IN KORTE TREKKEN
De Hervormde Kerk en de Indonesische kwestie
II. (Slot).
Betekent het feit, dat het schrijven aan de Raad van Ministers juist dit laatste gezichtspunt buiten beschouwing laat, een afwijzing daarvan ? Dan mocht toch wel duidelijk gemaakt worden, waarom. Is die gedachte onschriftuurlijk ? Of in strijd met de belijdenis ?
Deze vragen klemmen temeer, omdat de Synode zich eerder, n.l. 9 Maart 1946, in een Boodschap over de Indonesische kwestie wèl in die richting uitgesproken heeft. We lezen daar o.a. : ,,Evenwel — en dit is de tweede richtlijn Nederland kan onmogelijk tot Indonesië staan in een verhouding als die elkander willekeurig volk in de wereld als deel van de volkerengemeenschap tot Indonesië heeft. Nederland is een bijzondere deelgenoot in het lot van de tot nog toe door haar overheerste of geleide naties. Wij zouden ons karakter, een christelijk volk te zijn, verlochenen, wanneer wij zonder meer de opdracht, die ons in de historie toeviel, zouden prijsgeven. Is het naar de wil van Gods besluit, dat wij wijken voor de aanspraken van de tot zelfstandigheid ontwakende volkeren, het is naar onze overtuiging naar de wil van Gods bevel, dat wij daardoor onze geestelijke roeping geenszins voor opgeheven houden. Integendeel, ondanks de vele moeiten, aan de overgang naar een nieuwe status verbonden en bij de snelle aanwas van de jongste regeringsproblemen, hebben wij; als Kerk en als volk, ons voor ogen te stellen, dat er een werk gewrocht is, dat in menig opzicht om voortzetting en voleindiging roept. (Cursivering van mij).
In het ,,Kort Commentaar" van ,,de Gereformeerde Kerk" wordt dan ook de vraag opgeworpen, of de kerkeraden niet goed zullen doen, wanneer zij bij de Synode informeren of zij soms teruggekomen is op deze boodschap van Maart '46. Vooral nu in de Verklaring, die de Synode op 14 Januari 1949 na de hervatting van de militaire actie gaf, ,,deze passage op geen enkele wijze meer terug te vinden is". Want, inderdaad, die Verklaring lijdt aan dezelfde eenzijdigheid. Ds. Landsman moge, wanneer hij in ,,De Hervormde Kerk" deze Verklaring toelicht, schrijven : ,,De overheid heeft tot taak, ruimte te maken voor de verkondiging van het Woord Gods. Dit Woord wil in vrijheid worden gepredikt en in vrijheid worden aanvaard, of . . . . . verworpen. Maar de ware vrijheid veronderstelt orde en recht. In het scheppen en handhaven van deze orde en van dit recht, ligt de meest wezenlijke opdracht van de overheid".
Ik moet zeggen, dat ik zowel in het schrijven van Sept. 1948 als in de Verklaring van Januari '49 een positieve omschrijving van deze roeping van de overheid mis. Of moet ik deze vinden in de betuiging dat alle verhinderingen behoren te worden weggenomen, welke een vrijwillig en zelfstandig samengaan van Nederland en Indonesië in de weg staan". En voorts, dat „met verzaking van het eigenbelang, moet alles wat mogelijk is, door het Nederlandse volk en zijn Regering in het werk worden gesteld,om door een onverkorte en royale vervulling van de gegeven belofte het vertrouwen hij de Indonesiërs, ook in de Republiek, te herstellen".
Dat is zeker iets. Maar wat ds. L. schrijft is toch, dunkt me, iets anders, en wat de belijdenis omtrent de roeping der overheid zegt, is wel wat meer : zij is van Godswege verplicht het hare te doen, opdat de ongebondenheid der mensen bedwongen worde en het alles met goede ordinantie onder de mensen toega".
Persoonlijk ben ik geneigd deze eenzijdigheid in brief en verklaring toe te schrijven aan het feit, dat aangevoerd is om de ongewone gang van zaken bij de totstandkoming van het schrijven aan de Ministerraad te rechtvaardigen, n.l. dat in die tijd de kerken van Indonesië met bijzondere nadruk op een woord van de Nederlandse Hervormde Kerk wachtten. Ik vrees, dat deze omstandigheid niet alleen de spoed, waarmede dit schrijven is verzonden, maar ook de inhoud heeft beinvloed.
Mogelijk is dat ook het geval met de Verklaring van Jan. j.l., waarin de Synode uitspreekt de verklaring van de Regering omtrent het optreden tegen de Republiek volkomen ernstig te nemen. Dr. Van Leeuwen rekent haar daarom feitelijk ook al tot het adderengebroed, dat met mooie woorden de lelijke zaak van een koloniaal beleid zoekt te rechtvaardigen. Ik meen, dat we er dankbaar voor kunnen zijn, dat de Synode dit althans gezegd heeft. Het komt me echter wel voor, dat veel van de betekenis daarvan verloren gaat, wanneer daarna de houding van de kerk met de volgende woorden als een van „critisch volgen" wordt getekend: ,,Wanneer onverhoopt onze Regering van de gedragslijn kan afwijken, die zij in vele verklaringen der laatste weken tot de hare gemaakt heeft, zullen wij, gebogen onder onze eigen schuld, als Kerk ons geroepen weten onze stem te verheffen".
Afgedacht van de vraag, of de Synode, die slechts met smart over haar verlegenheid en onvermogen tot deze Verklaring kwam, nu al overtuigd is, dat zij, wanneer de Regering onverhoopt van haar gedragslijn mocht afwijken, dan wèl zal kunnen spreken, deze zinsnede moet wel de indruk wekken, dat men hier toch min of meer weer de Regering afvalt.
Met instemming haal ik het oordeel van dr. Streeder.in ,,De Gereformeerde Kerk" aan : ,,Geeft de regering (onverhoopt) aanleiding, dat zij haar beloften en het koninklijk woord niet zal nakomen ? Dit kan niet gezegd worden, maar dan is. het ongeoorloofd dit in een publieke verklaring te gaan veronderstellen, en daaraan een dreigement toe te voegen. Is dit a slip of the pen ? Ongetwijfeld heeft de Generale Synode de opdracht ,,tegenover overheid en volk te getuigen van het Evangelie van Jezus Christus". Dat kan betekenen, dat zij haar stem tegen bepaalde overheidsmaatregelen te verheffen heeft. Dan heeft zij te protesteren, maar dan moet de aanleiding daartoe ook een feit zijn. Dan heeft zij te getuigen ,,in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift en staande op de bodem der belijdenisgeschriften". Van Christus staat geschreven, dat Hij, toen Hij leed, niet dreigde. Hij heeft Zijn gemeente een voorbeeld nagelaten. In de kringen van de regering is men niet bijster gesticht over zulk een kerkelijke verklaring. Men beschouwt haar als een stoot in de rug. Op grond van de Bijbel moet ik zeggen : „Met recht".
Ook al hebben toelichtingen en de reis van de preses en scriba van de Synode naar Amerika, om de verkeerde indrukken weg te nemen, die door het schrijven aan de Ministerraad gewekt waren, meer begrip gegeven van hetgeen de Synode tot deze Verklaring bewogen heeft, het karakter van het stuk is daardoor niet veranderd. Misschien kunnen we er juist uit opmaken, hoezeer de eenzijdige instelling van het schrijven zich reeds gewroken heeft.
Maar de notities mogen dan vluchtig zijn, zij beginnen zeer zeker ook lang te worden. Ik zal moeten eindigen, al valt er nog wel wat op zeggen over het merkwaardige feit, dat het Persbureau van de Ned. Herv. Kerk deze Verklaring aan de pers doorgegeven heeft in, een verkorte vorm, waarbij de eenzijdigheid wel zeer bedenkelijk uitkwam.
Misschien was het ook wel zaak om de vraag te stellen, waarom de Synode ondanks veel onzekerheid, toch een verklaring gegeven heeft. Het zou evenwel thans te ver voeren.
Ik mag echter niet laten dit artikel te besluiten met de opmerking, dat wij hier wachten op een woord over de roeping van de overheid, zeer concreet ook in Indonesië. Een woord, dat gegrond is niet in een bepaalde visie op het wereldgebeuren, maar óp het Woord des Heeren. Ook hier geldt : Tot de Wet en de Getuigenis, en anders geen dageraad. Een woord, dat ons die roeping mede voorstelt in overeenstemming met de belijdenis. Men moge het misschien ouderwets vinden, om hier art. 36 der Ned. Geloofsbelijdenis in deze kwestie aan te voeren. Er staat waarlijk nog wel wat in, dat de moeite waard is om gehoord en overdacht te worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 maart 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's