DE NIEUWE LEER
Openbaring
Wij hebben reeds kunnen opmerken, dat aan de nieuwe leer een geheel ander begrip van openbaring ten grondslag ligt.
Hoe kan een mens iets van God weten ? God, die immers een ontoegankelijk licht bewoont ?
Die vraag staat reeds niet op zichzelf. Zij gaat uit van het feit, dat er in deze wereld over God gesproken wordt. En dat niet alleen, zij gaat ook uit van het besef, dat God boven deze wereld verheven is.
Dit laatste is evenzeer een gegeven en moet er bij in aanmerking worden genomen. Immers alleen die twee feiten : dat over God gesproken wordt en het besef Zijner verhevenheid boven de wereld, — deze twee feiten kunnen de vraag doen opkomen : als God verheven is boven deze wereld, hoe kunnen wij iets van Hem weten ?
Daaruit is ook de scepsis opgekomen reeds in het klassieke heidendom, welke zegt: als de goden er zijn, kunnen wij niets van hen weten en als zij er niet zijn, hebben wij niets van hen te vrezen !
Strikt genomen kan men ook dit oordeel niet uitspreken, zonder het gegevene, dat er in deze wereld besef is van een andere verheven wereld, waarvan God het middelpunt is.
Geheel de vraagstelling verraadt nog een onderstelling en wel deze : Als er een Wezen is, dat boven deze wereld verheven is, kan men daarvan geen kennis hebben.
Waarop is deze onderstelling gegrond ? Het feit is n.l. dat men over zulk een verheven Wezen spreekt, dat er een besef van zulk een wereld is, hoe komt men nu tot de onderstelling, dat wij zulk een wezen niet kunnen kennen ?
De mens zelf maakt uit: iets dat transcendent (boven deze wereld verheven) is, kan door ons niet worden gekend. En deze stelling vindt aanleiding in de omstandigheid, dat wij niet in zulk een verheven wereld kunnen opstijgen. Wij staan dus van de mens uit voor een onmogelijkheid.
De mens heeft echter geen enkele grond om aan te nemen, dat een boven deze wereld verheven Wezen niet in deze wereld kan inkomen. Dan toch is hij bezig met over mogelijkheden van dat verheven Wezen te spreken, terwijl hij daartoe niet in staat is.
Het ware nederiger om aan te nemen, dat het Godsbesef in deze wereld een aanwijzing is van het feit, dat er bij God mogelijkheden zijn om zich aan de mens bekend te maken.
Ja, maar, zegt prof. v. N. er is een oneindig qualitatief verschil tussen eeuwigheid en tijd. Dat zij zo, maar wat weten wij van qualitatieve verschillen tussen eeuwigheid en tijd ?
Al weer het feit, dat men zulk een stelling kan poneren, wijst op een besef van zulk een verschil, dat uit de tijd niet kan opkomen.
En nu komt prof. van N. met een conclusie : Het menselijke is nooit identiek met wat wij God noemen : Hij bedoelt het is nooit hetzelfde, het is nooit gelijk. Accoord : het menselijke is nooit hetzelfde als het goddelijke. Het is nooit gelijk aan het goddelijke. Dat geloven wij ook.
Maar, sluit dat op zich zelf genomen menselijke kennis van God uit ?
Hier nu duikt een stelling uit de heidense philosophic op, dat het gelijke slechts door het gelijke kan worden gekend.
Dit zijn wijsgerige kwesties, die reeds door de sophisten in de vijfde eeuw voor Christus zijn opgeworpen, maar wij vragen eens : Is dat zo ?
Kan God, die boven deze wereld verheven is, oneindig onderscheiden van de mens, zich niet te kennen geven in het menselijk kennen ?
Het is trouwens een louter wijsgerige stelling, dat het gelijke slechts door het gelijke wordt gekend. Men zal daarvan overtuigd worden, als men eens gaat denken over de betekenis van deze stelling. Wat kan bedoeld zijn met het gelijke. De mens, die zulke dingen beweert, is toch alleen bezig met zijn eigen denkbeelden over wat hij gelijk of ongelijk acht in dit verband.
Het is hier de plaats niet om op dit vraagstuk wijsgerig in te gaan.
Bovendien stelt het kennen als zodanig een vraagstuk, dat vele wijsgeren heeft beziggehouden, doch waarover nog weinig licht is opgegaan. Het gewone, alledaagse gewaarworden, waarnemen, kennen, is een wonder gebeuren, hetwelk wij geenszins doorgronden.
Dat het eindige het oneindige niet kan omvatten, is een stelling, die ons logisch voorkomt. Bij nader inzien zal men ontdekken, dat deze stelling rust in een bepaalde beschouwing omtrent de aard en de onderlinge verhouding van wat men voor eindig en oneindig houdt.
Indien men bedoelt, dat wij eindige, beperkte mensen de veelheid van verschijnselen niet kunnen omvatten, heeft dat een geheel andere zin dan wanneer men bedoelt, dat ons beperkte verstand tot de kennis van de eeuwige dingen niet kan doordringen.
Op blz. 40 vertaalt prof. van N. een zinsnede van K. Barth : „God — in oneindig qualitatief verschil staande tegenover de mens en al het menselijke nooit en nimmer identiek met wat wij God noemen, als God beleven, vermoeden en aanbidden . . . . . "
Deze zin herinnert aan het radicale standpunt van de Römerbrief.
Tegenover een wijsgerige Godsidee kan dit worden gesteld. Als men bedoelt, dat een gedachte, welke in de hersenen rondzweeft, niet God maar een afgod is, valt daartegen niets te zeggen. Dat heeft Calvijn ook reeds opgemerkt.
Moeilijker wordt een uitdrukking als God beleven en aanbidden. Een afgod kan men aanbidden, mogelijk zijn eigen idee, maar dan stelt men zich daarbij toch iets voor, dat aan zulk een idee zou beantwoorden, ook al is dit een ijdel beeld. Maar een God beleven is een vreemde woordspeling. Men kan de gemeenschap Gods beleven, maar de uitdrukking ,,God beleven" wijst op een mystiek, welke de vereenzelviging van God en schepsel onderstelt en met de ware vreze Gods niets van doen heeft.
Wij kunnen het in zoverre dus eens zijn met wat hier werd gezegd.
Intussen kan dit alleen een openbaring zijn voor degenen, wier godsdienst in dergelijke inbeeldingen opgaat. Voor een gereformeerd man maakt het alles de indruk van een open deur intrappen, om de eenvoudige reden, dat het geloof in de God der Schriften niet voor God of goddelijk houdt, wat slechts inbeelding is.
Maar — indien genoemde beweringen bedoelen te weerspreken, dat de hoge God woning maakt in de Zijnen, en dat Christus in hen gestalte aanneemt, dan moet daartegen heftig worden geprotesteerd.
Heeft Christus niet zelf gezegd : Wij zullen woning bij hen maken ? (]oh. 14 vs. 23). En Paulus spreekt van de gestalte van Christus in de Zijnen. (Gal. 4 vs. 19).
In dit licht beschouwd, gaat het woord van Barth niet op. Want in het geloof gaat het niet over een maaksel van ons denken of verbeelden, dat wij God noemen, maar over de God, die woning maakt in ons hart, om de gestalte, die Christus in de Zijnen aanneemt.
Wie dit zou willen ontkennen, maakt Christus tot een leugenaar, omdat hij een wijsgerig oordeel boven de Waarheid Gods laat gelden. Op die wijze spant hij zich in om de wijsgerige inbeelding te bestrijden en valt hij in het euvel de waarheid des geloofs door de wijsbegeerte uit te bannen.
In het wijsgerig kadr past ook, wat prof. V. N. omtrent Gods openbaring opmerkt : ,,De raaklijn van Gods openbaring raakt deze wereld in een mathematisch punt", (blz. 41). Wij laten hier in het midden, of Barth deze uitdrukking, nog ten volle voor zijn rekening neemt, maar prof. v. N. schrijft het en neemt het klaarblijkelijk voor zijn rekening. Niemand zal tegenspreken, dat een mathematisch punt een wijsgerige gedachte is. Dat verhindert hem niet om te zeggen, dat Jezus Christus dat mathematische punt is.
De oneindige distantie tussen God en mens is, schier geworden tot een naast elkander bestaan van twee werelden, die niet meer dan een „mathematisch" raakpunt hebben. Als deze bepaling op de Heere Jezus Christus wordt overgebracht en van Hem wordt gezegd, dat Hij dat punt is, kan men zich moeilijk onttrekken aan de gedachte, dat die twee werelden in Hem dat raakpunt zouden hebben (en alleen in Hem). Met andere woorden : de goddelijke en de menselijke natuur raken elkaar in Hem als in een mathematisch punt. Aangenomen dan nog, dat Christus ook in deze beschouwing waarlijk onze menselijke natuur heeft aangenomen. Van zulk een raakpunt kan men zeggen, dat het tegelijkertijd God en mens is, maar als mathematisch punt beoordeeld, kan men ook zeggen, dat het op zichzelf niets is.
,,De raaklijn van Gods Openbaring", waarvan prof. v. N. gewaagt, valt in deze gedachtengang geheel buiten deze wereld en raakt haar alleen in Jezus Christus. Op deze wijze kan wel duidelijk worden, dat K. Barth spreekt van een ,,openbaring in de verborgenheid".
Doch hoe prof. v. N. dan in één adem spreken kan over een ,,in het verleden, geschiede Openbaring" (blz. 41), en van een cirkel van het openbaringsgetuigenis om het middelpunt", is een mathematische structuur, waarbij een soort hogere wiskunde te pas komt.
Het verwondert ons dan ook niet, dat prof. V. N. overgaat naar de openbaring Gods in de natuur en in de geschiedenis.
Een aanhaling uit het werk van ds. Touw, vertaling van Barth's ,,het Christelijk openbaringsbegrip", moet dan dienen om de conclusie te poneren : De kennis der genade vernietigt inderdaad ook de voorstelling van een openbaring, die door bemiddeling komt, door de natuur, door de geschiedenis en door het bewustzijn van eigen bestaan.
Een conclusie, welke uit zijn redenering geenszins volgt en bovendien in strijd is met de Heilige Schrift.
Deze conclusie wil ingaan tegen de belijdenis van art. II onzer confessie, welke van twee middelen spreekt.
Nu moet gezegd, dat de gereformeerde theologen aanleiding tot misvatting geven, als zij spreken van een openbaring door de natuur. Natuur is van oorsprong een heidens begrip. Art. II spreekt van de schepping, onderhouding en regering der wereld. Scheppen, regeren, onderhouden. Drie woorden, welke op het doen Gods wijzen, hetwelk nooit zonder Vrucht en zin kan zijn. Dit zijn werken Gods, die naar buiten treden, en daarom ook openbarende werken zijn.
De apostel Paulus zegt echter niet, dat de mens het Woord Gods daarin niet hoort, noch ook ooit horen kan of zal, zoals de aangehaalde zinsnede beweert, maar dat de onzienlijke dingen Gods van de schepping der wereld aan, uit de schepselen worden verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn. (Rom. 1 vs. 20 v.v.).
Hij zegt niet, dat zij God niet kennen. Integendeel : Hij zegt, dat zij God kennen (vs. 21). Dat God het hun heeft geopenbaard, (vs. 19). Dat zij de waarheid in ongerechtigheid ten onder houden, (vs. 18).
Deze woorden betuigen dus wel wat anders aangaande de openbaring door de schepping, onderhouding en regering der wereld. Om met de oude theologen te spreken : deze openbaring werkt niet het zaligmakend geloof, maar zij spreekt de mens aan. God zelf doet dat en de apostel zegt er bij : opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn. Dat nu wordt in de beschouwing, welke ons door prof. v. N. wordt voorgesteld, ten enenmale veronachtzaamd. En dat alleen, omdat hij een begrip van openbaring aanhangt, waarin deze dingen niet passen.
Men wil nu eenmaal niet erkennen, dat er een Godsbesef is, een zeker geloof aan God, dat intussen vreemd blijft aan de kennis van de Christus. Hoezeer men daarmede in strijd is met het woord van Christus zelf, kan blijken uit Joh. 14 vs. 1, waar Christus zegt: Gijlieden gelooft in God, gelooft ook in Mij.
Men kan tegen dit laatste opmerken, dat dit wordt gezegd tot de discipelen, die toch de Schrift kenden en door Christus werden onderwezen. Van de Joden mag het evenzeer gelden, dat zij in God geloven.
Ten eerste sluit dit niet uit, dat de apostel Paulus duidelijk van de openbaring door : de schepping, onderhouding en regering der wereld spreekt. Maar in de tweede plaats, zou deze tegenwerping ons aanleiding geven om ook deze te toetsen.
Indien toch de openbaring in Jezus Christus, het vleesgeworden Woord, de enige zou zijn, zoals de ,,nieuwe" leer wil, dan ligt de conclusie voor de hand, dat er buiten het vleesgeworden Woord dus geen openbaring zou zijn.
Dan zou daaruit volgen, dat de profetische openbaring vóór de vleeswording des Woords, derhalve een andere openbaring is, een openbaring, welke de enige openbaring Gods zou voorafgegaan zijn, zodat deze toch weer niet enig kon zijn.
Hoe moeten wij dat nu verstaan ?
Men kan zeggen : die voorafgaande openbaring draagt een voorlopig karakter — en dat heeft men gezegd. Men kan zeggen, die openbaring had betrekking op de enige openbaring in Jezus Christus.
Maar dan blijft de vraag : Als de enige openbaring het vleesgeworden Woord is, hoe kon dan het oude Israël weten van een openbaring, die niet was geschied ?
Mogelijk, dat men dan weer antwoordt: Wel, op dezelfde wijze, als de kerk thans kennis krijgt van de openbaring, die in het vleesgeworden Woord is geschied, door de Heilige Geest.
Dan echter wordt de situatie als volgt : Er is een openbaring door de Heilige Geest omtrent de enige door God voorgenomen openbaring in Jezus Christus, (Oude Testament) en omtrent die enige openbaring, welke geschied is in de aanvang onzer jaartelling (Nieuwe Testament).
Volgens deze beschouwing zouden wij dus hebben te onderscheiden een enige openbaring Gods in het vleesgeworden Woord, eenmaal geschied, en een openbaring van die openbaring door de Heilige Geest.
Een openbaring van de openbaring Gods blijft intussen toch een openbaring, en wel een openbaring van een goddelijk voornemen om Zich te openbaren.
Dan heeft God uit Zijn voornemen tot de vaderen gesproken. Dan heeft Hij tot de vaderen Zijn Woord gesproken. Het Woord is tot de vaderen gekomen.
De profeten hebben dat dan ook op veelvuldige wijze betuigd.
Dat kan toch geen ander Woord zijn geweest dan het Woord, hetwelk ook vlees is geworden.
De enigheid der openbaring kan daarom niet schuilen in de vleeswording des Woords, alsof de vleeswording als zodanig eerst openbaring zou zijn.
Dan zou aan het vlees worden toegeschreven, wat het nooit kan zijn, want vlees en bloed maken de Christus niet openbaar als de Zoon van de levende God. (Vgl. Matth. 16 vs. 17).
Van hoe groot en onuitsprekelijk gewicht de vleeswording des Woords voor onze zaligheid is, de enigheid der openbaring Gods in Christus en door Christus ligt in het feit, dat Hij het Woord is, waarvan Johannes 1 vs. 1 — 14 getuigenis geeft.
Het Woord, de eeuwige Zone Gods, is onze hoogste Profeet en Leraar. Hij bedient zich van de Heilige Geest bij al Zijn werken van schepping en openbaring, omdat de Vader Hem tot Zijn Christus heeft gemaakt.
De Heilige Schrift leert dan ook geheel anders dan deze nieuwe theologie. Zij leert, dat God voortijds veelmaal en op velerlei wijze tot de vaderen heeft gesproken door de profeten en dat Hij in deze laatste dagen heeft gesproken door de Zoon. Hebr. 1 : 1).
De enigheid der openbaring Gods wordt door de Heilige Schrift niet gebonden aan de gestalte des Woords, maar aan het eeuwige Woord, hetwelk de Eniggeborene des Vaders is en hetwelk ook ons vlees en bloed heeft aangenomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 maart 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's