MEDITATIE
Dienen
Maar Ik ben in het midden van u als een, die dient. Lukas 22 vs. 27 b (Lees vooraf Joh. 13 vs. 1—17)
Dienen — dat is een woord, waardoor bij menigeen verachtelijke bijgedachten worden opgewekt. Het klinkt in veler oren vernederend, als van een meisje gezegd wordt, dat zij gaat dienen. De meesten willen de naam dienstbare niet meer dragen.
Nog erger is het, dat het echte dienen inderdaad als een schande wordt beschouwd. Hoevelen weigeren het bewijzen van een dienst aan de gemeenschap. Dienstweigeren, staken, is in de mode !
Dit behoeft ons echter niet te verbazen. Immers de natuurlijke mens heeft geen lust om te dienen, maar zijn hart gaat er naar uit om over anderen te heersen. Sommigen tonen dat in het groot, doordat zij hele volken aan zich weten te onderwerpen. Bij de meesten is het zó, dat ze het niet verder brengen dan om in hun eigen omgeving de baas te spelen. Bij ons allen zit het in het bloed om te willen regeren.
Nu bezat de mens vóór de val inderdaad het voorrecht, dat hij heerschappij mocht uitoefenen over het geschapene. Maar tegelijk moest de mens gehoorzaam zijn aan God, die hem schiep. Toen de mens dit laatste weigerde, verloor hij de bevoegdheid, hem door de Schepper verleend, om te mogen regeren in koninklijke waardigheid.
De mens werd door zijn zonde een slaaf, een onderworpene.
Maar hij verbeeldt zich na zijn val nog werkelijk, dat hij wel heersen kan. Daarom probeert hij zijn gezag over anderen te handhaven en leiding aan anderen te kunnen geven, zonder dat hij inziet, het recht hiertoe te hebben verloren. Want de Heere Jezus zegt zelf vlak voor het woord, dat we hierboven neerschreven, dat onder de heidenen de koningen der volken over hen heersen en die macht over hen hebben, worden weldadige heren genoemd. Maar, zo laat Jezus er op volgen : „Alzo zal het onder u niet zijn, want de meeste onder u, die zij gelijk de minste en die voorganger is, als een, die dient".
Daarbij wijst Jezus op zijn eigen voorbeeld, zoals Hij het bij het laatste Pascha in de practijk heeft gebracht. Toen heeft de Heiland immers aan zijn discipelen het voorbeeld gegeven door het minste slavenwerk te willen doen. Hij heeft hun aller voeten gewassen, om het zo te laten zien, dat Hij gekomen is om te dienen en niet om te heersen.
Krachtens Zijn goddelijke afkomst had Hij het volstrekte recht om te heersen over alle schepselen. Hij was mede werkzaam bij de schepping der wereld en alle dijngen zijn door Hem gemaakt. Daarom is Hij het waardig, dat allen .aan Hem zich onderwerpen. Schrijft de apostel Paulus niet van Hem, dat Hij het geen roof behoefde te achten om Gode even gelijk te zijn ? Hij mocht delen in de macht en de majesteit van het Opperwezen. Maar komende in de wereld, heeft Hij die hemelse luister prijsgegeven om te verschijnen in de gestalte van een dienstknecht. Daarom is Hij niet met koninklijke praal door de wereld gegaan, maar Hij ging langs de weg in het arbeiderskleed. Hij was veracht en de onwaardigste onder de mensen. Schijnbaar niet bestemd om als Koning te heersen, doch om als Knecht te dienen.
In dat teken stond Zijn hele leven. Als de mensen, tot wie Hij sprak, honger hadden, diende Hij hen met brood. Waren er zieken op Zijn weg, Hij boog zich over hen heen om genezing te schenken. Voor iedereen stond Hij klaar om te kunnen dienen.
Nooit is het Hem te veel, om hulp te verlenen. Nimmer wachtte Hij te lang.
Een enkele bede, een zucht zelfs, was genoeg om Zijn aandacht te trekken. Hoe keek Zijn liefdevolle oog rond om te speuren naar hen, aan wie Hij een dienst kon bewijzen.
Er is zelfs geen spoor van onwil bij Hem in het dienen. Nooit kwam een ongeduldig woord over Zijn lippen. Nergens toont Hij zich verstoord. Al komt Nicodemus midden in de nacht, al stoort de Samaritaanse vrouw Hem tijdens de rust. Hij is gereed om te dienen en te helpen.
Hoe weinig werd dit dienen van Jezus in zijn dagen gewaardeerd. Velen, die door Hem geholpen zijn, heten later niet meer van zich horen. Denk aan de negen melaatsen. De man, die acht en dertig jaren ziek gelegen had, haastte zich zelfs om het aan Jezus' vijanden mede te delen, dat het Jezus geweest was, die hem op de Sabbath had genezen, ofschoon hij weten kon, dat die vijanden dit Jezus kwalijk namen.
Echter, dit alles heeft de Heiland niet weerhouden om Zijn liefdediensten te bewijzen tijdens Zijn leven, maar ook in het sterven. Want uit liefde geeft Hij zichzelf,
om gehoorzaam te zijn tot de dood, ja, tot de dood des kruises. Als de Knecht des Heeren is Hij volmaakt dienstwillig om het Middelaarswerk te volbrengen. Daartoe is Hij gekomen om door Zijn dienen zondaren te redden en zalig te maken.
Niet alleen Zijn leven besteedt Hij om te dienen, maar ook in Zijn sterven is Hij bezig om te dienen door Zijn leven te geven aan het kruis. Hierbij komt echter ook weer de onwilligheid van het mensenhart openbaar. Want gelijk velen tijdens Jezus' leven op aarde niet van Hem gediend waren, zo zijn er ook nu tallozen, die niet van een dienende Heiland willen weten.
Immers, daardoor komt de trots van de natuurlijke mens weer op andere wijze in 't gedrang. Want ofschoon wij geheel afkerig zijn van het dienen, in welke vorm dan ook, meent de mens toch door zijn eigen dienen wel iets aan de zaligheid te kunnen bijdragen in onze hoogmoed stellen we 't ons voor, dat wij door onze diensten aan God en aan de mensen de zaligheid wel geheel of gedeeltelijk kunnen verdienen. Niet zelden merken wij dat zo op bij hen, die aanvankelijk zijn stilgezet op de levensweg. Hoe is er dan in het eerst de gedachte, dat wij door ons dienen God kunnen behagen. Was er vroeger een dienen van de wereld en van de zonde, dat zal voortaan anders en beter gaan. Hoe moet het dan nog worden geleerd, dat niet wij door ons dienen, maar Christus door Zijn dienen de zaligheid bewerkt.
Hij moet voor ons zijn als een, die dient, om zo onze zonden te verzoenen en ons voor eeuwig te redden.
Hebt u zo die dienende Christus al nodig gekregen om zalig te worden ? Hoe moesten ook de discipelen door Zijn goddelijk onderwijs hierin onderricht worden. Zij waren allen, stuk voor stuk, nog zo onwetend in al deze dingen. Vlak voor de maaltijd, waaraan Jezus met hen aanzat toen Hij deze woorden sprak, waren zij onder elkaar aan het twisten, wie van hen de meeste zou zijn. Maar Jezus laat het hen horen en voelen, dat Hij nochtans voor hen wil zijn als een, die dient, om ook hen te redden en zalig te maken.
Welnu, zo wil Hij altijd in alle dingen nog werkzaam zijn om door Zijn dienende liefde zondaren te redden uit de dienstbaarheid der verderfenis. Nog is Hij bezig om door Zijn Geest te arbeiden in zondaarsharten om uit te roeien alle heerszucht en eerzucht. Nog laat Hij Zijn gezanten uitgaan om Zijn dienst. Zijn werkelijke ,,goede" diensten aan te bieden en te doen betuigen : Laat u met God verzoenen !
Hoe heerlijk is het dan om, door Zijn dienst verzoend zijnde, ook in de weg der heiligmaking Hem gelijkvormig te zijn. Dan zijt ge waarlijk een Christen, als ge ook in het midden der mensen zijt als een, die dient.
Niet, dat ge dit ooit volbrengt in eigen kracht. Maar door de kracht, die de Heere verleent, is het zo zalig, te mogen dienen in het Koninkrijk Gods. Dan is het echt een erenaam om ,,Dienaar" te mogen heten." Dan is het werkelijk een eervolle taak om diensten te kunnen bewijzen.
Daarop wijst de Heere Jezus ook bij de voetwassing : Ik heb u een voorbeeld gegeven, opdat, gelijkerwijs Ik u gedaan heb, gij óok doet. Ja, zo moet het leven staan in het teken van de dienst' aan God en de naaste.
Velen in vroeger en later eeuw hebben zo geleerd Christus in Zijn dienen te volgen. Hoeveel diensten hebben echte Christenen bewezen in de zorg .voor de zieken, de melaatsen, de blinden, de krankzinnigen. Hoe zijn ook vele dienstknechten in Gods Koninkrijk sieraden geweest, omdat zij niet zichzelf predikten, maar Jezus Christus als een, die dient. Zichzelf konden zij niet anders noemen dan : Uw dienaren om Jezus' wil.
Waar zó de liefdedienst, die nooit verdrieten zal, mocht worden vervuld, daar blijft het besef : ,,Wij zijn onnutte dienstknechten. Wij deden slechts, wat wij schuldig waren te doen !"
Dan is het er ver vandaan om met de bewezen diensten te koop te lopen. Integendeel, de vrees kan er zelfs zijn, dat het dienen nog tezeer geschiedt voor eigen eer of met andere bijbedoeling. Dan is ook ons dienen nog in ons eigen oog met zonde bevlekt. Maar dat houdt ons ootmoedig om van de dienende Heiland goddelijk onderwijs te begeren :
Leer mij, o God van zaligheden. Mijn leven in Uw dienst besteden.
(Ermelo)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's