Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA
138)
Hij greep naar Fanuël's keel, en drukte zo sterk dat deze dadelijk losliet en zich uit die klem bevrijdde. Het begon er op te lijken, dat de Arabieren toch nog voor Fanuël partij zouden kiezen, want hij hoorde éen van hen zachtjes roepen : „Hij mag ons die kans niet ontnemen, hoor ! Laten we daarvoor oppassen !"
Met enige sprongen kwam Samuel nu op het huis van zijn zwager toelopen, en Fanuël zette hem na en pakte hem nog één keer beet. Maar thans verscheen ook Mandel voor zijn deur, die het lawaai zeker gehoord had. De maan verlichtte hem zelf en de strijd van die twee. Fanuël wou hem niet graag ontmoeten. Hij liet Samuel dus los en verdween onder dreigementen met zijn begeleiders naar de bergen. De kruik hadden zij meegenomen ; de man, die haar naar buiten had gehaald, liep er mee in zijn hand te zwaaien.
Ook Samuel vermeed zijn zwager, want anders zou hij hem het hele voorval hebben moeten vertellen. Hij wou diens beschaamdheid over zijn broer niet nog erger maken en vond er geen bevrediging in om Fanuël nog weer in wat donkerder licht te plaatsen. In de andere richting ging hij dus naar het dorp terug.
Het witachtige licht over de wijde vlakte liet duidelijk ieder bosje of boom onderscheiden, ieder huisje ook, en het wiste tegelijk ook de omtrekken uit tot iets haast onwezenlijks. Wondere gedaanten breidden zich uit, geheel in schemering gehuld, en rekten zich uit tot reuzengestalten. De eenzame eik daar in 't woeste land, de enkele hier en daar verspreide terebinthen, de stenen muren, die de grenzen aangaven, en de jonge cactusheiningen, en dan het bosje daar aan de Kison, aan de rechterhand, met links de grote lijnen van het bos op de berg, dat alles zou hem een droombeeld hebben geleken, indien niet zijn handen dag-in-dag-uit zo grondig kennis hadden gemaakt met de bodem.
Baitjisrael lag daar zo rustig en zeker als een goedgebouwd Europees dorp, en het sliep. Slechts twee honden — ieder aan een andere kant — konden zich met dat witte licht niet verenigen en huilden met langgerekte tonen een duo.
Ook op de Karmel was leven. Samuel meende de stemmen van het bergwoud te kennen, maar deze avond hoorde hij toch geluiden, die hem onbekend en vreemd waren. Altijd bood de dierenwereld toch nog weer nieuwe verrassingen ! Een afschuwelijke kreet klonk daar, en nóg een ! Haast als stemmen van mensen ! Maar het moest toch een opgejaagde roofvogel zijn, een gier of zo — als het niet die ellendige jakhals weer was, wie verschillende aanleidingen als honger of woede of nog weer iets anders ook zo sterk verschillende geluiden afpersen. Deze bijzondere gelegenheid veranderde zeker alle dierengeluiden een klein beetje ! Ze konden zo vreselijk begerig klinken en zo menselijk, dat men heus het schreeuwen van spelende kinderen meende te horen.
Hij luisterde goed toe. Het geschreeuw herhaalde zich, zwakker, en nu ook verder. Als men zich verbeeldde, dat het 't hulpgeroep was van een mens, ging het door merg en been. In het begin had hij eens op een late avond met de bergstok van zijn pleegvader een stormloop ondernomen naar de bos-hoogten, om een man, die daar bedreigd werd, hulp te bieden — en toen had hij zich moeten laten uitlachen, omdat hij niet had begrepen, dat het een hyena was !
In de donkere kronen der Aleppo-dennen waren raven opgeschrikt, die deden fladderend een afschuwelijk „graf-graf" horen, en waren toen ook weer stil.
Hier en daar was nog een licht aan, maar bij Mandel en Rea was het licht nu toch uit. Samuel moest heus gauw naar huis om zijn pleegouders niet onnodig op te laten, maar hij kon zich maar moeilijk van deze mooie maannacht losmaken. Een ogenblik nog leunde hij tegen de Johannesbroodboom bij het jonge aardappelveld, en droomde wat. Daar binnen scheen Tulpenbloesem juist zijn werk op te ruimen. Zij praatten daar nog met elkaar, en hij kon horen, wat zij zeiden, zonder dat hij dat wilde horen. „Als hij het niet is — en als hij de gemeente dus alleen maar tot hinder is, dan ware het beter, dat wij hem nooit als een kind hadden opgevoed".
Maar de bevende stem van zijn pleegmoeder antwoordde toen : ,,Och, toen ik hem vond. halfdood tussen die lijken, verhongerd en bebloed, en toen ik hem goed gevoed heb en hij zijn beide armen om mijn hals heeft gelegd in zijn angst ; — zou ik hem toen toch weer op straat hebben kunnen neerleggen ? Vergeet toch niet, wat hij verder voor ons was, — en dat ook zelfs nog zonder die grote verwachting. Was dat alles dan niets, en zouden wij dat helemaal niet meer laten gelden ? " Sinaï's stem klonk dof. „Het zal wel alles zo moeten zijn. Maar als Mozes, toen hij kind was, bij die grote moord werd gespaard zou de Heere God hem ons dan hebben gegeven, als Hij niet iets bijzonders met hem voorhad. Bij Samuel kwamen de tranen te voorschijn. Hij ging naar binnen, wenste ootmoedig goede nacht en wikkelde zich in zijn deken. Zijn tochten naar Haifa herhaalden zich, Tulpenbloesem trachtte scherp na te gaan, wat zij uitwerkten en probeerde 's avonds hem weer wat meer belangstelling te doen krijgen voor de Rabbijnse orthodoxie. Het was echter opmerkelijk, dat de smaak in het disputeren meer en meer bij Samuel verloren scheen te gaan. Het nieuwe, dat hem bezighield, moest meer zijn dan een geestelijk genot.
Hij werd stiller, maar nog vriendelijker, ootmoediger en meer tot hulp bereid. Sinaï zag deze eigenschappen thans zonder dat ze hem genoegen deden. Hoe graag zou hij hem nu trots, wat bandeloos en zelfs aanmatigend hebben gezien ! Ook, al zou hij daar zelf dan onder hebben moeten lijden.
Op de Sabbatavonden kwamen eindelijk ook oudere mannen bij de Johannesbroodboom al was het met geen ander doel, dan om de jonge man aan de tand te voelen en hem in de strikken hunner beginselen te vangen. Hij ontliep dat niet, want hij wenste zelf niets vuriger dan hen tot zijn helpers en aanhangers te krijgen. Op een zo'n avond in Juni waren een groot deel van de bewoners van het dorp en ook nog verscheiden mensen uit Bait'i jisrael, bij de boom bijeen. Sedert het feest, datl hij Zoon-der-Wet was geworden, had hij niet de gelegenheid gehad om zovelen tegelijk toe te spreken. Sinaï Tulpenbloesem zat met duistere voorgevoelens op de bank, en liet hem begaan.
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 februari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's