Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA
139)
Het viel Samuël niet moeilijk om zich gehoor te verschaffen. Door een wenk aan een grote jongen die bij zijn oefeningen in het Hebreeuws moeite had met een bepaalde taalregel, vond hij een gemakkelijke overgang naar de hoofdzaak. Hij vroeg heel bescheiden in het Hebreeuws, hem nog een keer aan te horen nu, nadat hij Jeruzalem had gezien.
„Het moet iets nieuws met onszelf worden hier, in dit land. Wij zelf kunnen de ouden niet blijven, want zó komt onze Koning niet.
Om ons binnenste te vernieuwen, hebben wij een helper nodig uit ons volk. Wij moeten iemand uitkiezen, die Israël liefheeft — een, die zijn leven voor zijn volk overheeft en overgeeft, een man, die over heel de wereld bekend is geworden door de reinheid en liefde zijner ziel. Die zelfde man heeft de Christenheid reeds gekozen, — en na zorgvuldig zoeken in de boeken van ons volk, vind ook ik daar altijd weer deze zelfde man : Jeschua van Nazareth, die in Jeruzalem gedood is, even voordat onze laatste tempel verwoest is".
Allen stonden als aan de grond genageld en keken Tulpenbloesem aan. Over diens gericht viel een donkere schaduw. ,,Laat hem uitspreken — alles er nu maar uit ! — wat hij spreekt, komt voor zijn eigen rekening !"
De misschien maar korte rustpoos snel gebruikend, ging Samuel voort : ,,Onze oude wijzen en Rabbijnen hun aandenken zij gezegend! konden blijkbaar zijn bedoelingen nog niet begrijpen. Maar wij, die nu leven in het jaar 5671, kunnen met beslistheid zeggen, dat hij — deze Jeschua van Nazareth — het ware heil van zijn broeders heeft gezocht en alle anderen ver heeft overtroffen. Zijn woorden, die hij tevoren in gerechtigheid, liefde en medelijden tot ons heeft gesproken, en zijn dood, waarmee hij die woorden heeft bekrachtigd, moeten ons hart eindelijk tot hem keren. Dat is ook niet anders mogelijk, als men ze maar goed beziet.
Reb Sinaï, beste vader, vergeef mij ! Wij dwalen maar altijd rond in de onderaardse duisternissen van de Talmud, terwijl daar boven licht en vreugde en genade voor ons liggen uitgespreid. Wij, wetsuitleggers, bewijzen ons volk een overbodig geworden dienst, ook al werken wij nóg zo. De Thora van de Messias is de vervulling van alles, en die is duidelijk, en voor iedereen begrijpelijk".
„Hij wil de Wet omverwerpen !" riep de slachter, en zijn opruiende blik wakkerde de omstanders aan. ,,Let daar wèl op, mensen !" Maar Tulpenbloesem besliste : ,,Laat hem toch uitspreken !"
,,Geen sprake van omverwerpen, maar juist eren en onderhouden wil ik, omdat de Eeuwige Zijn verbond met ons daarop heeft gegrond. Daardoor behoren wij Hem toe. Maar ons zaligmaken kan de Wet niet, omdat wij haar toch niet kunnen volbrengen. Zij maakt ons juist schuldig. En niemand neemt onze schuld weg dan het offerlam van Adonai, God Zelf. Mijn broeders, laten wij naar boven zien, en dan vraag ik u slechts dit éne : Leest de Schriften, die van Hem getuigen. Die zijn in onze taal voorhanden. Leest ze, en dan geloof ik, dat gij Hem zult aannemen. Ik vraag u slechts di éne: Leest!"
„Verbranden, verbranden zal men en begraven die smerige geschriften, waar men ze maar aantreft, omdat zij verraders van de mensen maken !" riep de slachter woedend.
En ook de anderen riepen allen door elkander heen. ,,Hij is het hoofd van alle vrijdenkers ! Hij is een vijand der Wet !"
,,Nu is het zo klaar als de dag, dat hij bijl de Gojim hoort ! Wat hebben wij nog verder getuigenis nodig ? "
,,Hij keert zich willens en wetens tegen zijn broeders !"
Samuel antwoordde rustig : ,,Ik heb nooit iets anders geleerd, dan een Jood te zijn !" Hij reiktel de slachter een klein geschriftje toe, dat het Evangelie van Mattheüs bevatte. Deze nam dat met een honend gelach aan, om het toen in stukken te scheuren.
,,Leest toch die Schriften, en zie dan eens wat Jeschua van de Joden heeft moeten lijden. Gij moogt ze niet verwerpen zonder er eerst kennis van te hebben genomen". ,,Komt, vooruit, — wij willen naar huis gaan ! Als er niemand meer is, die naar hem luistert, dan zal hij vanzelf zijn mond wel houden. Hij wordt door zijn eigen woorden verleid".
,,Ja, gaat maar heen", zei Tulpenbloesem op harde toon, terwijl hij opstond. ,,Hij is verleid. Maar vergeet één ding niet : hij is nog jong!" Enkelen aarzelden nog, daar zij zich reeds hadden gespitst op een vinnig tweegevecht. Zij misten dit Sabbatsamusement niet graag. Maar eindelijk gingen allen toch maar heen.
Met een kloppend hart trad daarna Samuel binnenshuis voor zijn pleegvader, toen deze bij het einde van de Sabbat Habdala wilde maken. Als altijd zette hij daartoe het licht, de wijn. en een busje kruiden op tafel, en wachtte toen in alle ootmoed, wat hij doen zou.
Sinaï keek hem strak aan — plotseling stond hij van zijn plaats op en gaf hem een vuistslag in het gezicht, zodat hij ineenkromp. ,,Dacht je, dat ik de Habdala van jou — van jou in ontvangst wou nemen ? Dacht je dan, dat jij" nog bij ons hoordet ? "
(Wordt vervolgd.)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 februari 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's