De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

IN KORTE TREKKEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

IN KORTE TREKKEN

6 minuten leestijd

De Hervormde Kerk en de Indonesische kwestie

Eén en andermaal heeft de Synode zich over het Indonesisch vraagstuk uitgesproken. Zij deed dit o.a. in een schrijven van 22 Sept. j.l. aan de Raad van Ministers. Deze brief, die door het Moderamen van de Synode in verband met de spoed, die men meende te moeten betrachten, verzonden werd, voordat de Synode zelf er kennis van kon nemen, droeg het karakter van een dringende waarschuwing tegen een toen nog onzekere hervatting van de politionele actie.

Het betreffende schrijven wordt naar mijn mening vooral gekenmerkt door de overtuiging, dat „het vrijheidsstreven in Indonesië beschouwd en begrepen moet worden in het licht van de bewustwording van de volken van Azië" en dat ,,het ontwaken van Azië een nieuwe periode in de historie der mensheid betekent". „Een oplossing van de problemen, die door geweld van wapenen zal worden gevonden, zal dan ook" — zo zegt de brief verder — ,,onvermijdelijk mede een bron van zeer grote toekomstige moeilijkheden worden. Daarbij is in het bijzonder aan Kerk en Zending gedacht. Voor beide zal aldus het schrijven aan de Raad van Ministers — ,,een eventuele gewapende oplossing van het huidig conflict leiden tot een menselijkerwijs gesproken, onoverkomelijke en catastrophale verwijdering met de Indonesische bevolking". Het stuk eindigt dan met een beroep op hen, aan wie het gebruik van machtsmiddelen toevertrouwd is om te waken en op te treden tegen misbruik van macht : ,,Nederland vermijde met beslistheid al datgene, waartegen het zich in de loop van haar geschiedenis met zo grote zedelijke ernst heeft verzet".

Er is over dit schrijven nogal één en ander te doen geweest. Het is de vraag, of de kerk er door ,,in beweging" gebracht werd, maar in ieder geval kwamen de pennen in beroering. Sommige bladen betoonden zich dainkbaar, hoewel soms ook nog niet voldaan, terwijl er in andere scherpe critiek, zowel op de totstandkoming van deze brief als op de inhoud daarvan geleverd werd.

Het schrijven is immers, om met de totstandkoming te beginnen, door het Moderamen van de Synode verzonden, voordat de Synode zelf in vergadering bijéén kwam en zich over die brief uitspreken kon. Het Moderamen werd n.l. overtuigd, dat een hervatting van de politionele actie aanstaande was en meende, nu er gevaar in oponthoud was, niet langer te mogen wachten en verzond het stuk, dat opgesteld was door een commissie, al eerder daartoe door de Synode benoemd. Die gang van zaken heeft de vraag doen opkomen, in hoeverre nog gezegd kon worden, dat de Generale Synode een brief aan de Raad van Ministers heeft gezonden, wanneer die Synode achteraf verneemt, dat zulks door het Moderamen reeds is gedaan. Een tweede vraag is, of de classicale vergaderingen hierin niet gekend hadden moeten worden. Men kan daartegen inbrengen, zoals dr. Streeder in. de Kroniek van ,,de Gereformeerde Kerk" doet, dat de kerk dan nimmer in staat is te handelen, wanneer de omstandigheden dat eisen, maar toch onderstreep ik graag zijn oordeel ,,dat een schrijven of uitspraak aan kerkelijk gezag wint, wainneer de kerk in al haar breedte daarin gekend of gehoord is". Vooral ook lijdt het m.i. geen twijfel, dat het presbyteriale karakter van onze kerk met een dergelijke gang van zaken niet gediend is.

Terecht heeft de Synode het beleid van het Moderamen niet aanvaard, dan nadat uitgesproken was, dat deze gang van zaken geen antecedent betekende, waarop men zich later, wanneer zich weer soortgelijke gevallen mochten voordoen, zou kunnen beroepen. Het is evenwel zeker niet van belang ontbloot, wanneer de kerkeraden en classicale vergaderingen daar, zoals in het ,,Kort Commentaar" van de ,,Gereformeerde Kerk" gevraagd wordt, nog eens uitdrukkelijk op wijzen.

Naast deze bezwaren tegen de totstandkoming van de brief, zijn er vooral ook bedenkingen tegen de inhoud aan te voeren. En met reden , — meen ik. Wat er alzo over deze zaak gezegd en geschreven is, heeft me versterkt in de mening, dat dit schrijven onaanvaardbaar is, omdat het al te eenzijdig uitgaat van een bepaalde visie op de verhouding van Nederland en Indonesië en te weinig naar Schrift en belijdenis tegenover de overheid getuigt van de roeping, die haar ook t.a.v. deze zaken van Godswege is opgelegd.

Het vraagstuk van genoemde verhouding wordt immers in deze brief vrijwel uitsluitend gezien in het licht van de ontwaking van Azië. Dat er van een ontwaking der Aziatische volken sprake is, zal wellicht niemand ontkennen. De vraag is wèl, of wij daaruit nu de conclusie moeten trekken, dat de Westerse volken nog maar één ding hebben te doen, n.l. zich zo spoedig mogelijk uit Azië terugtrekken en de verantwoordelijkheid terstond en zonder meer overgeven aan de tot zelfstandigheid ontwaakte volkeren, zoals naar veler mening de ,,koloniale" mogendheden alleen nog maar te doen staat. Ik wil daarmee niet zeggen, dat in het schrijven aan de Ministerraad deze gevolgtrekking gemaakt wordt. Maar het was wel beter geweest, dat dan ook duidelijker te zeggen. Vooral ook, omdat de beweegredenen, die tot het gezichtspunt van de ontwaking van het Oosten leiden, lang niet altijd dezelfde zijn. Velen komen daartoe door een zeker idealisme, dat het oog veelszins voor de werkelijkheid gesloten houdt. Maar laten we 't niet vergeten, dat het ook veelal door politieke overwegingen wordt ingegeven. Onmiskenbaar vormt zich naast de machtsgroeperingen van Amerika en Rusland, die steeds scherper tegenover elkaar komen te staan, een derde machtsbloc, n.l. dat van de Aziatische volkeren. Daarom is, om maar bij dat voorbeeld te blijven, de politiek van Amerika er duidelijk op gericht, om door zijn houding in de Indonesische kwestie bij de Aziatische volkeren zoveel mogelijk ,,goodwill" te verwerven, opdat het in een treffen met Rusland op z'n minst van een welwillende houding van het Aziatische bloc verzekerd mag zijn. Om dan nog maar te zwijgen van de mogelijkheid, dat achter deze politiek en de leuze van de ontwaking van Azië nog andere eigenbelangen verborgen gaan.

Maar terzake. Waarom legt het schrijven zoveel nadruk op dit gezichtspunt ? Het vraagstuk van de verhouding van Nederland en Indonesië is toch waarlijk ook nog wel onder ander licht te zien ? Er is toch ook een rechtsvraag mede gemoeid, die niet afgedaan kan worden, zoals veler gewoonte is, met de bewering, dat dit een onvruchtbaar standpunt is. De wereld, die al meer en meer het recht in de straten ziet struikelen, kon met het stellen van deze vraag wel eens meer en beter gediend zijn, dan met een idealisme, dat aan de werkelijkheid vreemd is.

En valt er ook nog niet wat meer en iets anders te zeggen over de verantwoordelijkheid, die wij voor de Indonesische samenleving dragen ? Kan deze verantwoordelijkheid niet met zich mede brengen, dat van machtsmiddelen gebruik gemaakt moet worden, n.l. om juist in het belang van de Indonesiërs rust en orde te brengen ? Naar alle waarschijnlijkheid zal dr. A. Th. van Leeuwen mij alleen al om deze vraag tot het Farizeesch ,,adderengebroed" rekenen, waarover hij in ,,In de Waagschaal" schrijft, omdat dergelijke overwegingen volgens hem niets anders zijn dan een huichelachtige camouflage van een politiek van eigenbaat en winzucht, maar hij laat daarmede toch de vraag onbeantwoord, of we dan de Indonesische bevolking maar aan de terreur en de chaos moeten overlaten.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

IN KORTE TREKKEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 maart 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's