Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA,
137)
„O, gij, vrouwen en meisjes, gij allen", dacht hij dan, ,,als Hij het is, — en gij erkent Hem, hoe zal Hij u opheffen en alle vernedering van u afnemen !" Het morgengebed, waarin de Jood dankzegt, dat hij als man is geboren en niet als vrouw, had hij sedert zijn eerste ontmoeting met hen, die het Evangelie kenden, dan ook niet meer uitgesproken. Hoe zou Mannia met hem hebben gevreesd, gehoopt, getoornd en geleden, als hij haar apart eens alles over Jeruzalem en Hebron en tenslotte ook over Bethlehem vertelde !
Hij dacht aan de Heiland der blinden, aan de zonden-vergevende Heiland en ook aan Hem, zoals Hij alle trouw beloont.
In Mandel's huisje was het licht nog op. Hij ging nu voorbij de verlaten hut van Jossele, waar dat meisje zo had geschreid. Hij verbaasde er zich over, dat hij de deur half open vond, die hij toch tevoren had dicht gedaan. In de nabijheid lagen twee kruisgewijs verbonden stukken hout, die van de aanleg van het waterrad zeker waren overgeschoten. Hij zette die overeind en plaatste ze tegen de muur, om er voor te zorgen, dat zij niet onder het zand werden bedolven en om tegelijk te doen uitkomen, dat zij nog aan iemand toebehoorden.
Plotseling riep er een bekende stem achter hem : He, kijk me daar eens, daar heb je zowaar de Schabbes-Goje van Jossele ! De toekomstige Rabbijn doet nu het Sabbatswerk voor onze boertjes !" Samuel draaide zich om en merkte Fanuël op, in gezelschap van twee Arabische jonge mannen, die hij tevoren nog nooit had gezien. Zij traden nu van achter een boom te voorschijn, waarachter zij zich. gedurende die minuten, dat hij in deze buurt was, moesten hebben schuil gehouden.
Hij liep hun een paar passen tegemoet en greep onwillekeurig naar de deur, om die te sluiten, maar toen hoorde hij daarbinnen rumoer, en liet hij dat achterwege. ,,Ik kwam eens even naar Jossele's bezit kijken", zei hij vastberaden. ,,Gaan jullie in vrede, en laat mij met vree!" Hij wilde langzaam dorpwaarts gaan.
Maar nu trad Fanuël hem in de weg, en lachte. ,,Er wordt op Jossele's eigendom al gepast, jij komt te laat. Maar ik dacht ook zo, dat jij wel genoeg hadt, jij, de zoon van zo'n pleegvader, van zo'n oude vrek " De maan verlichtte zijn boosaardig gezicht.
Samuel werd op deze manier nog eens herinnerd aan zijn reisje naar de stad indertijd met de Lembergers.
Uit de lage ingang kwam in wat bukkende houding thans een derde Arabier, iets ouder dan de anderen en in een al heel weinig fraaie kleding, iemand, zoals Samuel op zijn reis wel meer had gezien, als hij roverbenden of bedelende rondtrekkers op zijn weg had zien opduiken. Deze hield triomfantelijk de achtergelaten houten kruik in zijn hand. De anderen namen hem die uit zijn handen, keken er in, lachten, en strooiden de inhoud, die op wit stof leek in het rond. Er was meel in, het laatste eigendom, dat enige waarde scheen te hebben.
,,Past er voor op, om niet iemand te beroven, die tóch al in het ongeluk zit", riep Samuel toornig uit. ,,Jacob Ruben zelf kan zijn huis niet verdedigen. Wat zal hij vinden, als hij terugkomt ? "
,,Wou jij soms blaffen, Goj, die je bent! Schaam je je niet ? " hoonde Fanuël. ,,En wat doe jij eigenlijk hier ? Je schijnt wel overal je neus in te willen steken, net als Zijne Majesteit Tulpenbloesem ! Kijk dat hout daar eens — wij moesten nou maar eens met jou doen, wat de mensen vroeger met jouw God hebben gedaan ! Geef eens op dat hout, kerel, dan zullen we hem daarop vastbinden. Dan kan jei de hele nacht tot hem roepen : joggie !" Fanuël pakte hem plotseling beet en probeerde hem tegen de grond te gooien.
Maar de hulp der anderen bleef uit. Zij hadden niet dadelijk begrepen wat hij bedoelde, of zagen er niet heel veel been in. Zij waren er mede tevreden om toe te kijken. Fanuël kermde van inspanning. Hij had niet gerekend met de tijd, die verlopen was sedert hun strijd om ezel, die de spieren en beenderen van de jongen sterk had gemaakt, terwijl zijn eigen kracht door het ongeregelde en slechte leven verzwakt was.
Samuel worstelde na elkaar beide zijn armen vrij en duwde toen de onverlaat met kracht van zich af. Toen nam hij, omdat hij zijn kracht inmiddels voelde verlammen, zijn toevlucht is 't middel, dat hij van Fanuël zelf had geleerd.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's