Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA
136)
't Was een grote, krachtig gebouwde Joodse vrouw van midden in de twintig. Zij droeg kledingstukken als in Rusland de gewoonte was, sprak Jiddisch en was van Haïfa naar hier een eind meegereden met een toeristen-rijtuig. Zij had naar de persoon gevraagd, die aan het hoofd stond van dit dorp en vroeg nu verder naar Jacob Ruben, die hier moest wonen. Want zij was met hem verloofd, zei ze.
Haar vader had zij kortgeleden door de dood verloren. Na het ontvangen van de tijdingen, die Samuels brief haar in opdracht van Jossele had gebracht, had zij haar gehele hebben en houden verkocht en zich op weg begeven om haar aanstaande man op te zoeken.
Zij hoorde nu alles, en de vreugde, dat zij nu in zijn nabijheid was, won het nog van haar schrik over zijn inhechtenis-zijn. Zij geloofde geen ogenblik aan zijn schuld en twijfelde bij haar geringe kennis van de Turkse „rechtspleging" daarom ook niet aan zijn spoedige invrijheidstelling. Een kleine verkwikking door spijs en drank, nam zij dankbaar aan. Daarna liet zij zich door Samuel naar het huisje van Jossele brengen.
Toen zij het van binnen en van buiten bekeek, en dat armzalige huisraad zag, dat hem jarenlang hier had gediend, begon zij toch luid te schreien. Maar dat was alleen maar medelijden om wat hij geleden had. Spoedig kwam nog met meer kracht de vreugde bij haar boven, dat zij voortaan Jossele verzorging, behagelijkheid en vreugde zou kunnen schenken. De kleine som, die zij had meegebracht, was, bij zijn armoe vergeleken, altijd nog een rijkdom. En tot aan zijn invrijheidstelling wou zij dat bedrag nog vergroten door vlijtig in Haïfa te gaan werken. Toevallig had zij reeds iets gehoord over een betrekking daar in een hotel, waar zij dadelijk in dienst kon treden. Nog die zelfde middag keerde zij daarom naar de stad terug.
Samuel gebruikte de volgende tijd om nog meer zijn best te doen, meer van die Joden te Haïfa te weten te komen. Hij had zijn koker vol met pijlen: weloverwogen tegenkantingen en vragen, want hij was niet van plan zich zonder enige tegenstand gewonnen te geven. Maar eerst ging hij naar de gevangenis, om door bemiddeling van de oppasser Jossele mondeling op de hoogte te brengen van de aankomst zijner verloofde.
Doch zij was daar zelf reeds geweest en had bereikt, dat de goedaardige oude man haar groet had overgebracht. Echter alléén dat en meer niet! Toch lachte de beambte heel vriendelijk en vertelde hij, met zijn hoofd naar de celdeur wijzend : ,,Hij staat de hele dag met zijn gezicht naar de muur gekeerd en hij schreit tot God als een Chasid l"
Samuël bleef ditmaal en ook nog in het vervolg menig keer tot bij middernacht in het huis van de schoenmaker. Gewoonlijk kwamen er ook nog een paar andere Joden en Jodinnen met vriendelijke en vrolijke gezichten bij, en met gemeenschappelijk lezen van de profetische geschriften en van de Evangeliën — met vergelijken, zoeken en bespreken, vlogen die uren voorbij. Dan was hij bij het aanbreken van de dag weer thuis en ging hij stil aan zijn werk.
Tulpenbloesem sloot zijn angst in zichzelf op. De heilige dwang van zijn schrijfwerk was hem in deze dagen een weldaad. Tegelijk overtuigde hem dit werk dagelijks opnieuw van de heerlijkheid van de Thora, die Samuël toch zeker nooit zou kunnen loochenen.
Maar toen hoorde hij van Samuël, die overigens als hij thuis kwam, met zijn mededelingen heel zuinig was, dat die mensen daar in Haïfa de Thora ook al niet loslieten.
De oudjes zetten hem nergens toe aan, en Suze wist ook niet, wat zij eigenlijk wensen moest.
In het dorp bleef het niet onbekend, dat Samuël telkens naar Haïfa ging om zich van de christelijke leer op de hoogte te stellen. Zijn leerlingen hadden in hun huizen natuurlijk van het kindje uit Bethlehem verteld. Zijn eigen verzoek, om toch vooral hem behulpzaam te zijn bij het onderzoeken van het andere geloof, lag nog vers in de herinnering. De mensen geloofden, dat hij er al naar overhelde.
Zij verwonderden zich over hun oude dorpsrabbijn, dat hij aan die drijverij geen paal en perk stelde, en zagen met medelijden naar zijn witte hoofd, dat binnenkort getroffen zou worden door de bliksem van zo'n vreselijk lot.
Men zweeg er over, om hem te sparen, en ieder was al blij, dat zijn eigen huis niet in die kwade reuk stond. In het eind zou die oude heer zich ook wel beter dan onontwikkelde mensen over dat ongeluk kunnen troosten. De ouderen liepen de hele Tulpenbloesemse familie wat uit de weg, zonder dat weer te veel te laten merken, terwijl de kinderen en de jongelui zich juist tot Samuël nog meer voelden aangetrokken.
Bij het begin van een Sabbat slenterde hij nog laat en alleen naar de berg. Arabische mannen en vrouwen uit het oude dorp, wier vrije dag het nu was, ontmoetten hem juist, toen hij van de stenen helling terug keerde. Onder hen was ook Chadscha achter haar man, met haar hoofddoek om en een bloem in het haar. Het. kind van de overleden andere vrouw droeg zij in een doek om haar lenden. Hij wisselde de mooie Syrische vredegroet met hen en dacht even na over die jonge vrouw, die hij sedert zijn reis niet meer had gezien. Haar verlangen naar een menswaardig bestaan was nog altijd wakker, en haar leerlust en begaafdheid waren groot. Said Abbud had daar niets aan gedaan, dan dat hij haar één keer de Koran onder haar hoofdkussen had gelegd. Samuël dacht er over na, hoe de Messias bij zijn komst ook haar zou helpen, — heel anders nog dan de Thora dat kon doen, deze Jeschua, die het eerst op aarde na de Paradijstijd aan de vrouw gelijke rechten had gegeven. En hij dacht aan Mannia, die de Gekomene evengoed zou aannemen als hem. Hij had vroeger wel gedacht, dat hij een veel hogere plaats bij Jehovah zou innemen — alleen daarom, omdat zijn verstand meer ontwikkeld was en hij de Thora leerde. En dat deed hem dan leed, omdat hij zoveel van haar hield. Maar als dan haar gezang zijn hart met verrukking boordevol vulde en haar verstandige vragen, zo vol onschuld, en haar opmerkingen, zo vol zin, hem verbaasd deden staan, dan scheen het hem zelf onbillijk, dat er een verschil in rang tussen hen zou zijn,
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 januari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's