De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

IN KORTE TREKKEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

IN KORTE TREKKEN

De bezetting der predikantsplaatsen

8 minuten leestijd

In October j.l. werden in de vergadering van de Generale Synode enkele nogal verontrustende cijfers over de bezetting van de predikantsplaatsen in onze kerk medegedeeld. Er zouden, zo werd gezegd, niet minder dan 600 vacatures zijn. De Algemene Synodale Commissie heeft daarop de zaak eens nader onderzocht en het is gebleken, dat het getal onbezette predikantsplaatsen toch niet zo groot is als aanvankelijk wel gedacht werd.

In ,,De Hervormde Kerk" lezen we over deze zaak :

„Welnu, er zijn thans 1877 predikantsplaatsen in onze kerk. Daarbij zijn de bijzondere predikantsplaatsen en de predikanten in algemene dienst niet gerekend.

Op 1 Nov. zijn van deze 1877 predikantsplaatsen 425 vacant. Dat is 22 % van het totaal. De spreiding van de vacatures is niet overal gelijk : van de Waalse gemeenten is 52 % vacant, van de Overijsselse slechts 12 %. Merkwaardig : Noord Holland ligt onder het gemiddelde, n.l. 20 %, Friesland en Groningen er boven, n.l. 26 en 28%.

Nu zijn al die vacatures geen echte vacatures. In vele kleinere gemeenten werken emeriti-predikanten als hulppredikers, en zij geven de gemeente niet het gevoel vacant te zijn.

Er zijn 12 van de 139 ringen waar de helft of meer van de plaatsen vacant is. Vier daarvan liggen in Noord-Brabant, twee in Noord-Holland.

Nu is het aantal van 425 vacatures op het eerste gezicht een groot getal. De oorzaak is niet, zoals men wel eens meent, dat er te veel predikanten onttrokken zijn aan hun gemeenten voor het algemene kerkelijke werk of voor geestelijke diensten in staatsverband. Er zijn twee belangrijker oorzaken: 1e de noodzakelijke toeneming van predikantsplaatsen, n.l. ongeveer 230, en 2e het verplichte emeritaat van de 65-jarige predikanten.

Een sterke stijging sinds 1939 van predikantsplaatsen is vooral in Zuid-Holland (76) en Noord-Holland (30) waar te nemen. De oorzaak is duidelijk : daar is de bevolking in het bijzonder sterk gegroeid. Friesland, Groningen en Drente, typisch platteland, hadden in 1939 462 predikantsplaatsen, nu slechts 10 meer!"

De schrijver, ds. L. H. Ruitenberg, gaat dan verder :

„Maar nu de toekomst. Daarvoor moeten wij naar het aantal theologische studenten vragen, die de eerstkomende drie jaar zullen afstuderen. Volgens de inlichtingen der kerkelijke hoogleraren zal dit getal ongeveer 300 zijn.

In de komende drie jaar zal ook een aantal predikanten emeriti worden en er is een bepaald sterftecijfer. Men kan dit veilig op 40 per jaar stellen, zodat tegen 300 aankomende 120 afvloeiende predikanten staan. Over, drie jaar zal dus het aantal vacatures met ongeveer 180 zijn afgenomen en pl.m. 240 bedragen.

Dit is geen bijzonder hoog getal als men rekent, dat ongeveer 80 vacatures „bevroren" zijn, d.w.z. nimmer vervuld kunnen worden omdat de plaatsen te klein zijn en dat er bovendien altijd een aantal vacatures moet zijn om de gezonde verandering in het predikantenleger mogelijk te maken".

Tenslotte wordt dan de conclusie getrokken, dat er geen reden tot ongerustheid behoeft te bestaan. Wanneer er maar steeds voldoende jonge mannen zich voor het predikambt blijven voorbereiden, zal de toestand, wat de bezetting der predikantsplaatsen betreft, in 1951 normaal zijn.

Het resultaat van het ingestelde onderzoek heeft dus aangetoond, dat er t.a.v. het predikantentekort geen reden tot bijzondere verontrusting behoeft te zijn. Maar toch blijft het de vraag, of de toestand zoals die in 1951 zal zijn, nu wel zo normaal mag heten. Er wordt, om te beginnen, gewaagd van een aantal vacatures, dat er „moet" zijn om een gezonde verandering in het predikantenleger mogelijk te maken.

Ik kan me natuurlijk vergissen. maar ik heb de gedachte, dat daarbij wel wat veel aan de predikanten wordt gedacht. Staat de zaak ook zo ten aanzien van de gemeenten ? Het wil mij voorkomen, dat het aantal vacatures, dat na 3 jaar overblijft, toch wel zo groot is, dat er nog heel wat veranderingen in de bezetting van de predikants-plaatsen door veroorzaakt zouden kunnen worden, waarvan niet altijd te zeggen valt, dat de gemeenten er ook mede zijn gediend. Ik bedoel in het geheel niet critiek te oefenen op de beslissing van deze of gene collega. leder zij hierin in zijn gemoed ten volle verzekerd. Maar in het algemeen gesproken kan men toch wel zeggen, dat veelvuldige en dikwijls elkaar snel opvolgende wisselingen in het „predikantenleger" weinig bevorderlijk zijn voor een ongestoorde ontwikkeling van het gemeenteleven. 

Het lijkt mij dan ook een goed ding, dat in het ontwerp voor een nieuwe kerkorde bepaald is, dat een predikant niet eerder een beroep naar een andere gemeente zal kunnen aannemen, dan nadat hij tenminste 3 jaren in zijn gemeente heeft gestaan. De Generale Synode stelde deze termijn zelfs op 4 jaren vast. Die bepaling zal over het geheel genomen de gemeenten niet anders dan ten goede komen.

In ieder geval lijkt het me, om daarmede terug te komen op de cijfers over het predikantentekort, toch onjuist om te zeggen, dat er een aantal vacatures moet zijn om die gezonde verandering mogelijk te maken. Getuigt dat niet te veel van een burgerlijke geest, die in de kerk niet thuis hoort ? Het kan zeer zeker wel eens nuttig en zelfs naar onze mening noodzakelijk geacht worden, dat een predikant van standplaats verandert, maar mogen we daarom bezwaren hebben of het voor abnormaal houden, wanneer eens alle predikantsplaatsen bezet werden ? (Dit is practisch toch onmogelijk, omdat er altijd verschuivingen blijven door de 40 veranderingen tengevolge van het verkrijgen van emeritaat of door overlijden). We komen toch niet tot het ambt van herder en leraar om van standplaats tot standplaats te gaan, maar om daar te dienen, waar we ons van de Heere geroepen weten ? Ook al zou dat jaren achtereen in dezelfde gemeente zijn.

Het gevaar is, dat ook hier het „predikantenleger" te veel als een ambtenarencorps gezien wordt, zoals b.v. ook het geval was bij de invoering van het verplichte emeritaat op 65jarige leeftijd.

Helaas wijzen o.a. ook enkele bepalingen uit het ontwerp voor een nieuwe kerkorde weer in die richting. Ik denk aan hetgeen in Ordinantie 3, art. 7 wordt voorgesteld, n.l. ruiling van standplaats en de mogelijkheid om de bereidheid tot ruiling van standplaats of het in overweging nemen van een beroeping kenbaar te maken aan kerkvisitatoren, die tot taak hebben op verzoek van kerkeraden of predikanten voorlichting te geven bij het opmaken van nominatiën. De ruihng van standplaats is gelukkig door de Generale Synode verworpen, zodat deze mogelijkheid niet in het ontwerp zal voorkomen, als het straks, wanneer de kerkorde in eerste lezing vastgesteld zal zijn, aan de kerk aangeboden zal worden. Voor het voorstel ook de mogelijkheid om van genoemde bereidheid blijk te geven te schrappen werden slechts enkele stemmen uitgebracht, zodat op dit punt de lezing van het ontwerp gehandhaafd bleef. Het blijft echter mijn overtuiging, dat een dergelijke bepaling niet in de kerkorde thuis hoort. Wanneer men tekenen gaat leven, dat men wel zou willen veranderen, verbreekt men in feite de band, waarvan men eens verklaard heeft, dat God zelf deze had gelegd. Al zullen deze dingen in de practijk gebeuren, daarom behoeft het toch nog niet zo in een ordinantie vastgelegd te worden. Het is te hopen, dat bij de behandeling van het ontwerp in de Classicale Vergaderingen deze bepaling alsnog verworpen zal worden.

Maar de korte trekken lopen gevaar lange omhalen te worden. We moeten nog eens naar de cijfers over het predikanten tekort terug. We zullen de toestand in 1951 vooral niet normaal mogen noemen, omdat het weliswaar kan zijn, dat dan de predikantsplaatsen aardig bezet zijn, maar toch in de verste verte nog niet gezegd kan worden, dat de kerk voldoende predikanten heeft.

Want ds. Ruitenberg eindigt terecht zijn artikel met de opmerking : „Men vergisse zich echter niet. Dit normaal is in de grond niet normaal: Er zijn drie millioen Hervormden. Er moesten dus minstens drie duizend predikanten zijn. Inderdaad, want het moet toch als ideaal gelden, dat geen predikant de geestelijke verzorging van meer dan 1000 zielen opgedragen krijgt.

Zo gezien heeft de kerk, ook al is de toestand dan normaal eigenlijk veel te weinig predikanten. De wijken in de grotere plaatsen en evenzeer vele gemeenten met één predikantsplaats zijn menigmaal veel te groot om een geregelde bearbeiding mogelijk te maken. Iemand zou tegen deze berekening van drie duizend benodigde predikanten bezwaar kunnen maken door de vraag te stellen : Maar hoeveel van die drie millioen leven nog mee ? Ds. Buskes deed onlangs in ,,In de Waagschaal" de ontstellende mededeling, dat in Amsterdam slechts 4 %, dat is één op de vijf en twintig" van hen, die als Hervormd te boek staan, nog de godsdienstoefeningen bijwoont. Als de zaken zo staan, moet toch wel aangenomen worden, dat het getal ,,meelevenden" belangrijk minder is dan die genoemde drie millioen.

Toegegeven — maar is de verantwoordelijkheid van de kerk daarom minder ? Wie zal zeggen, hoevelen de band met de kerk verloren hebben, omdat de kerk tengevolge van een veel te gering aantal arbeiders, geen zorg aan hen heeft kunnen besteden. Zeker, dat zal de enige oorzaak van die vervreemding niet zijn en het verontschuldigt de betrokkenen niet. Maar het maakt de kerk evenmin vrij.

Neen, normaal is nog iets anders dan dat er van de 1877 predikantsplaatsen nog maar 240 vacant zijn. Dan mocht eerst wel eens het aantal predikantsplaatsen verdubbeld worden en dan zouden er voor die predikantsplaatsen ook nog de predikanten moeten zijn.

Moge daarom de opwekking des Heeren weerklank bij ons vinden : „Bidt dan de Heere des oogstes,  dat Hij arbeiders in Zijn oogst uitstote".

En laten we het vooral niet vergeten : al waren de predikantsplaatsen en de predikanten nog zovele, kerk en volk zijn alleen maar gediend met de verkondiging van de enige Naam, die onder de hemel tot zaligheid is gegeven. De Heere geve daartoe velen roeping en begeerte, opdat de kerk gebouwd worde op het fundament, dat gelegd is, hetwelk is Jezus Christus.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

IN KORTE TREKKEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's