In Christus geheiligd
IV (Slot).
Kennelijk doelende op de Roomse leer, dat de Doop onmisbaar is tot zaligheid, vervolgt Calvijn : „Kleine kinderen echter prijs te geven aan het verderf, welke een plotselinge dood niet toeliet ten Doop te worden gehouden, vóórdat enige verwaarlozing van de ouders tussenbeide kwam, is een wreedheid, uit bijgeloof geboren. Dat de belofte op hen betrekking heeft, lijdt geen twijfel. Wat is derhalve méér ongerijmd, dan dat het teken (de Doop) de belofte krachteloos maakt, terwijl het juist (aan de belofte) is toegevoegd om haar te bevestigen ? En daarom moet de gangbare uitspraak, waardoor gezegd wordt, dat de Doop noodzakelijk is tot zaligheid, zó gematigd worden, dat zij niet de genade Gods en de kracht des Geestes bindt aan uitwendige symbolen, en God van onwaarachtigheid beschuldigt".
Toch kan het ongeloof der ouders vreselijke, gevolgen hebben voor hun kinderen. Calvijn wijst daarop, als hij verklaart het woord Gods : „hij heeft Mijn Verbond gebroken". Calvijn ,,Want dan is Gods Verbond rechtsgeldig, wanneer wij door het geloof omhelzen, wat Hij belooft. Indien iemand tegenwerpt, dat de kleine kinderen hieraan onschuldig waren, omdat zij het besef nog misten : dan antwoord ik : dat dit woord niet al te zeer geprest moet worden, alsof God kleine kinderen schuldig verklaart voor eigen misdaad : maar de tegenstelling moet vastgehouden worden, dat, evenals God in de persoon van de vader zijn onmondig kind aanneemt: zo ook, wanneer de vader zulk een weldaad verwerpt, gezegd wordt, dat het kind afstand doet van de Kerk. Want dat betekent die spreekwijze : „Uitroeien uit het volk, dat God Zich had uitverkoren. Dat sommigen verklaren, dat zij geen Joden zouden zijn, en dat in de telling des volks geen plaats zouden hebben zij, aan wie de voorhuid was gelaten : dat is al te banaal. Men moet verder voortschrijden, namelijk dat God niet onder Zijn volk zal erkennen, wie het teken en zegel der aanneming niet zullen dragen".
Ten overvloede merkt Calvijn nogmaals op, als hij in Gen. 17 : 19 verklaart Gods belofte: „en Ik zal Mijn Verbond met hem (Israël) oprichten, tot een eeuwig verbond voor zijn zaad na hem" :
,,Hij noemt het Verbond eeuwig in de zin, waarin wij het boven besproken hebben. Vervolgens drukt hij uit, dat het niet gebonden is aan slechts één persoon, maar dat het gemeenschappelijk (bezit) was van heel het geslacht, wat in ononderbroken opeenvolging zou komen tot zijn nakomelingen".
„Kortom, de Heere geeft met deze woorden niets anders te kennen, dan dat zaak de wettige erfgenaam zou zijn van de beloofde zegening".
Tenslotte willen wij nog even nagaan, wat Calvijn zegt in zijn verklaring van het bekende woord van Petrus uit Handel. 2 : 39, dat ook in ons Doopsformulier wordt aangehaald : „Want u komt de belofte toe, en uw kinderen....".
Dit moest met name toegevoegd worden, opdat de Joden met zekerheid zouden vaststellen, dat hun met de Apostelen gemeen was de genade van Christus. Petrus bewijst dat echter daaruit, omdat voor hen bestemd is de belofte Gods. Want hierop moeten altijd de ogen gericht worden, omdat ons de wil Gods niet anders bekend kan zijn, dan door het Woord. Maar het is niet genoeg een algemeen Woord te hebben, indien wij niet weten, dat het foor ons bestemd is. Petrus zegt dus tot de Joden, dat de weldaden Gods, welke zij zien in hem en zijn collega's, oudtijds beloofd zijn, omdat dit tot de zekerheid des geloofs noodzakelijkerwijze vereist wordt, dat zij ieder voor zich in hun gemoed ingegrift hebben, dat zij begrepen worden in het getal van hen, die God toespreekt.
,,Tenslotte is dit de regel om in waarheid te geloven, wanneer ik zo overtuigd ben, dat mijne is de zaligheid, omdat de belofte op mij betrekking heeft — de belofte, die de zaligheid aanbiedt.
„Ook daaruit komt er een sterkere bevestiging bij : wanneer de belofte wordt uitgestrekt tot hen, die tevoren verre waren. Want God had Zijn Verbond met de Joden opgericht. Indien de kracht en de vrucht van dat (Verbond) is doorgedrongen tot de heidenvolken, is er geen reden, dat de Joden aangaande zichzelf zouden betwijfelen, of ook zij zullen gevoelen de sterke en onveranderlijke trouw Gods.
,,Opgemerkt moeten echter worden die drie trappen, dat de Belofte eerst aan de Joden, daarna aan hun kinderen gedaan is, ten laatste dat zij ook aan de heidenvolken medegedeeld moet worden.
,,Bekend is de reden, waarom de Joden boven de anderen worden gesteld. Want zij zijn als het ware de eerstgeborenen in het huisgezin Gods (Ex. 4 : 22), ja, door een bijzonder privilege waren zij toen afgezonderd van al de overigen. Derhalve houdt Petrus de wettige volgorde in het oog, wanneer hij aan de Joden de ereplaats toekent. Dat hij hun kinderen aan hen toevoegt, is afhankelijk van de woorden der belofte : ,,Ik zal uw God zijn en van uw zaad na u" (Gen. 17 : 7), waar God de kinderen aan de vaderen toevoegt in de genade der aanneming.
„Deze plaats (tekst) weerlegt dus overvloedig de Wederdopers, die kleine kinderen, geboren uit gelovigen, waren van de Doop, alsof zij geen leden der Kerk zijn. Zij zoeken een uitvlucht in een allegorische zin en leggen het zo uit, dat kinderen zijn, wie geestelijk geboren (wedergeboren) zijn. Maar zij vorderen niets met een zó krasse onbeschaamdheid. Het is openbaar, dat dit gezegd is door Petrus, omdat God één volk in het bijzonder had aangenomen. Dat echter het recht der aanneming ook de kleine kinderen gemeen is, daarvan was de besnijdenis getuige.
Zoals dus God met Isaak, toen hij nog niet geboren was. Zijn Verbond had gesloten, omdat hij het zaad van Abraham was, zo leert Petrus, dat alle kinderen der Joden in hetzelfde Verbond besloten worden, omdat altoos van kracht is dat woord: Ik zal de God van uw zaad zijn".
Tot zover Calvijn.
Wanneer wij nu al wat Calvijn ons gezegd heeft in zijn verklaring van 1 Cor. 7 :14 , Rom. 11 : 16 V.V., Gen. 17 : 14 v.v. en Hand. 2 : 39, vergelijken met ons Doopformuher, dan zal de opmerkzame lezer al spoedig ontdekken, dat de inhoud, van het Doop formulier voor een groot deel kan worden samengesteld uit hetgeen Calvijn ons hier geleerd heeft.
Het is nu wel volkomen duidelijk, dat ons Doopformulier tot achtergrond heeft.de theologie van Calvijn, en daaruit geput is.
Daaruit volgt echter onontkoombaar, dat wij het Doopformulier dan ook vanuit deze achtergrond hebben te verstaan en te verklaren. En in dat licht wordt ons duidelijk, wat het Doopformulier bedoelt, als het leert: „Want als wij gedoopt worden in de naam des Vaders, zo betuigt en verzegelt ons God de Vader, dat Hij met ons een eeuwig verbond der genade opricht, ons tot Zijn kinderen en erfgenamen aanneemt. " En wat het wil zeggen, als het leert, dat men onze kinderen, hoewel zij deze dingen niet verstaan, nochtans daarom van de Doop niet uitsluiten mag, ,,aangezien zij ook zonder hun weten der verdoemenis in Adam deelachtig zijn, en alzo ook weder in Christus tot genade aangenomen worden — gelijk God spreekt tot Abraham, de vader van alle gelovigen, en overzulks mede tot ons en onze kinderen", en als ten bewijze daarvan worden aangehaald Gen. 17 : 7 en Hand. 2 : 39.
Duidelijk is ook: ,,Dewijl dan nu de Doop in de plaats der Besnijdenis gekomen is, zo zal men de kinderen, als erfgenamen van het Rijk Gods en van Zijn Verbond, dopen "
Duidelijk is, dat de Doop der kinderen niet is het zegel op het geloof en de heiligheid der ouders, maar op Gods Verbond en belofte, aan de vaderen geschonken.
Inzonderheid is ons zo duidelijk geworden de eerste doopvraag, aan de ouders gesteld : ,,hoewel onze kinderen in zonden ontvangen en geboren zijn, en daarom aan allerhande ellendigheid, ja, aan de verdoemenis zelve onderworpen zijn, of gij niet bekent, dat zij in Christus geheiligd zijn, en daarom, als lidmaten van Zijn gemeente, behoren gedoopt te wezen ? "
De kinderen worden niet door de Doop erfgenamen van het Rijk Gods en van Zijn Verbond — maar zij zijn het, zij zijn lidmaten der gemeente, en daarom behoren zij gedoopt te wezen. Want God heeft Zijn Verbond opgericht met ons en ons zaad ; daarom komt de belofte ook aan onze kinderen toe niet krachtens het geloof der ouders, maar krachtens Gods belofte.
En als de ouders hun plicht veronachtzamen en de Doop van hun kinderen verwaarlozen, dan wil dat niet zeggen, dat die kinderen er niet meer bij horen, en géén lidmaten der gemeente en géén kinderen des Koninkrijks meer zijn. Wij kunnen en moeten hen aanspreken, niet op hun Doop, maar op Gods belofte, die ook op hen te wachten ligt, en waarop ook zij, als zij tot hun jaren gekomen zijn, het zegel hebben te vragen door zich te laten dopen. Eerst als zij welbewust de Doop verachten en de genade Gods uitspuwen, zegt God : ,,Gaat weg van Mij, Ik heb u nooit gekend !"
„In Christus geheiligd". Dat „geheiligd" wil niet zeggen : zondeloos. Ook niet: wederomgeboren. Maar : afgezonderd. Zoals Calvijn ons heeft gezegd : dat de kinderen der godvruchtigen door een zeker voorrecht worden afgezonderd van de anderen, zodat zij voor heiligen gerekend worden in de Kerk". Zij zijn mét hun ouders „erfgenamen van dezelfde genade".
Zij kunnen in ongeloof de erfenis verwerpen. Dan hebben zij geen deel aan Christus. „Want dan is Gods Verbond rechtsgeldig, wanneer zij door het geloof omhelzen, wat Hij belooft". „God zal als Zijn volk niet erkennen, wie het teken en zegel der aanneming niet dragen". Maar Hij zal ook als Zijn volk niet erkennen, wie het teken en zegel der aanneming wel dragen, en nochtans Zijn belofte niet aannemen. Daarom is hun Doop nog niet krachteloos en waardeloos geworden. Integendeel: het teken en zegel der belofte zal éénmaal tegen hen getuigen, dat God hen gezocht heeft, maar dat zij Hem, hebben willen ontlopen; dat God hen heeft geheiligd, afgezonderd van het overige der wereld door een bijzonder voorrecht: door de aanneming tot kinderen Gods om Christus' wil — maar dat zij de erfenis smadelijk hebben verworpen en uitgespuwd, en het bloed van Christus, dat voor hen vergoten was, vertrapt hebben en de Geest der genade smaadheid hebben aangedaan. Hun zal het vreselijk zijn te vallen in de handen van de levende God.
Doch hun ongeloof neemt „de weldaad van het Verbond" niet weg. Wij en onze kinderen zijn „in Christus geheiligd." „Door Gods genade, niet van nature." „Uit de belofte, niet uit het vlees". Ook niet uit het geloof der ouders, maar uit Christus. Zij zijn niet in hun ouders geheiligd, maar in Christus. En daarom zijn zij allen, wij en onze kinderen, huisgenoten der Kerk, kinderen Gods, en erfgenamen van het eeuwige leven.
En als Calvijn spreekt van ,,de kleine kinderen der gelovigen", dan moeten wij ook dat woord „gelovigen" niet al te zeer pressen, alsof dit zou betekenen ,,uitverkorenen". Met „gelovigen" bedoelt hij hen, die door Gods genade, naar Zijn belofte, worden gerekend als Zijn kinderen, als erfgenamen van het Koninkrijk Gods en van Zijn Verbond, als heiligen in Zijn Kerk, in Christus tot genade aangenomen.
En het is goddeloos, om de kracht van deze belofte te verzwakken om der wille van mensen, die wij deze belofte, ook aan hen betekend en bezegeld door de Doop, zien verwerpen in ongeloof.
Het is reeds ongeloof, als wij niet instemmen met de dankzegging na de Doop : ,,Almachtige, barmhartige God en Vader, wij danken en loven U, dat Gij ons en onze kinderen, door het bloed van Uw lieve Zoon Jezus Christus, al onze zonden vergeven, en ons door Uw Heilige Geest tot lidmaten van Uw eniggeboren Zoon, en alzo tot Uw kinderen aangenomen hebt, en ons dit met de Heilige Doop bezegelt en bekrachtigt".
Als het Doopformulier in onze tijd nog zou moeten worden opgesteld, dan zou stellig deze zinsnede uit de dankzegging geen genade kunnen vinden in de ogen van velen, die zich zeer beslist rekenen tot de Gereformeerde gezindheid ! Velen zouden dit verwerpen als een Remonstrantse dwaling, die een algemene verzoening leert Het beste bewijs, hoever wij zijn afgedwaald van de leer der Reformatie.
Wie met deze dankzegging niet instemt, berooft zichzelf van een heerlijke pleitgrond in zijn gebed.
Want dat is de rijkdom der belofte en der genade Gods : dat de Heere ons in ons bidden niet wil aanzien in onszelf, maar in Christus, en daarom, ondanks onze zonden, als Zijn kinderen en erfgenamen.
Daarom mogen wij „met vrijmoedigheid toegaan tot de troon der genade", en zeggen: ,,Almachtige, barmhartige God en Vader : ik kom U niets vragen als een recht op grond van enige verdienste mijnerzijds — ik kom U slechts vragen om hetgeen Gij mij Zélf beloofd hebt om der wille van Christus' verdienste. Heere, aanschouw het teken en zegel op mijn voorhoofd, gedenk Uw Verbond, gedenk Uw belofte, niet om mijnentwil, niet om mijner ouders wil, maar om Christus' wil — want Gij hebt mij door Uw belofte afgezonderd uit, alle volken, en mij, door een bijzonder voorrecht, in Christus geheiligd."
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's