DE NIEUWE LEER
II.
Volgen wij nog een wijle de samenvatting, door prof. Van Niftrik gegeven.
„Wij menen, dat God Zijn Woord alleen in de kerk spreekt en het daar richt tot vrome mensen. Wij menen, dat God aan de kerk gebonden is .. ... En nu komt Barth... God spreekt waar en wanneer Hij wil".
Het is wel mogelijk, dat er zulke meningen onder de mensen bestaan, maar de gereformeerde theologie, welke op die naam aanspraak mag maken, verkondigt toch niet zulke meningen. Zij heeft steeds op de vrijmacht Gods gewezen. En dat God zich aan Zijn kerk gebonden heeft, wordt veelvuldig door de Heilige Schrift betuigd, zij het ook, dat God, en Hij alleen, de Zijnen kent. Het is des Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven. Ik wil, dat waar Ik ben, ook degenen zijn, die Gij Mij gegeven hebt. De trouw des Heeren aan Zijn Verbond wordt veelvuldig betuigd.
Zo is het ook volstrekt geen nieuwe ontdekking, dat God goddelozen rechtvaardigt. Ook niet, dat men de Bijbel kan lezen, zonder die te verstaan. (Vgl. blz. 18). Zoals de Heere de Schriften opende voor de Emmaüsgangers, zal het nóg altoos nodig zijn, zullen wij verstaan, wat wij lezen.
Ondanks dit alles, is het nog niet hetzelfde, als prof. V. N. zegt : Zeker, de Bijbel is Gods Woord, in deze zin, dat de Bijbel voor ons Gods Woord wórdt, (wij cursiveren) als het God behaagt tot óns, hier en nu Zijn Woord te spreken —, in deze zin, dat Hij ons belooft juist de bijbelse tekst telkens weer tot Zijn Woord te maken.
De bijbelse tekst wordt alzo naar deze voorstelling tot Gods Woord gemaakt, m.a.w. God bedient zich van de tekst om Zijn Woord te spreken. Dat is een andere voorstelling dan die, welke gegeven is in Christus' woord : „Onderzoekt de Schriften, want die zijn het, die van Mij getuigen". Ook de apostelen hebben het zo anders van de Christus geleerd. Hoe toch kan Petrus zeggen: Wij hebben het profetische Woord, dat zeer vast is, en gij doet wel, dat gij daarop acht hebt ? Ook de prediking der apostelen bevestigt zulks. Wij denken aan de Pinksterrede van de apostel Petrus en aan de prediking van de apostel Paulus, welke met name, als hij zich tot de Joden richtte, tot hoofdthema had : Dat Jezus is de Christus.
Zulk een prediking, zou geen zin hebben, indien zij niet een voorstelling van de Christus hadden uit het Oude Testament. Dat wijst alzo op een gegeven zijn van de openbaring omtrent de Christus, die komen zou.
Als prof. Van Niftrik opmerkt: Wij kunnen niet beschikken over Gods Woord (blz. 18), gaat het er om, wat hij daarmede bedoelt. Wij kunnen niet beschikken over de Heilige Geest, die in de waarheid leidt. Wij kunnen die Geest geen wetten stellen. Dat zal ook niemand beweren. Maar, als de Heilige Schrift zegt, dat de geopenbaarde dingen voor ons en onze kinderen zijn (Deut. 29 vers 29), is dat volgens het geloof der reformatoren een getuigenis van de Heilige Geest. Bij Calvijn wisselt de uitdrukking : ,,de Heihge Schrift zegt", vaak af met de uitdrukking : de Heilige Geest getuigt.
Diensvolgens zijn ons de geopenbaarde dingen gegeven, zij het ook, dat wij daarvan slechts verstandelijk kennis dragen. Dat wil dus nog volstrekt niet zeggen, dat de geopenbaarde dingen geestelijk worden verstaan.
De strijd tegen de overdreven waardering van het „natuurlijk" verstand, zoals deze de negentiende-eeuwse geest kenmerkt, mag geen aanleiding zijn om ook daarin de gave Gods te verachten en de menselijke verantwoordelijkheid jegens de geopenbaarde dingen te miskennen.
Als God er rekening mede houdt, dat wij het geweten hebben, en niet gedaan, kan de mens dit niet straffeloos wegcijferen. Ook hierin is de vrijmacht Gods aan het woord. Men kan lichtelijk gevoelen, dat de Schriftbeschouwing van de nieuwe leer een andere is dan die van de gereformeerde belijdenis. Dit vindt zijn oorzaak in het openbaringsbegrip, waarvan zij uitgaat, wijl dit evenzeer van dat der confessie verschilt.
Daarmede raken wij aan de grondslagen van de nieuwe leer, waarover t.z.t. nog nader zal worden gehandeld. Dat openbaringsbegrip staat ook al weer niet op zich zelf, maar hangt met verschillende factoren samen, waarop in dat verband zal worden gewezen.
Thans volgen wij de korte samenvatting. „Zoals de Vader Heere is door Zijn vrijmacht, zo is Jezus Christus Heere door Zijn genade. Jezus Christus regeert door genade. Van die genade leven wij", (blz. 18).
Ook een merkwaardige zin !
De Heere Jezus Christus zegt: Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde. (Matth. 28 vers 18). Hoe dat is, en wat dat betekent, getuigt ons de apostel Paülus o.a. in Efeze 1 vs. 15 vv.
Duidelijk is, dat de Vader de Christus die macht en heerschappij heeft gegeven en in 1 Kor. 15 vers 25 wordt daarbij gezegd : Want Hij moet als Koning heersen, totdat Hij al de vijanden onder Zijn voeten zal gelegd hebben.
In Kolossensen wordt ons de Christus voorgesteld in Zijn scheppende heerlijkheid en wordt Hij geroemd als de Schepper der machten en heerschappijen, die in de hemel en op de aarde zijn, die zienlijk en onzienlijk zijn. (Vgl. 1 vers 16).
Zo is Hij Heere krachtens de goddelijke vrijmacht, en hoe wil men nu zeggen, dat Hij Heere is door Zijn genade, wijl het toch de Vader is, die dit alles gewrocht heeft in Christus? (Efeze 1 vs. 20).
„Jezus Christus regeert door Zijn genade" zegt prof. v, N. Doch als Paulus uitroept: Wie is het die verdoemt ? Christus is het die verdoemt, wijst hij tevens op de Rechter der ganse aarde, die komt om te oordelen de levenden en de doden. (Rom. 8 vs. 34). Zelfs worden de uitverkorenen Gods, die met Hem zullen heersen, in de oefening van het gericht betrokken. (Lukas 22 vs. 30).
Wij erkennen gaarne met de Catechismus, dat de Christus Zijn gemeente regeert door Zijn genade en Geest, doch wie kan zeggen, hoe de Christus de wereld regeert ?
Wel staat geschreven, dat de vorsten door Hem heersen (Spr. 8 vs. 16), en wij hebben gewezen op de Schrift, die Hem eert als de Schepper van alle machten, maar dat zegt ons niets .naders omtrent het hoe Zijner regering.
Wij erkennen ook, dat de ganse wereld uit de genade Gods leeft, hoe zou anders een zondige wereld leven, dewijl zij onder het oordeel des doods ligt. Ook deze genade vloeit voort uit de genadegifte Gods in de Christus geschonken en wordt als algemene genade onderscheiden van de ,,zaligmakende" genade. Prof. v. N. wil van zulk een onderscheiding niet weten.
,,De Bijbel weet maar van één genade, van deze bijzondere genade, van kruisgenade. Er bestaat geen mogelijkheid, te onderscheiden tussen algemene en bijzondere genade ; de genade is altijd bijzonder, want het is de genade van Jezus Christus", zo protesteert hij.
Intussen gebruikt hij zelf de term ,,bijzondere" genade, hetwelk in dit geval heel vreemd en zelfs tegenstrijdig wordt, omdat deze uitdrukking 'n bepaalde betekenis heeft in de gereformeerde theologie en in de ,,nieuwe" theologie geen plaats mag hebben.
Een eenvoudig gemeentelid besluit hieruit onmiddellijk: dat deze nieuwe leer alzo een algemene verzoening leert.
„De Bijbel weet maar van één genade", zegt hij.
Is dat zo ?
Men kan beweren, dat er in de Heilige Schrift alleen maar van genade wordt gesproken. (Wij laten de uitdrukking menigerlei genade in 1 Petrus 4 vs. 10, maar buiten beschouwing).
Doch is daarmede uitgesloten, dat er menigerlei werking en vrucht der genade Gods zou zijn en dat ook van een verscheidenheid der gaven sprake zou zijn ?
Het is daarom al te boud gesproken.
Zo waarlijk de Heere een enige God, de eeuwige en waarachtige is, is alle genade en alle gave der genade van Hem afdalende. In die zin is er slechts één genade. Maar zo waarlijk de Schrift getuigt van verscheidenheid van gaven, is er ook verscheidenheid in de werking der genade Gods.
Daarop ziet toch de onderscheiding van algemene en bijzondere genade. Alle genade Gods is een gunstbewijs jegens een zondig geslacht, onverdiende, ja verbeurde gave Zijner goedertierenheid.
Als nu de Christus zegt: Niemand komt tot Mij, tenzij de Vader hem trekke, dan is daarin een genadedaad Gods van bijzondere betekenis. In deze genadedaad ligt een eeuwige betrekking, welk ten deel valt aan degenen, die daartoe naar het voornemen Gods verordineerd zijn. (Efeze 1 vs. 5). Deze betrekking wordt door de Heilige Schrift op onderscheidene wijze nader bepaald : leden van Christus' lichaam, huisgenoten Gods, het kindschap Gods.
Daarom zal men het bijzonder karakter dezer genadegave van het kindschap Gods niet kunnen ontkennen, zonder ook dat kindschap algemeen te maken.
,,Dit raakt aan het stuk der praedestinatie, hetwelk in het onderhavige boek een brede plaats inneemt en als een verbetering van de leer der gereformeerde belijdenis wordt aangediend.
Het behoeft niet gezegd, dat wij daarop terug komen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1949
De Waarheidsvriend | 1 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 februari 1949
De Waarheidsvriend | 1 Pagina's