DE NIEUWE LEER
Openbaring - Verberging
In Hoofdstuk III gaat prof. van N. spreken over openbaring en geschiedenis.
Hij vangt aan met de opmerking, dat openbaring nooit geopenbaardheid wordt. Dat schijnt reeds onmiddelhjk in strijd met de theologische spreekwijze van een Deus revelatus — geopenbaarde God — dit in tegenstelling met God als de Onbekende en Onkenbare.
De bedoeling van prof. van N. is, dat God zich wel bedient van aardse gestalten, maar dat Hij blijft heersen over die gestalte, dat zulk een gestalte God niet omvatten kan, dat wij in zulk een gestalte God niet als het ware in onze hand hebben (blz. 64).
Dit alles maakt op ons weer de indruk van een open deur intrappen. Geen Schriftgelovige houdt het er voor, dat de verschijning Gods in een schepselmatige gestalte, b.v. van Abraham, de Heere zou omvatten, wijl de Heilige Schrift leert, dat de ganse schepping Hem niet kan omvatten.
Zo zal ook de Schriftgelovige zich niet verbeelden, dat de Heilige Schrift de almachtige en volheerlijke God kan omvatten, of ook, dat de. openbaring Gods in de vleeswording des Woords de ganse heerlijkheid Gods zou omvatten, welke Hij immers, de gestalte eens dienstknechts aannemende, had afgelegd. Het is toch ook zo, dat de Zoon óns vlees en bloed heeft aangenomen en niet de Vader. Niettemin is dat een verborgenheid, die ons verstand verre te boven gaat.
In die zin zijn wij het volkomen eens met de spreekwijze, dat het eindige het oneindige, de eeuwige God, nooit kan bevatten.
Het heeft alzo onze instemming als prof. van N. geopenbaardheid afwijst, indien dit zou bedoelen, dat een instituut, een systeem, een sacrament, een woord, God zou kunnen bevatten, zodat wij zouden kunnen zeggen ; zie, daarin hebben wij God. (blz. 65). Maar welk gereformeerd theoloog heeft dat beweerd ? Wij menen, dat de gereformeerde theologie in de strijd tegen het sacramentalisme duidelijk het tegendeel heeft bewezen.
Maar — als prof. v. N. dit wil gebruiken om hef: geloof der reformatorische confessie aangaande de Heilige Schrift en haar goddelijke Autoriteit te bestrijden, dan moeten wij daartegen heftig protesteren.
Vooreerst merken wij op, dat hij dat doet in een vorm, die als zodanig een slag in de lucht is. Hij zegt : ,,De religieuse eros drijft er ons toe het Woord Gods als in een boek gevangen te beschouwen en van dit bijbelboek te zeggen : dit is het Woord Gods ; elk woord en elke komma daarin is letterlijk door God ingegeven en geïnspireerd !" (blz. 65). Dit is weer zo'n pathetisch geladen spreekwijze, welke zich tegen hemzelf keert.
Vooreerst wagen wij het niet om te bazelen over de Voorzienigheid Gods, die waakt over Zijn Woord en over alles gaat, zó zelfs, dat geen musken ter aarde valt buiten Zijn Wil. God, die de Zijnen beveelt Zijn Woord te bewaren en ze gelukzalig prijst, die zulks do'en, heeft niet nagelaten te profeteren, dat Zijn Woord zijn loop zal hebben en als een levend Woord ons zal oordelen. Hoe zal dat anders zijn, dan in de gestalte, waarin Hij ons dat Woord heeft gegeven ?
Wij vragen, kan de kerk, kan de wetenschap, met dat Woord handelen buiten Zijn Voorzienigheid om ? Is het buiten Zijn bestel, dat wij dat Woord hebben in Schrift en afschrift, in verschillende handschriften en vertalingen, ja, in de strijd met allerlei machten en geesten ? Kan dat alles er iets aan veranderen, dat het Zijn Woord is en blijft ? En dat het in de wereld gezonden is om te doen wat Hem behaagt ?
Wie is bij machte de gangen des Woords in alle wederwaardigheden der geschiedenis te bevroeden ? Het Woord is openbaar, maar Zijn gangen zijn verborgen voor ons oog, zelfs in ons eigen hart, tenzij de Heilige Geest ons in Zijn verborgenheid inleidt en het menselijk gebazel over het Woord wordt beschaamd tot aanbidding en gehoorzaamheid.
De strijd tegen een z.g.n. letterlijke inspiratie met de komma's en de punten er bij, is naar de vorm bovendien een spiegelgevecht, om de eenvoudige reden, dat dit enige zin zou hebben, indien er autographa, oorspronkelijke handschriften, van de profeten waren. En ook dan nog zouden wij de gegevens missen om de letterlijkheid te controleren, omdat wij in het openbaringsgeschieden, zijnde Gods doen bij de profeet, niet vermogen in te dringen. Evenmin kunnen wij indringen in de arbeid der Voorzienigheid Gods met het door de profeten overgeleverde Woord in de geschiedenis.
Dat zijn verborgenheden, welke ons verstand te boven gaan, doch welke alleen in het geloof haar kracht en waarheid bewijzen.
Hierbij is geen sprake van een gevangenneming van God, of van Zijn Woord, juist, omdat het een zaak des geloofs is. Als er van gevangenneming sprake mag zijn, is het veeleer andersom, n.l. dat het Woord ons gevangen neemt.
Als God tot Zijn profeten, gesproken heeft — gelijk wij geloven en belijden, dan is het veeleer goddeloos dat gesproken Woord Gods in zijn overgeleverde gestalte als een dode letter en werkeloze gestalte te beschouwen. Dit zou onderstellen, dat enige gestalte in de schepping, iets op zichzelf zou kunnen zijn. Dit nu is wel ganselijk in strijd met dat Woord, hetwelk aan alle ding gestalte geeft, terwijl de Christus getuigt : ,,Mijn Vader werkt altijd en Ik werk ook". Hoe eepstemming met de leer der schepping, de en onderhoudende hand Gods bestaan, enige gestalte van enig ding, op zich zelf kunnen bestaan. Het is dan ook veelmeer in overeenstemming met de leer der schepping, de openbarende werkzaamheid Gods niet los te maken van de gestalten, welke God zelf daaraan geeft.
En, indien men redeneert en doet, alsof de dingen op zichzelf en zonder de scheppende en onderhoudende werkzaamheid Gods konden bestaan, is dat goddeloos. Men onttrekt op die wijze de wereld niet alleen aan Gods almacht, maar wat op zichzelf zou kunnen bestaan, moet ook gans en al onafhankelijk van God zijn. Het is juist de leer der schepping, welke ons onderricht van onze algehele afhankelijkheid van de enige en waarachtige God.
De gruwel der zonde komt allermeest daarin tot uiting, dat wij — ondanks onze steile afhankelijkheid van de Majesteit Gods — Hem wederstaan en doen, alsof wij ons zelf leven. De Heilige Schrift leert zeer uitdrukkelijk: Niemand leeft zich zelven en niemand sterft zich-zelven. (Rom. 14 : 7). Daarom wachte men zich voor redeneringen, die God op non-actief zetten.
Zo heeft God ook aan Zijn Woord gestalte gegeven. Dat wil ganselijk niet zeggen dat het Woord in die gestalte opgaat, zodat het daarin opgesloten zou zijn. God echter heeft gesproken tot de mens en daarin reeds heeft Zijn Woord gestalte aangenomen in de gelijkenis van de menselijke taal. Hij heeft geboden dat Woord te bewaren. Dit gebod reeds zegt, dat God over dat Woord in de gegeven gestalte waakt. Hoe anders zouden wij het kunnen bewaren, wij, die aan de gestalte gebonden zijn ?
Ook de gestalte van Gods Woord kan op zich zelf niet zijn. Deze voor niets en werkeloos te houden, is even dwaas als te menen, dat enige gestalte van enig ding op zich zelf zijn kan.
Juist, omdat God de Eeuwige is, kan Zijn Woord ook in de gestalte, welke het aanneemt in de gelijkenis van de menselijke taal, niet werkeloos zijn. Het is en blijft ook zó Gods Woord, hetwelk alles doet, waartoe het is gezonden.
En — dat doet het Woord in een wereld, die door de God des Woords werd geschapen en wordt onderhouden en geregeerd.
Wat en hoe dat Woord werkt, kan geen mens doorgronden. Dat ligt in het vrijmachtig bestel Gods.
't Is een armoedige vrijheid Gods, welke prof. V. N. in navolging van K. Barth verdedigen wil, als hij aan God de vrijheid toeschrijft om de menselijke gestalte van Zijn eenmaal gesproken Woord, of nauwkeuriger — van het menselijk getuigenis van een eenmaal gesproken Woord — als het Hem behaagt nu en hier te gebruiken om Zijn genade bekend te maken.
Op deze wijze wordt Gods spreken tot een gebeurtenis nu eens en dan eens beperkt. Dat noemt men een opkomen voor de vrijheid Gods, n.l. tegenover de gestalte der Openbaring, (blz. 67). Vrijheid betekent hier zoveel als niet gebonden aan de gestalte. God moet wel vrij blijven tegenover de gestalte Zijner openbaring, omdat de gestalte als zodanig niet verraadt, dat zij de gestalte van Gods openbaring is, (blz. 67)
Zulk een conclusie ontleent haar kracht derhalve aan onze blindheid en traagheid om te verstaan.
Hoe anders zou Christus de Emmaüsgangers verwijten : gij onverstandigen en tragen van hart, om te geloven hetgeen door de profeten gesproken is. (Lukas 24 vs. 25). Als de Heere Christus er zo over dacht als prof. v. N., zou Hij zulk een verwijt niet hebben kunnen doen.
Wanneer wij de gestalte der openbaring losmaken van de openbaring, doen wij — op zijn zachtst uitgedrukt — iets onbehoorlijks, dewijl de gestalte niet zijn kan zonder Gods werkzaamheid. Hij heeft Zijn openbaring alzo gegeven en gebiedt ons Zijn Woord alzo te bewaren. Wij zijn toch niet bij machte Gods Woord te bewaren zonder gestalte ?
Prof. v. N. beweert, dat God door middel van een aardse gestalte zich openbaart en dat „doormiddel van" betekent „in weerwil van". In de grond der zaak wordt het wonder der schepping en der openbaring hierdoor ontkend. Want iedere gestalte in de wereld van Gods schepping is een wonder en onbegrijpelijk.
Het is juist één van de kenmerken van ons zondig bestaan, dat wij de gestalte der dingen losmaken van de wondere werking der scheppende Majesteit Gods.
Op deze wijze wil prof. v. N. tot de stelling komen, dat Gods openbaring in aardse gestalte altijd ook verberging betekent, (blz. 67). Dat raakt dan aan het eigenlijke kernpunt van de leer van zijn leermeester : openbaring in de verborgenheid.
Barth wil niet van geopenbaardheid weten, zegt prof. v. N. Hij noemt dat profaniseren. Als voorbeelden wordt gewezen op de Lutherse Avondmaalsleer en op de ark in het leger der Filistijnen, die riepen : God is in het leger gekomen ! Filistijnen en Israëlieten vereenzelvigen God met het teken.
Dit is inderdaad heidendom en Israël werd daarvoor bezocht en ondervond de straf Gods.
En toch kan hierin allerminst een bewijs liggen voor de stelling van prof. v. N. Men kan in het algemeen zeggen, dat het pantheïsme God vereenzelvigt met het schepsel, of, zoals Calvijn zegt, met de laagste Zijner ordeningen. En nochtans zegt diezelfde Calvijn, dat men op vrome (d.i. Godvruchtige wijze kan zeggen, dat de natuur God is, omdat hij overal in de schepping de tekenen van Gods heerlijkheid schouwt.
Prof. V. N. verliest klaarblijkelijk de onderscheiding van de profetische leer en het Israëlietisch volksgeloof uit het oog.
Hoe waakt God over Zijn eer, als bij de terugvoering van de ark Zijn heiligheid niet in acht wordt genomen !
Hoezeer God over de gestalte Zijner openbaring waakt, blijkt ook uit Zijn woord tot Mozes : „Zie toe, dat gij het maakt, naar het voorbeeld, dat Ik u getoond heb". Dat geldt voor de ganse tabernakel en de dienst des heiligdoms. En zou dat dan niet gelden voor het profetische Woord ?
Wel blijkt uit het voorbeeld, door prof. V. N. aangehaald, dat de mens zich aan de gestalte der openbaring bezondigen kan, doch dit wordt niet voorkomen, als men de gestalte losmaakt van de openbaring, alsof zij op zich zelf niets ware dan een instrument, waarvan God zo nu en dan eens gebruik maakt, als Hij dat verkiest. Ook de gestalte der openbaring is en blijft in Gods hand, zowaar Hij de Schepper is en alle dingen door het Woord zijn gemaakt.
Zo waarlijk het ganse werk der schepping en openbaring uit de wil Gods en Zijn heilig voornemen is, zo waarlijk staan wij voor een goddelijk overwogen en opzettelijk alzo geschieden. Wij wijzen nogmaals op Christus' woord tot de Emmaüsgangers : dat het alzo geschieden moet, zoals het door de profeten gesproken was. (Lukas 24).
Wie wil beweren, dat de aardse gestalte der openbaring altijd ook verberging Gods is, zou daarmede tevens" beweren, dat God zich in de gestalte opzettelijk verbergt.
Wij willen daartegenover geenszins beweren, dat God Zijn aangezicht nimmer verbergt, doch ook daarin is nog openbaring van Zijn toorn over de afval en de zonde, over de ontrouw en ongerechtigheid van Zijn Zijn volk. Dat echter is geheel iets anders dan dat God zich in Zijn openbaring verbergt.
Deze redenering wil zich stellen tegenover de vereenzelviging van God en de gestalte Zijner openbaring, zoals wij hebben opgemerkt. Op zichzelf is dat zeer prijzenswaardig, want daarin komt het goddeloos karakter der zonde uit, dat de mens als God wil zijn en dat hij de heerlijkheid des onverderfelijken Gods verandert in de gelijkenis eens beelds. (Rom. 1 vs. 23).
Doch de Schrift zegt niet, dat God zich in het werk van Zijn schepping verbergt, integendeel. Zij zegt, dat het kennelijke Gods uit de schepselen wordt verstaan en doorzien. En dat is voor iedereen duidelijk. Men zou immers de heerlijkheid Gods niet kunnen veranderen in de gelijkenis van een beeld, indien zij in de schepselen verborgen was.
Daarom moet ook het begrip zonde, waarvan de nieuwe leer uitgaat, anders bepaald zijn dan ons in de Heilige Schrift wordt geleerd. Zij toch is in deze wereld, in deze schepping Gods, ingekomen. Zonder kennis van God in deze wereld is zelfs de zonde onverklaarbaar en zou zij haar karakter van rebellie tegen de enige en waarachtige God inboeten.
Het is ook niet juist, Gods openbaring eenzijdig als een daad van genade te zien. Zelfs als de nieuwe leer de Godsopenbaring alleen tot de vleeswording des Woords wil beperken, komt het vleesgeworden Woord haar tegen, als Christus zegt: „Meent niet, dat Ik gekomen ben om vrede te brengen, maar het zwaard !" Niet ten onrechte belijdt Zijn kerk, dat Hij komt om te oordelen de levenden en de doden. En als Hij zegt, dat wij door het Woord zullen geoordeeld worden, dan wijst dit op een blijvende en door de historie heengaande werking van het Woord in de gestalte der openbaring, waarin dit de geslachten der aarde zal hebben aangesproken.
Als er geen zonde is, is er geen oordeel. De zonde is echter niet, als er geen openbaring is. Daarom zegt Paulus : „opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn".
Zo worden wij uit de openbaring Gods geoordeeld. Ja, uit hetgeen tot ons gekomen is, het geopenbaarde, zullen wij geoordeeld worden.
Als de openbaring verberging is, hoe kan dan de zonde in de wereld gekomen zijn, en hoe kan een God, die zich verbergt in Zijn openbaring, zeggen, dat zij .niet te verontschuldigen zijn ? De verberging Gods ware onze verontschuldiging.
Deze leer van de vrijheid Gods tegenover de gestalte Zijner openbaring, zo zij ingang vindt, moet noodwendig leiden tot de practijk van de vrijheid en ongebondenheid van de mens tegenover de gestalte der Godsopenbaring. Terwijl de profeet roept tot de Wet en de getuigenis, wordt door deze leer de binding aan het geschreven Woord weggenomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's