anders dan geloof en vrome wijding een gans andere zaak dan ware Godsvrucht.

Hebben wij, als kerkelijke mensen, onder 't geklank van Gods Woord opgegroeid, dat ook gevoeld ?

Zijn wij wel verder gekomen, dan wat vrome wijding, wat weemoed en wat lege wensen, als de gebruikelijke „Zalig uiteinde en een gelukkig nieuwjaar !"

Want dat is niet de weg, die Gods Woord ons wijst in deze dingen.

Psalm 90 spreekt gans andere taal. In deze waarschijnlijk oudste psalm van heel de bundel wordt ook gesproken van het voorbijsnellen van de tijd.

Maar de man Gods, Mozes, die deze psalm dicht, doet dat biddende.

Een gebed van Mozes, de man Gods — aldus het eerste vers.

Zie — dat is zulk een kostelijk feit in het leven van deze vrome leidsman van Israël! Hij komt met het geweldige vraagstuk van de voorbijvliegende jaren voor 't aangezicht van zijn God.

En dat doet hij niet alleen voor zichzelf, maar dat doet hij ook voor de mensen, die aan zijn zorgen zijn toevertrouwd, voor Israël, het volk, dat hij zo op 't hart droeg, dat hij eenmaal de Heere vroeg, terwille van dit volk desnoods zijn eigen naam uit Zijn boek uit te delgen.

Lezer, had de jaarwisseling ook bij u de wijding van het gebed, het gebed des harten voor u-zelf en voor allen die u lief zijn ? Zijt ge met dit aangrijpende gebeuren voor uw God gekomen ? 

Of heeft dat nu juist ontbroken bij 't afscheid van 't oude en de intrede van het nieuwe jaar ? Dat ge dan door genade verstaan moogt, dat niet de wisseling der tijden het meest ontroerende is, maar dat het meest ernstige is, dat gij deze dingen doorleeft alléén, zonder uw God, zonder met Hem te rekenen, zonder naar Hem te vragen.

Mozes stond in Psalm 90 niet voor een gemakkelijke taak.

De Heere had Israël na een zwerftocht van veertig jaren geleid tot aan de grenzen van het beloofde Kanaän, maar . . . . in die veertig jaren hadden meer dan zeshonderd duizend mannen van twintig jaar en daarboven in de woestijn het leven gelaten.

Wat was het een door zondeleed verscheurd tijdperk, dat Mozes heeft te gedenken.

Was er niet enkel reden tot klagen ?

Inderdaad — als niet deze Godsman met dat tijdperk voor Gods aangezicht was gekomen. Daardoor is het, dat deze „begrafenispsalm" begint met een lofzegging tot God en eindigt met woorden van innige verwachting.

Met het vergankelijke en het leed van de voorbijvliegende jaren voor Gods aangezicht komende, valt hem als eerste op de majesteit van de eeuwige God, Die recht is in al Zijn weg en werk en Wiens goedheid in gans 't heelal geen perk kent.

Alle rampen ten spijt kon van die God over al die jaren niet anders gezegd worden, dan dat Hij een Toevlucht voor Zijn volk was geweest.

Lezer, hebt ge dat ook door genade leren verstaan ? 

Misschien hebt ge ook een veelbewogen le­vensjaar achter de rug en heeft de sikkel van de dood ook in uw gezin een kostbaar leven weggemaaid.

Deed de Heere onrecht ?

En was het nog niet genade, dat Hij u door deze belevenissen tot een ander leven riep en u waarschuwde voor een onverzoend met God sterven ?

En staat er ook voor u niet geschreven: ,,Roep Mij aan in de dag der benauwdheid, en Ik zal u uithelpen en gij zult Mij eren? " Wat dat niet alles genade ?

Maar --  voor  het aangezicht Gods krijgt Mozes ook een klaar gezicht op de broosheid en vergankelijkheid van ons mensenleven, zoals zich deze in de loop der jaren doet zien. Juist in 't licht van die eeuwige God wordt de tijd pas waarlijk kort.

Wanneer oude mensen op hun afgelegde levensbaan terugzien, klagen ze, dat die baan toch zo gauw afgelegd was.

Naar mensen maatstaf gemeten in dan de levenstijd al kort.

Maar hoe kort eigenlijk ons bestaan is, zien we pas in het licht van de eeuwige God, bij Wie duizend jaren als een nachtwake zijn, d.i. als het derde gedeelte van een enkele nacht.

Dat doet de tijd van ons leven pas kennen in z'n ware kortheid.

Voor 't aangezicht Gods wordt een jaar, ja een heel mensenleven pas doorleefd in z'n ware kortheid, gelijk een in de slaap doorleefde tijd van de nacht, een tijd die nauwelijks tijd te noemen valt.

Een jaar, een heel leven vliegt voorbij, juist bij eeuwigheidslicht gezien.

En wat maakt nu voor een man Gods als Mozes de eigenlijke weedom uit van die voorbijvliegende levenstijd !

Wel, dat het een vergankelijkheid is om onzer zonden wil.

Wij vergaan door Uw toorn !

Het spreekt alles van onze moedwillige ongehoorzaamheid jegens de heilige en rechtvaardige God.

De jammer van dat stuk na stuk afbrokkelende leven is de jammer van de mens, die een vijand is geworden van zijn goeddoend God. Ieder jaar is een stap naar het graf en een stap naar het onontkoombaar oordeel Gods om eigen ongerechtigheden.

Wij hebben God op 't hoogst misdaan ! En daarmee hebben we die vergankelijkheid gezocht en .. . . zoeken we zij nog altijd, iedere dag, ieder uur !

We grijpen naar de dood.

En dat, met de verdwazing er bij, dat we menen naar het leven te grijpen.

Buiten God om willen we ons leven opbouwen tot een mooi en duurzaam bestaan ; we grijpen naar het leven, en.... omhelzen de dood. Zo moet Mozes ook nog vragen in onze psalm : Wie kent de sterkte Uws toorns en Uw verbolgenheid, naar dat Gij te vrezen zijt ? Wie ? Van nature niemand !

Zelfs de trouwste kerkmens niet ! Pas door genade, door Gods Woord en Geest zullen we met de vluchtigheid van ons bestaan eerlijk worden voor Gods aangezicht. Vandaar de bede, die we boven deze overdenking schreven : ,,Leer ons alzo onze dagen tellen, dat wij een wijs hart bekomen."

Hoe oprecht is dit gebed !

Ja, de Heere heeft een oprecht gemaakt volk. Zó oprecht, dat het voelt bij de wisseling der tijden niet bij eigen licht te kunnen zien en naar eigen maatstaf het kortstondige van het leven juist te kunnen beoordelen.

Daar heeft het Gods genade voor nodig. Mozes is niet een vrome, die alles wel afweet van het ijdele van z'n levensjaren. Integendeel !

Hij vraagt of de Heere Zelf hem en zijn volk beide dat leren wil.

En dan blijkt de voorbijsnellende levenstijd niet alleen zéér kort, maar ook uitermate kostbaar te wezen.

Sprak Mozes eerst van jaren, in vers 12 spreekt hij van dagen.

Worden jaren al doorgebracht  als een gedachte, wat zijn dan dagen. Nietiger dan nietig !

En toch van zo oneindige waarde. ledere dag is een dag van 't heden der genade.

Eén van die voorbijsnellende dagen moet de dag onzer bekering zijn.

En dan zal dat korte tijdperk beslissend worden voor de eeuwigheid.

Leer ons alzo onze dagen tellen, zó dat we weten hoe snel ze voorbijvliegen, en welk een ongerechtigheid zich daarin openbaart en welk een beginsel van Goddelijk oordeel zich daarin al doet gevoelen, en welk een noodzaak tot verzoening met God daaruit spreekt.

Leer ons de dagen van ons leven tellen, als wel weinige in getal en vol aanklacht tegen ons, maar óók als uitermate kostbaar, wijl daarin de beslissing valt over een eeuwig wel en wee. 

Moge die korte levenstijd ons een wijs hart doen bekomen, wijs tot zaligheid. Moge die korte levenstijd ons brengen tot Hem, die de opstanding en het leven is voor een in zichzelf verloren volk, Christus Jezus.

Als 't bezit, van die Borg en Zaligmaker maar mag overblijven als vrucht van de voorbijvliegende jaren dan zijn ze met een eeuwige zegen bekroond.

Lezer, is die bede nu de bede van uw hart ? U hebt voor 't nieuw gekomen jaar uw plannen gemaakt.

Hebt u dat gedaan voor Gods aangezicht ? Als u dit waarlijk deed, komt boven alle plannen één zaak uit, namelijk, dat wij vergaan door Gods toorn en het daarom zo dringend nodig is de straffen van Gods toorn te ontgaan en wederom tot genade te komen.

Maar dan zult ge tevens met smart ervaren, hoe uw hart van nature daar niet aan wil en het zelfs genade vijandig gezind is.

Dan zal in 1949 één nood boven alles uitgaan : Ik moet voor de Heere leven en ik kan het niet, ik moet in Christus met God verzoend worden en ik ben zo blind voor en afkerig van een leven uit genade.

Maar — dan is ook psalm 90 een troostrijke psalm.

Want daarin wordt een man Gods getekend, die als man Gods met die nood had leren worstelen, en na alles wat hij in de leerschool der genade geleerd had, nóg vragen moest om een wijs hart.

Eveneens tekent psalm 90 een levend christen, die in die nood hoopt op de goedertierenheid van zijn God.

En die hoop beschaamt niet! Want zij is ook Gods werk.

Wee ons, wanneer dat biddend leven ons ontbreekt en wij de diepe ernst van ons vergankelijk leven met al z'n schuld niet echt gevoelen en voor de troon van Gods genade brengen. Met hoogstens 'n schijn van godzaligheid zal ons eeuwig omkomen des te erger zijn.

Maar gelukkig de mens, wiens Toevlucht de Heere werd, om z'n vergankelijkheid, om z'n schuldige vergankelijkheid vooral.

Want de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid.

Zo onverbiddelijk als 's Heeren Woord die mens afwijst, die niet in waar berouw tot Hem; komt, zó beslist is diezelfde God in Zijn toezeggingen voor 'n volk, dat zich doemwaardig; voor Hem leerde kennen.

Juist zij krijgen voor zichzelf zo menigwerf te doen met een schuldigheid en vergankelijkheid en een oordeel, waaruit geen redding mogelijk lijkt.

Maar juist zij worden in Gods Woord aangeduid als degenen, in wier hart de Heere een krachtig werk begon. 

En juist zij zullen het ervaren, dat de Heere Zijn Woord waar maakt, dat Hij woont bij een arm en ellendig volk.

Hoe wèl meent Hij het met dat volk !

De Kerstdagen predikten het, hoe in die armoede de Christus in ingegaan om zulken rijk te maken.

Zij zullen ervaren op 's Heeren tijd dat die genade in Christus ook voor hen genoeg is.

Hij is nabij de ziel, die tot Hem zucht; Hij troost het hart, dat schreiend tot Hem vlucht, Dat ongeveinsd in 't midden der ellenden, Zich naar Gods troon met zijn gebeên blijft wenden. Hij geeft de wens van allen, die Hem vrezen, Hun bede heeft Hij nimmer afgewezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

MEDITATIE

Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's