MEDITATIE
Tot waakzaamheid geroepen
Lucas 12 : 35—37. Laat uw lenden omgord zijn, en de kaarsen brandende. En zijt gij de mensen gelijk, die op hun heer wachten, wanneer hij wederkomen zal van de bruiloft, opdat als hij komt en klopt, zij hem terstond mogen opendoen. Zalig zijn die dienstknechten, welke de heer, als hij komt, zal wakende vinden. Voorwaar, Ik zeg u, dat hij zich zal omgorden, en zal hen doen aanzitten, en bijkomende zal hij hen dienen.
De Heere Jezus Christus vermaant in deze gelijkenis Zijn discipelen tot biddend waken. Zonder gebed toch is waakzaamheid niet mogelijk. Waakzaamheid is voor ieder kind des Heeren in deze bedeling geboden. Het moet zich wachten voor zorgeloze rust. De rijke dwaas is een baken in zee. Zoekt eerst het Koninkrijk Gods. 's Heeren kinderen moeten de wakende wachters zijn, die de Heere verwachten.
De tekst van onze overdenking brengt ons in een aanzienlijke Oosterse woning. De heer des huizes houdt er vele slaven op na. Die slaven heeft hij gekocht. Zij moeten dag en nacht klaar staan, om hem te dienen. Op zekere dag echter gaat deze heer ter bruiloft. In de regel duurde een bruiloft in het Oosten vele dagen, Men wist nooit zo heel precies, wanneer het feest eindigde. De slaven zijn thuis achtergebleven, terwijl hun heer in de feestzaal is binnengegaan. Hij is in de vreugde, terwijl zijn knechten hun taak getrouw moeten vervullen, en straks bij dag en nacht gereed moeten zijn, hun meester met blijdschap te ontvangen. Wat een tegenstelling tussen deze heer en zijn knechten.
Maar die tegenstelling is er toch ook tussen de verhoogde Koning der Kerk, Jezus Christus, en Zijn in zich zelf ellendige volk hier op aarde. De Borg en Middelaar van Gods Kerk is, na volbrachte arbeid, in Zijn middelaarsrust en Middelaarsheerlijkheid ingegaan. Hij is met heerlijkheid en eer gekroond. Hij vertoeft in de bruiloftszaal.
Hoe is het evenwel met Gods kinderen hier op aarde ? De tijd van het volzalige, volheerlijke genieten is voor hen nog niet aangebroken. Zeker, de Heere laat 't Zijn zuchtend, klagend, strijdend volk hier niet aan de bewijzen van Zijn genade en goedertierenheid ontbreken. Er is hier in deze wereld een volk, dat 't door de Heilige Geest geleerd heeft, dat zijn Koning een goedertieren Koning is. Maar het zijn slechts momenten van zalige blijdschap, die hier worden genoten. Hier in de nacht moeten Gods kinderen biddende blijven waken, uitziende naar Hem, die eenmaal van de bruiloft wederkeert.
Laten wij nog eens even denken aan die slaven, die hun meester moeten verwachten. Het is al weer nacht geworden, en hij komt nog steeds niet. Zouden zij de gordel maar niet afdoen, het kleed laten hangen en de lampen doven ? Het wachten duurt zo lang. Laten zij toch een ogenblikje van de rust genieten. Maar als dan hun meester eens plotseling aan de deur klopte. Wat zou dat voor een indruk geven, als hij zijn eigen huis in het duister aantrof. Laat dan uw lenden omgord zijn en de kaarsen brandende, en zijt gij de mensen gelijk, die op hun heer wachten, wanneer hij wederkomen zal van de bruiloft, opdat als hij komt en klopt, zij hem terstond mogen opendoen. Met die woorden vermaant Jezus Zijn discipelen, ja al Zijn kinderen hier op de aarde. De kinderen Gods moeten Hem verwachten bij dag en nacht, ieder ogenblik bereid Hem te ontvangen met blijdschap.
Hoevelen zijn er helaas nief, die Hem nog nooit hebben leren kennen, en daarom Hem niet verwachten. Juist in deze tijd moet 't worden gehoord. Indien iemand de Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij een vervloeking. Maranatha, de Heere komt. Het getal dergenen, die dag en nacht klaar staan, om met ziel en lichaam de wereld en de vorst der duisternis te dienen, overtreft verre het getal van degenen, die Hem verwachten.
Er gaat van de wereld zo'n geweldige zuigkracht uit op de mens, die tot dé dienst des Heeren geroepen is. En dat geldt niet in het minst de jonge mensen. De ontkerstening gaat door. Trouwens, hoe staat 't met degenen, die de Heere vrezen. Is daar bij Gods kinderen een heilbegerig, verlangend uitzien naar de wederkomst des Heeren ? Waar het lief devuur in het hart bijna gedoofd is, daar is ook geen liefdesverlangen. Gelukkig, als wij 't kunnen zeggen.: Mijn ziel wacht op de Heere, meer dan de wachters op de morgen. Ziet, de Heere verwekt door Zijn Woord en Geest een volk ten leven. Ontwaakt gij die slaapt, en staat op uit de doden, en Christus zal over u lichten. De Heere schudt Zijn Kerk wakker uit de slaap des doods en slaap der zonde. In Christus verwekt de Heere een volk, dat leert uitzien naar de volkomen openbaring des heils. Hierin is de liefde van Christus de liefdeswetsteen. Wij hebben Hem lief, omdat Hij ons 't eerst heeft liefgehad. Waar 't hart Zijn liefde leert kennen, daar gaat 't naar Hem uit.
Maar hoe dikwijls krijgt bij Gods kind de macht der wereld en zonde niet zo'n invloed, dat het hart van de Heere en Zijn dienst wordt afgetrokken. Wij zijn uit de aarde aards. Hoe kleeft onze ziel niet aan het stof. Het verlangen naar de Bruidegom komt niet uit het hart van de Bruid zelf op. Hij moet altijd weer het verlangen in het hart zelf levendig houden. De Bruid in het Hooglied zegt : Mijn ziel ging uit vanwege Zijn spreken. Gelijk bij de knechten van die heer, zo is evenwel bij al Gods kinderen het gevaar van insluimeren groot. Wereld en satan willen de gelovigen de zwijmeldrank ingieten, opdat er geen onderscheid zal zijn tussen degenen, die God vrezen, en die Hem niet vrezen. De Heere Christus weet, wat een strijd en moeite de Zijnen te wachten staat, aan welk een grote verleiding zij zullen bloot staan. Hij weet, hoe moeilijk 't zal zijn te waken, totdat Hij wederkomt.
Daarom is de vermaning op z'n plaats : Waakt dan. Laat uw lenden omgord zijn, en de kaarsen brandende.
Is dat bij ons zo, lezer (es) ? Zijn wij wakende Christenen ? Er zijn er zo veel, die de naam hebben, dat zij leven, maar ze zijn dood. Waar levend geloof is, daar is geloofsverwachting. Zalig dat volk, dat tot dienst bereid is, dat bereid is bij dag en nacht de Koning te ontmoeten. Strijdt dan de goede strijd des geloofs.
Wat moet er niet aanhoudend gestreden worden tegen alles, dat het dienen des Heeren in de weg staat. Alle last en zonde, die lichtelijk omringt moet worden afgelegd. Er zijn veel gevaren, zowel van binnen als van buiten. Niets mag het volk des Heeren belemmeren, Hem die wederkeert uit de bruiloftszaal, met blijdschap tegemoet te treden. Het is voor degenen, die God vrezen hier maar al te dikwijls nacht. Duister van binnen en donker rondom. Zij hebben echter een lichtende fakkel, en dat is het Woord des Heeren. Is het dat Woord niet, (om hier met Calvijn te spreken) dat schijnt gelijk een lichtende ster, om in de duisternis de weg te wijzen. Uw Woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad. Door de fakkel van dat Woord maakt de Heere een afkerig, onwillig volk bekwaam, om het heil des Heeren te verwachten. Hier wordt er reeds een voorsmaak van genoten, maar de volkomen zaligheid is er, als de verhoogde Christus uit de heerlijkheid tot dat verwachtende volk komt, opdat ook zij allen zullen zijn daar, waar Hij is. En Hij komt tot hen allen, nu reeds, als zij de eeuwigheid binnengaan, maar straks in heerlijkheid in de voleinding der eeuwen.
Letten wij nog eens op, hoe de Heere handelt met Zijn dienstknechten, als Hij van de bruiloft wederkeert, en als daar harten zijn, die met blijdschap Hem verwachten. In de gelijkenis wordt ons van de heer der slaven gezegd, dat hij zich zal omgorden, en hen zal doen aanzitten, en hen zal dienen. Hoe liefdevol en welgemeend staat deze meester tegenover zijn getrouwe knechten. Als hij in de nacht tot hen komt, dan zijn zijn handen niet ledig. Het gebeurde wel, dat de bruiloftsgasten van de overvloed der spijzen en dranken mee naar huis kregen, om degenen, die achtergebleven waren, ook in de bruiloftsvreugde te doen delen. Zo klopt de meester der slaven, als hij van de bruiloft weerkeert, in de nacht aan de deur van zijn huis aan. Hij wordt verwacht. Het is licht in zijn huis. 't Is een bewijs van wederliefde en trouw. En nu worden de verhoudingen anders. De meester omgordt zich, en zijn arme, moede slaven mogen nu aanzitten aan de feestdis.
Dit alles zal Christus eenmaal aan Zijn ganse Kerk doen. Op dat volzalige heil mogen, ja moeten allen in de nacht der ellende wachten, die door Gods genade de liefde van Christus tot een verloren, doemschuldig volk leerden kennen. Waar Hij komt, daar wijkt het geklag. Des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich. Er komt een einde aan al dat klagen, waken en strijden. Eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen. Wat een genade, want het is enkel genade ! Bijkomende zal Hij hen dienen, eeuwig dienen. Maar wat zal 't oordeel vreselijk zijn voor allen, die Hij daar slapende in hun zonde en ongerechtigheid aantreft. Slaapt gij nog voort in uw zonde en ongerechtigheid ? Wat ontzettend, als onverwacht een haastig verderf over u komt. Droevig is 't als wij dan menen in te zullen gaan, in vreugde, en niet zullen kunnen, omdat wij van God schuldig bevonden worden, en de gerechtigheid van Christus nooit nodig gekregen hebben.
Gij dan, zijt ook gij bereid ; want in welke ure gij het niet meent, zal de Zoon des mensen komen.
('s-Grevelduin-Capelle.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's