GEEN KRACHT
Niet alleen onder Hervormden kan men klaagtonen vernemen over de geringe kracht, welke van het kerkelijk leven uitgaat. Ook bij anderen kan men die vernemen. Het spreekt van zelf, dat degenen, die zich daarover bezorgd maken, ook worden uitgedreven tot onderzoek. En terecht.
De hand des Heeren is niet verkort, maar wij lezen ook in het Evangelie, dat de Heere Jezus geen krachten deed vanwege hun ongeloof.
Als wij de dingen in dit licht stellen, zou de conclusie heel duidelijk zijn: vanwege hun ongeloof.
En wat dan van al die actie ? Denk om de bemoeienis van de Generale Synode, van alle raden en commissies, van zovele conferenties, van zovele nieuwigheden, waarvan wij horen, van zoveel kerkelijk geschrijf in nieuwe en oude organen.
Is dat alles dan geen uiting van geloof ? Een zwerm van arbeiders, predikanten in algemene dienst en tot bijzondere werkzaamheden, aangevuld met sociale werkers en nog zoveel meer!
De zaak is ernstig genoeg om ons tot bezinning te roepen.
Beginnen wij dan met op te merken, dat de oude schrijvers dikwijls op zulk een wijze spreken over de geestelijke dorheid en slapheid van hun tijd, dat men menige predikatie van hen ongewijzigd in onze dagen zou kunnen plaatsen.
Wij denken b.v. aan Voetius, hoe deze onvermoeid volhardde zijn tijdgenoten te vermanen tot zulk een levensernst als met de eis van Gods geboden overeenkomt. Wij denken aan de reactie van de Utrechtse kerkeraad in het ,,Project van reformatie der Leden" in het Stichtse consistorie voorgelezen en eenpariglijk gearresteerd, ter occasie van de sware Engelse oorlog en merkelijke nederlage van onze vloten". Daarin wordt o.a. op de bestraffing der zonden, het wederleggen der dwalingen, inzonderheid der Socinianen en Papisten, en op de handhaving der kerkelijke discipline nadrukkelijk gewezen. (Zie notulen Utr. kerkeraad, u aangehaald bij Duker III, blz. 139).
De beweging der ,,nadere reformatie" vond ten dele aanleiding in de algemene gesteldheid van het zedelijke en geestelijke leven, welke om verbetering vroeg. Van meet af heeft de kerk zich tegen de „Paapse stoutigheden" gericht en spoedig was er aanleiding om ook tegen de „humanistische stoutigheden" te velde te trekken.
Intussen is die strijd niet vruchteloos geweest, want de reformatie heeft een stempel op ons volksleven gedrukt, hetwelk nog lange tijd zijn karakter zou bepalen, ondanks de doorwerking der revolutie.
Helaas nemen de kenmerken van verregaande ontkerstening zo zeer de overhand, dat de kerk van heden van haar decadentie bewust geworden, haar program saamgevat wil zien in de leuze : de kerk moet weer kerk worden.
Feitelijk ligt daarin opgesloten, dat de kerk zelf van haar fundament is afgeschoven, althans van haar aard en wezen is vervreemd. De ontkerstening heeft het kerkelijk.leven zelf aangetast, zodat het in menig opzicht niet meer echt kerkelijk is. De wereldgelijkvormigheid, waarvoor een vroeger geslacht van getrouwe herders heeft gewaarschuwd, is geworden tot verwereldlijking. Dit ging soms zover, dat het Evangelie van de kansel was verdwenen om plaats te maken voor de een of andere philosophie.
Welke de invloed van zulk een verdoolde en dwalende kerk op het volksleven moest zijn, is wel duidelijk gebleken : zij gaf het volk over aan een modern heidendom, hetwelk zich aanvankelijk voordeed in de gestalte van een romantisch opgesierde wereld- en levensbeschouwing, waarin religieuse en schoonheidsgevoelens zich konden koesteren.
Het gebrek aan geestelijke en zedelijke tucht zou zich na enkele generaties reeds schrikbarend aftekenen in de voortgaande afval der massa van de kerkelijke leer en haar tot een gemakkelijke prooi maken van de demonische machten, die zich opmaken om de volken in de naam der vrijheid te doen zuchten onder haar afschuwelijke, tyrannie.
Wij hebben daarvan enige ervaring gekregen in de jaren der verdrukking en vergelijkenderwijs heeft de kerk zich dapper gedragen : d.w.z. zij heeft in het verborgen en in het openbaar nog bidders en strijders. gehad, die door Gods genade zijn staande gebleven en de anderen hebben gesterkt.
„De kerk herontdekt", zo heeft men in die dagen gezegd.
Was het zo ? Of was het eigenlijk alleen maar, dat men iets van de kracht der kerk had herontdekt ?
Was het zo, dat men daaruit een beeld van de kerk idealiseerde ?
Wij stellen de vraag slechts. En wij stellen die tegenover de klaagtoon, dat er geen kracht van de kerk uitgaat.
De z.g. nieuwe koers heeft om met de eigen woorden te spreken : haar kans gekregen — of eigenlijk gezegd : haar kans genomen.
De nieuwe koers heeft gewerkt aan de hand van een nieuwe theologie, van nieuwe organisatorische hulpmiddelen en in een nieuwe kerkelijke stijl.
Het was immers alles nieuw geworden.
De nieuwe koers heeft ook een nieuwe prediking gebracht en spreekt bij voorkeur van verkondiging. Daarbij wordt voor alles een gewenste instelling tot de wereld tot object gemaakt, welke schriftuurlijk beoordeeld zich nog al aan enige critiek zal hebben te onderwerpen. Het is met name de "nieuwe" prediking, welke weinig tot een krachtige openbaring van de kerk zal kunnen bijdragen, omdat zij aan het eigenlijk evangelie in hoofdzaken veelal te kort doet. Zij blijft zo ver verwijderd van het leven der kerk en van de werkelijkheid, zoals die verschijnt in het licht der Heilige Schrift.
Hoe weinig wordt er gehandeld over de zonde en het oordeel Gods over ons leven. Hoe wil men, dat het Evangelie wordt aangegrepen als een kracht Gods ter zaligheid, als men ook zonder het Evangelie de prikkel der zonde reeds heeft weggeredeneerd ?
Geen wonder, dat vooral de prediking van de nieuwe koers wordt getroffen door de klacht, welke in verschillende kringen gehoord wordt. Het is echter niet alleen de prediking, maar ook de opvattingen van kerkelijke "regering". De mannen van de nieuwe koers houden zich bij hun streven niet overmatig schuchter aan een presbyteriale orde, welke zij gehouden zijn voor te bereiden. Zij treden in voorname en gewichtige aangelegenheden nog wel eens episcopaals op, zó zelfs, dat het dictatoriaal aandoet, b.v. als het moderamen der Generale Synode in haar naam aan de regering schrijft over haar beleid in Indië en dat op een wijze, welke bezwaarlijk kan geacht worden de goedkeuring, om niet te zeggen instemming, der kerk te hebben.
Een nadere reformatie der kerk zou aanbeveling verdienen, indien zij ten doel had de oude leer naar Schrift en belijdenis te handhaven en geen nieuwigheden in te voeren, die met de grondslag der reformatorische belijdenis in strijd zijn.
Wij hopen op een en ander nader in te gaan.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 13 januari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's