De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Kerk en Koninkrijk Gods

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Kerk en Koninkrijk Gods

10 minuten leestijd

Wij geloven en belijden een enige katholieke of algemene Kerk, dewelke is een heilige vergadering der ware Christgelovigen, allen hun zaligheid verwachtende in Jezus Christus, gewassen zijnde door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest.

Deze kerk is geweest van de beginne der wereld af, en zal zijn tot het einde toe, gelijk daaruit blijkt, dat Christus een eeuwig Koning is, dewelke zonder onderdanen niet zijn kan. 

En deze heilige kerk wordt van God bewaard of staande gehouden tegen het woeden der gehele wereld ; hoewel zij somwijlen een tijdlang zeer klein en als tot niet schijnt gekomen te zijn in de ogen der mensen gelijk zich de Heere gedurende de gevaarlijke tijd onder Achab zevenduizend mensen behouden heeft, die hun knieën voor Baäl niet gebogen hadden.

Ook mede is deze heilige kerk niet gelegen, gebonden of bepaald in een zekere plaats, of aan zekere personen, maar zij is verspreid en verstrooid door de gehele wereld ; nochtans tezamen gevoegd en verenigd zijnde met hart en wil in één zelfde Geest, door de kracht dés geloofs.

Art. 27, Ned. Geloofsbelijdenis.

Het kan zijn nut hebben ons rekenschap te geven omtrent hetgeen onze Nederlandse geloofsbelijdenis belijdt omtrent de kerk. Dat is ook van belang met het oog op de kerkorde. Wij leven thans onder de ver korde. De Generale Synode (nog altijd interim Synode) vergadert regelmatig en houdt zich o.a. bezig met het ontwerp kerkorde. Binnen afzienbare tijd zal de kerk haar consideraties geven. Zullen deze een goede zin hebben, dan is het nodig, dat er klaarheid is aangaande verschillende principiële vragen, o.a. ook klaarheid aangaande de aard en het wezen der kerk. Denken wij alleen aan de leuze : de kerk moet weer kerk worden. Dat kan slechts betekenen : dat, wat wij kerk noemen, n.l. de Hervormde Kerk, het verworden overblijfsel van de kerk der reformatie hier te lande, moet wederom beantwoorden aan de aard en het wezen der kerk van Christus. Anders gezegd : het moet weder­om beantwoorden aan de autoriteit en het aanzien van de openbaring van het Lichaam van Christus.

Het is volstrekt niet zeker dat daaromtrent eenstemmigheid heerst onder de kerkelijke woordvoerders. Men denke aan het op de voorgrond drijven van het „apostolaat" en de weerstand van anderen niet slechts om het woord „apostolaat", dat verwarring kan geven, maar, omdat zij voorrang toeschrijven aan bet belijdend karakter der kerk.

Daarom grijpt dit verschil dieper. Het gaat niet in de eerste plaats om de voorrang in de volgorde der artikelen in de kerkorde. Daarover gaat het ook, doch dit is gevolg van verschillend inzicht in het wezen der kerk en haar belijdenis. Men wil het ,,apostolaat" als het wezen der kerk zien. (Vgl. Prof. van Ruler, Het apostolaat der kerk en het ontwerp-kerk  orde, blz. 70).

Hij merkt voorts op, dat de kerk niet is, wat zij is. Zij is ook niet, wat zij heeft. Zij is ook niet, wat zij doet. Maar zij is, waartoe zij door God wordt gebruikt. (Zie t.a.p. blz. 69.

Deze visie hangt weer samen met zijn blik op wat hij telkens noemt „het rijk". Door de overmacht van het rijk is de wereld in de greep Gods. (Zij komt daarin niet door de kerk) (blz. 74).

Wij noemen hier slechts iets uit het betoog van Prof. van Ruler, omdat het in ieder geval klare taal spreekt. Intussen mogen wij niet nalaten op te merken, dat Prof. van Ruler zich weinig moeite heeft gegeven de Schriftuurlijke juistheid van zijn bewering aan te tonen. Ook heeft hij de belijdenis der vaderen niet in liet geding gebracht, hoewel verschillende opmerkingen de indruk maken, dat hij het met haar niet in alle delen eens is, althans zijn reserves heeft.

Hij maakt o.a. onderscheid tussen de belijdende kerk en de kerk der belijdenis (blz. 73). Met dit laatste bedoelt hij de kerk gedacht van uit de gemeenschap der gelovigen, een saamvoeging van belijders op het accoord der belijdenis.

Wij hebben vroeger en later ook de uitdrukking ,,kerk der belijdenis" gebruikt, en gingen daarbij uit van wat de confessie omtrent de kerk belijdt. Wij bedoelen dus de kerk, zo­ als die door de confessie wordt voorgesteld, Vandaar, dat wij begonnen met art. 27.

Dit artikel noemt de kerk, evenals de apostolische geloofsbelijdenis als voorwerp des geloofs. Ik geloof een heilige, algemene, Christelijke kerk.

Dat is alzo niet in de eerste plaats de kerk, die gezien wordt, (hoewel die ook), maar de kerk als geestelijke werkelijkheid. (Calvijn sprak van de onzichtbare kerk). Deze geestelijke werkelijkheid wordt door de Heilige Schrift het Lichaam van Christus genoemd (1 Cor. 12). De leden Zijns Lichaams zijn de uitverkorenen Gods, gelijk Christus is opgestaan als een eersteling onder vele broederen.

Hier is dus nog geen sprake van een saamvoeging van belijders op het acoord der belijdenis. Want, hoewel hij, die over de onzienlijke kerk spreekt altijd ook enigermate over de zichtbare kerk handelt, wordt hieromtrent nader in artikel 28 van de Geloofsbelijdenis gehandeld.

Dit wordt wel heel duidelijk in de laatste alinea van art. 27 : deze heilige kerk is niet gelegen, gebonden of bepaald in een zekere plaats, of aan zekere personen. 

Er wordt dus niet in de eerste plaats aan een plaatselijke vergadering of aan personen gedacht, al is. het ook waar, dat wij over deze verborgen kerk niet zouden kunnen spreken, als zij niet openbaar werd in deze wereld. Doch ook zo wordt wederom op de gemeenschap des Geestes door het geloof gewezen. Dus weder om de kerk als voorwerp des geloofs en levende uit het geloof. 

In het licht van art. 27 der confessie wordt de uitdrukking : de kerk is niet wat zij is, bedenkelijk.

Heeft de Schrift het wezen der kerk niet bepaald, als zij spreekt van het Lichaam van Christus ?

Dat kan men toch niet van de wereld zeggen. Ook niet eschatoligisch. (Wij beweren intussen niet, dat Prof. v. R. zulks zou doen) Voorts wordt de kerk met verschillende ere titels versierd, welke op haar betekenis in d wereld een merkwaardig licht werpen ; een stad op een berg, het zout der aarde, de getuige des Heeren. (Matth. 5 : 13, 14, Hand 1 : 8).

Men kan zeggen, dat Christus haar stelt tot een stad op een berg, het zout der aarde. Zijn getuige door Zijn Woord en Geest en dat Hij haar daarom beveelt het Evangelie te prediken. Het lijdt ook geen twijfel, dat dit alles in Zijn dienst staat van Zijn Middelaarswerk in de vergadering Zijner gemeente uit alle volk en tong en natie en tot de vervulling van Zijn Koninkrijk. Is daarin reeds een betrekking tot de wereld gelegen, wijl Hij de Zijnen roept uit de duisternis tot Zijn licht, de wereld is daarin óok betrokken ten oordeel.

Het wezen van het apostolaat blijft altijd in Christus en bij Christus, Hij is de Apostel en de Hogepriester. (Hebr. 3:1). Zonder Hem kan de kerk niets doen. Hij regeert Zijn kerk door Zijn Woord en Geest. Hij vergadert haat. Hij maakt haar tot Zijn woning.

Doch de Heilige Schrift zegt nergens, dat Christus door Zijn kerk de wereld regeert, zoals sommigen schijnen te menen.

Dit wordt door Prof. v. Ruler niet weersproken. Hij zegt immers, dat „de wereld niet door de kerk in de greep Gods is, maar door de overmacht van het rijk en dat de kerk daarvan in al haar doen en laten een teken en zegel is. Deze laatste zinsnede laten wij nu maar rusten, hoewel die ook aanleiding geeft tot bedenkingen.

Maar nu het rijk. Wat stelt Prof. van R. zich daarbij eigenlijk voor ? Het speelt zo'n belangrijke rol in zijn visie.

Als Christus zegt: Het is Uws Vaders wel­behagen ulieden het Koninkrijk te geven. En als Hij tot Nicodemus zegt, tenzij een mens wedergeboren wordt, hij zal het Koninkrijk Gods niet zien (en niet ingaan!). Als Hij spreekt van buitengeworpenen  — en er ware nog veel meer te noemen, dan is het duidelijk, dat het Koninkrijk Gods of het Konink­rijk der hemelen, een bijzondere betekenis heeft en op het kindschap Gods betrokken wordt. Petrus spreekt van een koninklijk priesterdom. (1 Petr. 2 : 9). Zij zullen met Hem zitten in Zijn troon. (Openb. 3 : 21).

Het Koninkrijk Gods wordt ons dus rein geestelijk voorgesteld. Het komt niet met uiterlijk gelaat. Het is niet van deze wereld. Vgl. ook de gelijkenissen (Matth. 13).

Wij denken ook aan andere typeringen der Heilige Schrift : Huisgenoten Gods (Efeze 2 : 19), een levende tempel, een huis niet met handen gemaakt, waarin een zeer bijzondere betrekking wordt uitgedrukt, welke ons herinnert aan een woord, dat Calvijn nog al eens gebruikt in verband met die Godskennis, welke God aan Zijn kinderen schenkt, n.l. een familiare Godskennis.

Wijst dit laatste vooral op het kindschap Gods, als er van het Koninkrijk Gods wordt gesproken, schijnt dat te zien op het koninklijk erfdeel in Christus waardoor de kinderen Gods delen in Zijn heerlijkheid. In ieder geval heeft dit alles een geestelijke en veel intiemere zin dan wanneer daar sprake is van Gods Koninkrijk dat over alles gaat.

Het Koninkrijk Gods, waarvan de Heere Jezus Christus spreekt, is nauw aan de opstanding des levens verbonden en aan de heerlijkheid, welke Hij voor de Zijnen heeft geordineerd. Zo zegt Hij : „En gij zijt degenen, die met Mij steeds gebleven zijt in Mijn verzoekingen. En Ik verordineer u het Koninkrijk, gelijkerwijs Mijn Vader dat Mij verordineerd heeft, opdat gij eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn Koninkrijk en zit op tronen, oordelende de twaalf geslachten Israëls. (Luk. 22 : 28). Zo is er dus aanleiding om de ene heilige, algemene Christelijke kerk, zijnde het Lichaarn Van Christus met dat geestelijke Koninkrijk, hetgeen Christus bijzonderlijk Zijn Koninkrijk noemt, te vereenzelvigen. Dit Koninkrijk ziet dan op de koninklijke heerlijkheid, welke de Vader in Christus voor Zijn uitverkorenen heeft bereid. Zij zullen delen in de koninklijke macht en heerlijkheid van Christus, zo waarlijk het „zitten op de tronen" en „oordelen" daarvan getuigt, aangezien dit koninklijke waardigheden zijn.

In deze zin mogen wij het Koninkrijk Gods wel onderscheiden van de Godsregering, die over het gans heelal gaat. Als de Christus betuigt : Mij is gegeven alle macht in de hemel en op de aarde, geeft Hij daarin te kennen, dat Hem het regiment over de ganse schepping Gods is gegeven. Hij regeert de wereld. In de dag Zijner toekomst, zal dat blijken en door een iegelijk worden erkend. Hij zal Zijn recht afdwingen van allen, die Hem wederstaan en in die dag zal ook de heerlijkheid van Zijn volk openbaar worden. Alle knie zal zich voor Hem buigen en zij zullen Hem allen zien, ook degenen, die Hem doorstoken hebben.

Om al deze redenen is de instelling der kerk op de wereld toch nog wet een andere dan die, welke van zekere zijde wordt voorgesteld in haar prediking. Zij schijnt daarbij niet in verlegenheid te komen met woorden des Heeren, die zo geheel anders klinken : „Zij zijn niet van de wereld, gelijk Ik van de wereld niet ben." (Joh. 17 : 16). „Ik bid voor hen. Ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt, want zij zijn Uwe". (Joh. 17:9). Dat de kerk als een getuige in de wereld staat en het bevel der prediking ontving, moet de Christus dienen in de vervulling van de Raad Gods. En het zal Hem dienen in de toevergadering van de Zijnen uit alle geslachten der aarde en tot een getuigenis in de dag Zijner toekomst allen, die gehoord en nochtans niet geloofd hebben.

Als wij deze dingen in aanmerking nemen, komt het ons voor, dat men al te zeer van uit de huidige situatie en de door de ontkerstening gewekte reacties oordeelt, als men het „apostolaat" der kerk zelfs tot het wezen der kerk wil maken.

Daarin steekt niet alleen het gevaar van aan het ware wezen der kerk voorbij te gaan, maar ook de kerk als openbaring van het Lichaam van Christus uit het oog te verliezen bij al de arbeid, die men onderneemt, zodat deze met mislukking wordt bedreigd en geenszins zal beantwoorden aan de verwachtingen, die men daarvan koestert.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Kerk en Koninkrijk Gods

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's