IN KORTE TREKKEN
Katl Barth en de verkiezing
Het Hervormd Weekblad ,,de Gereformeerde Kerk" heeft een rubriek „Kort Commentaar". Daarin werd enige tijd geleden de aandacht gevestigd op de viering van de z.g. Dodenzondag, die steeds meer ingang schijnt te vinden. In het stukje werd een kerkbode geciteerd, waarin het volgende was gezegd :
,,Binnen dat wijdere verband, waarin de glorie van God en van Zijn Christus alles overstraalt, gaan onze gedachten ook gedenkend en dankzeggend uit naar onze geliefden, die zijn voorgegaan. Denken wij aan hen en aan ons eigen leven, dan zeggen we : geen enkele van hen kan bij God zijn. Denken we echter aan Gods overstelpende barmhartigheid en aan de gekruisigde handen van onze Heer, die als Heiland onze Rechter is, dan zeggen we : er ontbreekt er van hen . geen een bij Hem."
De schrijver van het „Kort Commentaar" tekende daarbij zelf aan:
„Mogen we dit zeggen ? Mogen we al de doden, die ons zijn voorgegaan, onze „geliefden", zalig prijzen ? Mogen we zo vooruit grijpen op het oordeel Gods ? Zou het niet het meest schriftuurlijk zijn de doden op de laatste Zondag van het kerkelijk jaar maar te laten rusten en de levenden op te roepen tot de daad van geloof en bekering ?
Het wordt steeds meer gewoonte, bij een begrafenis een formule te spreken en zonder meer aan de dode toe te zeggen 't gelijkvormig-worden aan het verheerlijkt lichaam van Christus. Maar aldus wordt de schrik des doods weggenomen voor de levenden : ze kunnen zich nu bergen in de algemene toezegging van een algemene zaligheid. De Schrift weet echter niet van een genade, die tot ons komt gehuld in het automatisme van een formule, maar weet van een evangelie, dat voor de een is een reuke des doods ter dode, voor de ander een reuke des levens ten leven."
Dit artikeltje uit ,,de Gereformeerde Kerk" werd daarna met volledige instemming in de „Persschouw" van het „Gereformeerd Weekblad" vermeld en gedeeltelijk overgenomen. Daarbij werd echter door de „Persschouwer" de vraag gesteld, waar deze leringen vandaan komen. Zijn antwoord luidde :
„Wanneer de Persschouwer het boek van Prof. van Niftrik „Een beroerder Israëls" opslaat, over de theologie van Karl Barth en daarbij in dat boek speciaal let op de leer der praedestinatie, dan moet daar wel uit volgen, dat alle mensen volgens Barth uiteindelijk zalig worden. En hoe meer de leer van Karl Barth doorwerkt, hoe meer ook dergelijke leringen als hierboven genoemd, in de kerk zullen komen."
Bovendien voegde de „Persschouwer" er aan toe :
„Ook de meeste confessionele predikanten zijn sterk door Barth geïnfecteerd. Prof. van Niftrik, een Barthiaan in hart en nieren, is zelfs mede-redacteur van De Geref. Kerk."
Dat heeft de eindredacteur van „de Gereformeerde Kerk", ds. H. G. Groenewoud te Groningen, er , niet op laten zitten In het nummer van 13 Januari j.l. schrijft hij :
„Prof. v. Niftrik heeft het gedaan! . . . . in deze kringen. Maar ik meen, dat ds. Vroegindewey (ds. V. v. Veenendaal, die volgens ds. Groenewoud de „Persschouwer" van het Geref. Weekblad is. H.) er in dit geval toch naast is. Ik heb het boek van prof. van Niftrik over „Een beroerder Israels" gelezen. En in mijn uitgave staat op blz. 177: „Wij zullen dus niei zeggen, dat alle mensen zalig worden". Misschien heeft ds. Vroegindewey een volgende druk en is Barth intussen al weer verder de weg van het nieuw-modernisme opgegaan en heeft hij de consequentie die ds. Vroegindewey voorzag reeds getrokken. Maar feit is, dat wat ds. Vroegindewey hier als consequentie aankondigt, in mijn uitgave met zoveel woorden wordt weersproken."
Ds. Groenewoud berispt dan verder nog ds. Vroegindewey, omdat hij Barth wil bestrijden met wat een ander over Barth schrijft. Wil men Barth bestrijden, dan moet men Barth zelf lezen en wil men dat niet, dan zwijge men over Barth.
Bovendien acht ds. Groenewoud het te betreuren, dat ds. Vroegindewey meent juist deze gevolgtrekking uit de praedestinatieleer aan zijn (dus onze) kringen voor te moeten houden. Ds. Groenewoud heeft ook zijn bezwaren tegen de opvattingen van Barth over de praedestinatie, maar het lijkt hem toch, dat in wat Batth over de praedestinatie zegt, één en ander zit, dat nodig eens in onze kringen gehoord moet worden, omdat daar een praedestinatieleer heerst, tyranniek heerst, op een ergerniswekkende, wijze, die niets met de Evangelische ergernis te maken heeft".
Ds. Groenewoud besluit dan :
„De vraag rijst, of ds. Vroegindewey het hoofdstuk over de uitverkiezing wel zo goed heeft begrepen dat hij het recht heeft, 't met deze ene zin af te kraken. Het heeft immers een sterk pastorale strekking en loopt uit op de vraag naar geloof. Het zou wat waard zijn, als deze vraag ook eens in volle ernst en kracht kon worden gesteld in de kringen van ds. Vroegindewey, die door een verkeerde praedestinatieleer juist voor de vraag om geloof zo ontoegankelijk zijn geworden.
Het is niet m'n bedoeling om hier uitvoerig in te gaan op deze opmerkingen van ds. Groenewoud, al zou het zeker niet misplaatst zijn dat te doen, in het bijzonder niet ten aanzien van zijn tekening van „onze" kringen als overheerst door een harde verkiezingsleer, die het licht van het Evangelie gedoofd heeft. Maar ik mag dat wel aan de Persschouwer overlaten. Het is hem wel toevertrouwd.
Toch kan ik het niet nalaten nog een enkele opmerking te maken. Is de kwestie wel zo eenvoudig, dat het citeren van die éne zin uit een boek, dat een ander over Barth's theologie schreef, een bewijs kan zijn voor de stelling, dat men uit Barth's beschouwingen over de verkiezing ten onrechte de conclusie trekt, dat hij uiteindelijk leert, dat alle mensen zalig worden ? Immers dringt zich bij het lezen van de betreffende zin uit het boek van Prof. van Niftrik terstond de vraag op, welke betekenis deze zin dan wel mag hebben in verband met andere voorafgaande uitspraken. B.v. „De mens kan geen verworpene meer zijn" (blz. 173 van dezelfde uitgave als door ds. Groenewoud gebruikt werd).
Het is dan ook helemaal niet verwonderlijk, dat de Persschouwer van 't „Gereformeerd Weekblad" in déze mening niet alleen staat. Men kan deze opvatting over Barth's verkiezingsleer b.v. ook vinden in de dogmatiek van Brunner (Band I, S. 375-379) !
Het blijft daar niet bij de bewering, dat er volgens Barth geen mens meer verloren kan gaan, maar deze bewering wordt met vele bewijsplaatsen uit Barth's" Kirchliche Dogmatik gestaafd.
Nu zou ik niet graag willen beweren dat er het laatste woord over gezegd is, wanneer het ook door Brunner zo wordt uitgesproken. We hebben op vele punten niet minder ernstige bedenkingen tegen de theologische beschouwingen van Brunner dan tegen die van Barth.
Maar zoals er dan in wat Barth over de predestinatie zegt, volgens ds. Gróenewoud, één en ander zit, dat wij nodig moeten horen, zit er zeker in deze beschouwingen van Brunner wel iets waar niet minder nodig naar geluisterd moet worden, zou ik zo zeggen.
Dit is te meer noodzakelijk, omdat Brunner meent, dat deze leer, die niet alleen een consequentie van Barth's verkiezingsleer is, maar ook een uitvloeisel uit heel de structuur van diens theologise beschouwingen, tengevolge heeft, dat er geen ruimte overblijft voor de geloofsbeslissing van de mens. Of om het anders te zeggen, dat juist in de verkiezingsleer van Barth de vraag naar geloof en om geloof alle betekenis verliest!
Ik wil er maar mee zeggen, dat naar mijn gedachten die opmerking van de Persschouwer nog zo onnozel niet is en dat de eindredacteur van „de Gereformeerde Kerk" er misschien toch wel goed aan zou doen, wanneer hij in zijn kring er eens op wees, welke verderfelijke gevolgen de doorwerking van Barth's verkiezingsleer zou kunnen hebben. Er zit volgens ds. Groenewoud in die verkiezingsleer wel één en ander, dat we nodig moeten horen. Best, maar moeten we al het overige daarom vergeten ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 januari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's