In Christus geheiligd
III.
Ook, wanneer Paulus even later in Rom. 11 : 28—30 speciaal over de Joden spreekt, herhaalt Calvijn de opmerking : voor het heden zijn zij wel van God vervreemd om des Evangelies wil ; toch is God gedachtig aan het Verbond, dat Hij met de vaderen gesloten heeft, en waarbij Hij betuigd heeft, dat Hij in Zijn eeuwige raad dat volk in liefde omhelsd heeft. Maar „wij moeten vasthouden, dat hier nu niet gehandeld wordt of er de persoonlijke uitverkiezing van een ieder, maar over de gemeenschappelijke aanneming tot kinderen (adoptie) van heel het volk, dat voor de uiterlijke schijn voor een tijd kon schijnen gevallen te zijn, maar toch van de wortel niet was afgesneden . Het kan op generlei wijze geschieden, dat de Heere afwijkt van dat Verbond, dat Hij met Abraham gesloten heeft: Ik zal zijn de God van uw zaad" (Gen. 17 : 7) : Zijn goedertierenheid heeft Hij niet geheel en al van het Joodse volk afgewend. Zij zijn en zij blijven beminden om der vaderen wil.
Hij zegt : "om der vaderen wil", niet omdat zij Hem oorzaak tot liefde gegeven hadden, maar omdat de genade Gods van hen was voortgeplant op hun nakomelingen, volgens de formule van het Verbond : Ik zal uw God zijn èn van uw zaad.
Calvijn grijpt dus terug op Gods belofte in Gen. 17 : 7. In zijn verklaring daarvan zegt hij o.m. :
"Het is niet twijfelachtig, of de Heere onderscheidt het geslacht van Abraham van de overige wereld. Nu moeten wij zien, welk volk Hij aanduidt. Zij echter dwalen, die menen, dat hier alleen de uitverkorenen worden genoemd, en dat zonder onderscheid alle gelovigen begrepen worden, uit welk volk zij ook afstammen naar het vlees. Want de Schrift beweert daarentegen, dat in het bijzonder door God is aangenomen het geslacht van Abraham, uit hem voortgekomen. En duidelijk is de leer van Paulus (Rom. 11 : 16) aangaande de natuurlijke kinderen van Abraham, dat zij zijn de heilige takken, omdat zij uit de heilige wortel zijn voortgekomen. En opdat niemand dat zou beperken tot de schaduwen der Wet, of door een allegorie zou ontsnappen, zegt hij elders op welsprekende wijze, dat Christus gekomen is, opdat Hij zou zijn een dienaar der besnijdenis (Rom. 15 : 8). En daarom is niets zekerder dan dit, dat God Zijn verbond sluit met de kinderen van Abraham, die op natuurlijke wijze uit hem geboren moesten worden.
Als dus in Gen. 17 : 7 de Heere tot Abraham zegt : ,,Ik zal u tot een God zijn èn voor uw zaad na u'', dan verstaat Calvijn onder „Abrahams zaad" niet de uitverkorenen alleen, ook niet alle gelovigen uit alle volken der aarde, maar in eerste instantie zeer beslist het volk Israël. Doch Calvijn legt géén verband tussen het geloof der ouders en het geheiligd zijn der kinderen. Welk verband hij dan wèl legt, blijkt duidelijk, als hij zegt;
,,In den beginne, vóór dat Verbond (Gods met Abraham was de conditie van héél de wereld één en dezelfde. Zodra echter als gezegd was : „Ik zal uw God zijn èn van uw zaad na u, is de Kerk van de overige volken gescheiden, niet anders als in de schepping der wereld het licht uit de duisternis is opgegaan. Toen is het volk Israël als de kudde Gods in Zijn eigen schaapskooi opgenomen : de overige volken hebben als wilde dieren gedwaald door bergen en bossen of woestijnen. Daar deze waardigheid, waardoor de kinderen Abrahams uitblonken boven de heidenvolken, alléén van het Woord Gods afhankelijk was, heeft de genadige aanneming Gods tot Zijn kinderen op hen allen gemeenschappelijk betrekking gehad. Want indien Palus de heidenen berooft van God en het eeuwige leven, omdat zij vreemdelingen waren van het Verbond (Ef. 4 : 18) : dan volgt daaruit, dat alle Israëlieten huisgenoten zijn geweest van de Kerk en kinderen Gods, en erfgenamen van het eeuwige leven. Hoewel zij echter door Gods genade, niet van nature, uitblonken boven de heidenvolken, en de erfenis van het Koninkrijk Gods hun uit de belofte ten deel gevallen was, niet uit het vlees : toch wordt somtijds gezegd, dat zij van nature verschillen van de overige wereld. In Gal. 2 : 15 en elders noemt Paulus hen van nature heilig : omdat God in een ononderbroken reeks Zijn genade wilde voortzetten jegens heel hun zaad. In deze zin worden zij, die uit de Joden ongelovigen waren, tóch door Christus genoemd kinderen van het Koninkrijk der hemelen (Matth. 8 : 11). En dit strijdt niet met wat Paulus zegt (Rom. 9:8), dat niet allen, die uit Abraham zijn, voor wettige kinderen gerekend worden : omdat zij niet zijn kinderen der belofte, maar (kinderen) des vleses alleen. Want daar wordt de belofte niet in het algemeen opgevat als het uitwendige Woord, waardoor God Zijn genade zowel aan de verworpenen als aan de uitverkorenen aanbracht : maar moet zij beperkt worden tot de krachtdadige roeping, welke Hij inwendig bezegelt door Zijn Geest.
,,En dat de zaak zó staat, wordt zonder enige moeite aangetoond : want aan allen was gemeen de belofte, door welke de Heere hen allen tot kinderen had aangenomen : het kan niet ontkend worden, dat daarin aan allen de eeuwige zaligheid aangeboden is geweest. Wat wil het dan zeggen, dat Paulus zegt, dat sommigen niet terecht voor kinderen der belofte gerekend worden, dan dat hij niet meer spreekt van de uitwendig aangeboden genade, maar van die genade, welke alleen de uitverkorenen op krachtdadige wijze ontvangen ?
„Hier verrijst nu foor ons een dubbele orde van kinderen (Gods) in de Kerk : want omdat heel het lichaam des volks door één en hetzelfde woord in de schaapskooi Gods vergaderd wordt; worden allen zonder uitzondering in dit opzicht gehouden voor kinderen, aan allen gemeenschappelijk komt toe de naam van Kerk: maar in het verborgen heiligdom Gods woeden geen anderen gerekend voor kinderen Gods, dan zij, in wie de belofte rechtsgeldig is door het geloof. Hoewel echter dit onderscheid voortvloeit uit de bron der genadige uitverkiezing, waaraan ook het geloof zelf ontspringt : omdat evenwel de raad Gods op zichzelf voor ons verborgen is, daarom onderscheiden wij door het kenmerkt van geloof en ongeloof de ware kinderen van de bastaarden.
,,Deze inrichting en bedeling heeft geduurd tot aan de verbreiding van het Evangelie : toen echter is de scheidsmuur afgebroken en heeft God de heidenen gelijkgemaakt aan de natuurlijke kinderen Abrahams (Ef. 2 : 14). Dat was een vernieuwing der wereld, waardoor kinderen genoemd begonnen te worden, die tevoren vreemdelingen waren geweest. Zo dikwijls echter een vergelijking getrokken wordt tussen Joden en heidenen, wordt de erfenis des levens aan genen (de Joden) als wettige erfenis toegekend ; voor dezen (de heidenen) echter wordt zij gezegd tot een vreemde (d.i. een van buiten af hun toegekomen erfenis) te zijn.
„Intussen wordt die godsspraak vervuld, waardoor God heeft beloofd, dat Abraham de vader van vele volken zou zijn. Want hoewel tevoren in ononderbroken voortgang de natuurlijke kinderen Abrahams werden opgevolgd door hun nakomelingen, en de zegening, die bij hem zijn begin had, afvloeide op zijn nakomelingen : de komst van Christus heeft in achterwaartse volgorde in zijn familie ingeënt, die tevoren van zijn zaad gescheiden waren : tenslotte zijn de Joden uitgeworpen, behalve dat bij hen blijft een verborgen zaad der uitverkiezing, zodat de overblijfselen behouden worden. Dit moest éénmaal gezegd worden over het zaad van Abraham, opdat het ons een gemakkelijke toegang zou openen tot hetgeen, dat volgt.
Nadat Calvijn zo heeft betoogd, dat hetgeen eertijds alleen van Israël gold, sinds Christus' komst ook op óns van toepassing is, maakt hij nog een opmerking, die ook voor ons van belang is, n.l. bij de uitdrukking ,,in hun geslachten", in Gen. 17 : 7.
,,De opeenvolging der geslachten betuigt op klare wijze, dat de nakomelingen van Abraham zó zijn opgenomen in de Kerk, dat hun geboren zouden worden kinderen, die erfgenamen waren van dezelfde genade. Op deze wijze wordt het Verbond eeuwig genoemd tot aan de vernieuwing der wereld, die plaats gehad heeft door de komst van Christus. Ik erken weliswaar, dat het geen einde heeft, en in eigenlijke zin eeuwig genoemd kan worden, voorzover het op heel de Kerk betrekking heeft : maar dat moet altijd vast blijven staan, dat de reeks der geslachten door de komst van Christus ten dele is afgebroken, ten dele veranderd : omdat de scheidsmuur is afgebroken, tenslotte de natuurlijke kinderen zijn onterfd, en Abraham een aangenomen geslacht uit alle windstreken der wereld heeft begonnen te hebben".
Nergens heeft Calvijn verband gelegd tussen het geloof der ouders en het geheiligd zijn der kinderen. De grond voor het geheiligd zijn der kinderen is niet het geloof der ouders, maar de belofte Gods.
Maar wat betekent het dan, als de Heere in Gen. 17 : 14 nochtans het ongeloof der ouders schijnt te straffen van hun kinderen, als deze niet besneden worden ? ,,Die ziel zal uit haar volken uitgeroeid worden !"
Calvijn verklaart: ,,Deze aankondiging van straf beschuldigt derhalve de mensen van schandelijke ondankbaarheid, omdat zij de genade Gods óf uitspuwen, óf verachten. Maar deze plaats leert, dat zulk een verachting niet ongestraft zal blijven. Aangezien echter God alleen de verachters dreigt met straf, maken wij daaruit op, dat de kinderen hun voorhuid niets heeft geschaad, indien zij vóór de achtste dag gestorven waren. Want de blote belofte Gods was voldoende krachtdadig tot hun zaligheid. En Hij heeft deze (belofte) niet zó bezegeld met uitwendige zegelen, dat Hij Zijn kracht daaraan gebonden zou hebben. En Mozes neemt alle tegenstrijdigheid van deze zaak weg door de reden er aan toe te voegen : dat zij het Verbond Gods ijdel gemaakt hadden. Voorts weten wij, dat het Verbond niet verbroken is geweest, wanneer het vermogen afwezig was. Laten wij dus weten, dat de zaligheid van Abrahams geslacht besloten lag in dat woord: „Ik zal de God van uw zaad zijn".
,,Hoewel echter de besnijdenis bij wijze van bevestiging erbij gekomen is, toch heeft dit niet gemaakt, dat de kracht en uitwerking niet zou vaststaan voor dit woord. Maar omdat het niet in de willekeur des mensen ligt om uitéén te rukken, wat God verenigd heeft: daarom heeft niemand het teken kunnen verachten of veronachtzamen, zonder dat hij het Woord zelf verwierp, en zich beroofde van de daarin aangeboden zegening. Alleen de verwaarlozing heeft de Heere dus zo streng gewroken. Indien echter sommige kinderen van het onderpand der zaligheid door de dood beroofd waren, heeft Hij hen gespaard, omdat zij aan het Verbond Gods niets hadden afgedaan.
„Dezelfde redenering is heden in de Doop van kracht. Alwie met verwaarlozing van de Doop veinst, dat hij met de blote belofte tevreden is, vertrapt voorzover het aan hem ligt het bloed van Christus, of laat althans niet toe, dat het vloeit om zijn kinderen af te wassen. Zo volgt op de verachting van het teken als rechtvaardige straf de beroving van de genade, omdat door een goddeloos scheiden, of liever uitéénscheuren van teken en Woord, het Verbond Gods verbroken wordt."
(slot volgt)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's