MEDITATIE
Een getuigenis en een vraag
Komt, ziet een mens, die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb; is Deze niet de Christus ? Johannes 4 : 29.
Wat willen wij onze wandaden tegenover onszelf en anderen goedpraten. We zeggen dan : „Het is immers zo erg niet. Zoveel kwaad steekt er niet in. Iedereen doet het immers. Mag een mens dan niets hebben ? "
Maar, wie zo redeneert vergeet, dat omgang inet de wereld nooit kan plaats vinden zonder dat ernstige schade geleden wordt aan het zedelijk en godsdienstig leven. De zonde woont in ons allen en wij zijn zo ontvankelijk voor al hetgeen van God afvoert.
De Samaritaanse vrouw had een levenspad vol zonde achter zich. Zij had willen meedoen pet de wereld. En de slechte gevolgen waren liiet uitgebleven. En haar ongerechtigheden waren vermenigvuldigd geworden.
En naar menselijk oordeel was er voor deze vrouw weinig verwachting. Zij was immers te diep gezonken, dan dat zij nog zalig zou kunnen worden. Maar wat een voorrecht voor haar dat God barmhartiger is dan de mensen zijn. Want Hij heeft ons laten zeggen, dat in het Koninkrijk der hemelen de hoeren en de tollenaars zullen voorgaan vóór degenen die bij zichzelven menen, dat zij de bekering niet van node hebben.
En laten wij nu maar niet zeggen, dat de zonden, zoals de Samaritaanse vrouw die bedreven heeft, door ons niet gedaan zijn. Want bij die vrouw kwam het tot openbaring, maar in ons hart schuilen dezelfde kiemen en zaden van boosheid en er is maar zo weinig toe nodig of ook wij komen tot uitbrekende zonden. En dan willen wij onze zonden wel verbergen, maar de Heere ziet onze heimelijkste zonden, in het licht van Zijn Aanschijn. Hij ziet het als wij hunkeren naar de begeerlijkheden des vleses. Hij ziet het als ons hart gericht is op de grootsheid des levens. Hij ziet het als wij liefhebbers zijn van onszelven en opgaan in de dingen van de tijd.
En nu kunnen wij in het leven doen alsof er geen God is, maar als wij gesteld worden voor Zijn Rechterstoel, dan hebben wij verantwoording te geven van ons ganse bestaan. Dan hebben wij rekenschap te geven van elk woord, dat wij gesproken hebben, en van elke daad, die wij bedreven hebben, en van elke gedachte, die in ons hoofd is opgeklommen. En als de Heere ons dan oordelen zal in Zijne Alwetendheid, hoe zullen wij bestaan ?
In het gesprek dat Jezus heeft met de Samaritaanse vrouw durft de vrouw Hem niet zeggen, welk zondig levenspad zij achter zich heeft.
Maar het blijkt, dat haar gehele leven voor de Heere open ligt. Haar zonde was niet onopgemerkt gebleven voor Zijn alziend en aldoorzoekend oog. En de Heere laat haar verstaan, dat al haar zonden naakt en geopend zijn voor de ogen van Hem, met Wien zij te doen heeft.
Maar ook gaat zij verstaan, dat Degene die tot haar spreekt geen gewoon mens is. Zij ziet een profeet in Hem. En als haar gedachten met eerbied en hoogachting vervuld worden voor de Messias, Die eens zou komen, dan openbaart Jezus Zich als zodanig en dan zegt Hij : ,,Ik ben het, Die met u spreekt."
En daarmede gaat het woord in vervulling dat God gesproken heeft door de Profeet Jesaja, als Hij zegt:
„Ik ben gevonden van hen, die naar Mij niet vraagden. Ik ben gevonden van degenen, die Mij niet zochten. Tot het volk dat naar Mijn naam niet genoemd was, heb Ik gezegd: Zie hier ben Ik, zie hier ben Ik.
En dan breekt het volle licht door, want dan vindt een arme zondaar een rijke Christus. En zoals die vrouw daar stond als een schuldige, zo moeten wij allen schuldig staan voor Gods aangezicht.
Ledig en uitgeschud moeten wij treden voor de Heere.
Zo wil God ons zien. Als smekehngen, die het alles alléén van Hem verwachten, opdat Hij Zich betone als een verrassend en beschamend God.
En als wij dan klein zijn voor de Heere en als ons oog geopend is voor onze zonde en schuld, dan leren wij het uitroepen : „Tegen U, tegen U alleen heb ik gezondigd en gedaan dat kwaad was in Uwe ogen".
Maar als wij zó schuldig en bedorven geworden zijn in ons eigen oog, dan mag er nog hoop en verwachting wezen. Want
's Heeren gunst, zal over die Hem vrezen, In eeuwigheid altoos dezelfde wezen.
De Heere ziet ons, als wij met belijdenis van schuld voor Hem nederbuigen en als.de traan van berouw in ons oog gevonden wordt.
Misschien moeten wij wel zeggen : „Mijne zonden zijn te groot, dan dat zij vergeven worden, maar laten wij niet wanhopen. De Heere bewijst genade aan degenen, die zich schuldig kennen. Het gekrookte riet zal Hij immers niet verbreken en de rokende vlaswiek zal Hij niet uitblussen.
Als de discipelen terug komen uit de stad met de spijzen, die zij gekocht hebben, dan gaat de vrouw weg. Het gesprek wordt afgebroken. En de vrouw gaat heen, slechts van één begeerte bezield.
Zij wilde getuigen van de Messias. Eerlijk spreekt zij uit wie zij geweest is. Zij dekt haar overtredingen niet langer toe. Met smart zegt zij dat haar gehele leven tegen haar getuigde.
Zij belijdt, dat zij een zondares is en dat al het gedichtsel van haar hart te allen dage alleenlijk boos is.
Zij belijdt, dat uit haar hart zijn voortgekomen boze bedenkingen, doodslagen, overspelen, hoererijen, dieverijen, valse getuigenissen, lasteringen en alle andere onreinheden.
En zij zegt tot de lieden van de stad: ,,Hij heeft mij gezegd, al wat ik gedaan heb". En als ook wij deze belijdenis in de weg van genadige ontdekking leren uitroepen, dan hebben wij onszelven leren kennen in onze walgelijkheid voor God. Dan weten wij, dat wij een zondaar zijn in Adam. Dan weten wij, dat wij een overtreder zijn van de baarmoeder af en dat al onze zonden eens gebracht zullen worden voor het licht van Gods aanschijn.
Maar dan weten wij ook, dat er één weg is ter ontkoming. Met onze zonden - moeten wij heenvluchten naar Jezus Christus. Zijn dierbaar bloed reinigt van alle zonden en Hij zegt : Ik, Ik delg uwe overtredingen uit als een nevel, en uwe zonden als een wolk.
,,Komt ziet een mens, die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb; is deze niet de Christus ? "
Dezelfde vrouw, die tevoren door haar ontuchtigheid een ergernis was voor haar stadgenoten, nodigt hen nu uit om te komen zien Hem, Die haar overtuigd heeft van haar zonde en ellende.
En zij stelt de vraag : ,,Is Hij niet de Christus ? " Voor haar zelve is het buiten twijfel. Zij had het toch ervaren, dat Hij een Ziener is en een Openbaarder van de verborgene dingen der mensen en Christus had haar gezegd, dat Hij is de Messias Die komen zou.
Maar als de vrouw vraagt : „Is deze niet de Christus ? " dan wil zij, dat ook anderen erkennen, dat Hij de Christus is, de Gezalfde Gods.
Zo geeft de vrouw de boodschap des heils, die zij zelf ontvangen heeft, weer door aan al degenen, die zij maar ontmoette.
Zij kan er niet van zwijgen. En wat een heerlijke gevolgen rnochten er gevonden worden op haar getuigenis. Want velen kwamen tot Christus om in Hem te vinden hun Zaligmaker en Behouder.
Komt, ziet een mens, die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb : is Deze niet de Christus ?
Hoe staan wij nu tegenover het getuigenis van de Samaritaanse vrouw ?
Is ook ons hart aangeraakt door de zaligmakende ontdekking van de genade van Christus ?
En mogen ook wij, belijden : ,,Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb ? "
We zijn zo menigmaal nog een vreemdeling van de kracht van Gods Woord.
Dan horen wij er wel van, maar met onze uitwendige godsdienst gaan wij toch verloren Het Woord van Christus moet voor ons persoonlijk worden. Dan is het ons een oordeler der gedachten en der overleggingen des harten. Dan wordt het : ,,Hij heeft mij gezegd, alles wat ik gedaan heb." En dan worden wij getrokken uit de duisternis tot het licht. En dan komt het tot een waarachtige levensvernieuwing. Dan worden wij vernederd in het stof, en dan zijn wij ontdekt aan eigen zondigheiden onwaardigheid. Eii dan volgt op de ontdekkende genade, de vertroostende genade. En dan getuigt Jezus in ons hart dat Hij is de Messias. Dan wordt het leven een prediking van Christus en dan is het onze begeerte en ons verlangen om Christus aan anderen aan te prijzen en van Hem te spreken.
Het werk Gods, dat geschied is, kan immers niet verborgen blijven !
Ziet een mens, die mij gezegd heeft, alles wat ik gedaan heb.
Ook na ontvangen genade is er geen reden tot zelfverheffing.
Wij houden immers ons trouweloos en afkerig hart, niettegenstaande de grote liefde Gods, die aan ons bewezen is. En nog zo menigmaal moeten wij uitroepen : ,,Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? "
De zuigkracht van de wereld, van de satan, van ons eigen vlees is zo groot.
Maar de Samaritaanse vrouw werd als eei brandhout uit het vuur gerukt en zij werd zelfs nog gebruikt als een middel in Gods hand om de ogen van anderen te openen.
Als wij nog vreemd zijn aan de ontdekkende genade van Christus dan zijn onze verborgen zonden onze lust. Dan steunen wij op onze eigen gerechtigheid.
Dan is onze lust en liefde aan de wereld, aai de satan en aan het goeddunken van ons eigen boze hart.
Maar in die afgoden, die wij ons zelf maken vinden wij geen troost.
Wij kunnen alleen bevrijd worden van de zonde en van de toorn Gods. door Hem die wast in Zijn bloed.
Hij is Christus, de Gezalfde, de Zaligmaker!
Komt dan, en ziet een mens, die mij gezegl heeft alles wat ik gedaan heb ; is Deze niet Christus ?
Laten wij dit woord voor ons nemen als we na ontvangen genade weer struikelen en vallen. Want Christus vergeeft al onze zonden Hij wast in Zijn bloed. Hij rechtvaardigt zondaren.
En in Hem mogen wij zingen :
Wij steken het hoofd omhoog, en zullen d' eerkroon dragen, Door U, door U alleen, om 't eeuwig welbehagen
(Tholen)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's