De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Nog eens Gereformeerden en Confessionelen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Nog eens Gereformeerden en Confessionelen

9 minuten leestijd

Het volgende schrijven gewerd ons vanwege de Vereniging „Kerkelijk Leven" te Ede.

Wij hebben reeds gereageerd op een voorgaand schrijven en zijn niet gewoon „Ingezonden stukken" te plaatsen.

Bovendien hebben wij ons nagenoeg op alle punten van dit schrijven uitgesproken. Aangezien het echter de bedoeling van de Edese Heren schijnt geweest te zijn onze mening op bepaalde punten te vernemen, die ook onze lezers belang inboezemen, laten wij hier het schrijven in zijn geheel volgen :

Ede, 7 Maart 1949.

Zeer Geachte Redactie,

Namens het bestuur van de vereniging ,,Kerkelijk Leven" te Ede, verzoeken ondergetekenden U beleefd om opname van het onderstaande in Uw blad.

Wij werden daarin onlangs getroffen door het artikel : ,,De ware Gereformeerde Kerk", dat prof. Severijn schreef naar aanleiding van een door hem uit het weekblad „De Gereformeerde Kerk" overgenomen artikel van ds. H. G. Groenewoud : „Kerkelijke Dictatuur".

Naar ons inzicht gaat dit eerstgenoemde artikel aan de kernpunten der kwestie voorbij, hetgeen we gaarne in het volgende toelichten.

1. Het artikel miskent in zijn aanvang de hoofdstrekking van het artikel van ds. Groenewoud. De vragen en opmerkingen, die deze in het tweede gedeelte van zijn artikel tot de genoemde ,,Bonds"-kerkeraden richt, bedoelen ongetwijfeld laatstgenoemden op te wekken tot zelfonderzoek in zake hun drijfveren (partij drijven ? overtuiging? ) om vervolgens op de consequentie van de tweede drijfveer (kiem der scheiding aanwezig) te wijzen.

2. Hoewel er inderdaad reden voor verwijten over en weer is, tussen Gereformeerde-Bonders en Confessionelen, moet o.i. bij objectieve vergelijking vastgesteld worden, dat de laatstgenoemden als geheel toch meer inschikkelijkheid te zien geven dan de eersten.

3. Het onderscheid, dat de schrijver maakt tussen de pretentie, ware kerk te zijn, en die, ware prediking te geven, lijkt ons weinig reëel. Noemt niet art. 29 der Ned. Geloofsbelijdenis als eerste kenmerk der ware kerk, de reine prediking des Evangelies ?

4. De gegeven opmerkingen over aard en karakter van de ,,Gereformeerde" en de „Confessionele" prediking staan o.i. los van de kwestie, hoe de meerderheid een minderheid in de gemeente heeft tegemoet te treden. Hier komt toch de inhoud van de prediking in het geding.

5. Wij kunnen niet nalaten de strekking van een volgende opmerking uit het artikel te beamen, welke hierop neerkomt, dat niet alle confessionele predikanten zo bevindelijk preken als de Gereformeerden lief is. De verschillende graad van bevindelijkheid der prediking is immers juist het meest kenmerkende onderscheid tussen de Confessionelen en de Gereformeerden.

Maar de persoonlijke waardering in deze mag toch geen maatstaf vormen, of een prediking op de kansel kan toegelaten worden, als dit terwille van een belangrijke minderheid in de gemeente gewenst zou zijn. We herinneren ons in dit verband een zeer duidelijk artikel va prof. Severijn uit ,,De Waarheidsvriend" d.d. 27 Febr. 1947, waarin deze de kwestie ,,Gereformeerd-Confessioneel" uitvoerig besprak.

Als er, zoals prof. Severijn in dit artikel schreef, in beginsel geen verschil van leer is tussen Gereformeerden en (overigens niet Barthiaans beinvloede) Confessionelen, dan moest er toch mogelijkheid zijn voor deze beide groepen, om ieder overeenkomstig eigen geestelijke geaardheid, in de gemeente werkelijk samen te leven en te werken.

6. Tenslotte oppert de schrijver de mogelijkheid, dat het gehalte der ,,Confessionele" minderheden in de genoemde gemeenten bij onderzoek niet 100 % zou blijken. Wij zijn overtuigd, dat prof. Severijn daarin gelijk kan hebben.

Wat de onder meer genoemde gemeente Ede betreft, kunnen we echter opmerken:

a) de nuancering bij de ,,niet-Bonders", die zich door de vereniging ,,Kerkelijk Leven" tefergeefs tot de kerkeraad gewend hebben blijft beperkt tot de rechtzinnige groepen. 

b) het is duidelijk, dat de kerkeraad aan de nuancering, die ook in deze minderheid bestaat, niet gedetailleerd tegemoet kan komen.

Er is daarom door de vereniging „Kerkelijk Leven" aan de kerkeraad niet anders gevraagd, dan in de bestaande vacature, of in een nieuw te stichten predikantsplaats één confessioneel predikant te beroepen, zonder enige nadere aanduiding wat voor soort predikant gewenst zou zijn.

Er is dus geensdeels gevraagd om een predikant, die een prediking met een andere inhoud zou brengen ; alleen om die nuancering in accentlegging en vormgeving, die door het woord „Confessioneel" wordt aangeduid.

Er kan o.i. voor, een Gereformeerde Bondskerkeraad geen principieel bezwaar bestaan, om niet althans te trachten op een aldus geformuleerd verzoek in te gaan, daar dit de kerkeraad immers geheel vrij laat om een confessioneel predikant te beroepen, wiens prediking volgens het oordeel van de kerkeraad naar de Schrift en overeenkomstig de belijdenis der kerk is.

U dankend voor de verleende plaatsruimte,

Namens het bestuur van de vereniging

,,Kerkelijk Leven" te Ede

Chr. J. Maan, voorzitter.

W. Baars, secretaris.

Klinkenbergerweg 7.

Ad 1. Het komt mij voor, dat ds. G. als hij meent, dat zijn artikel niet duidelijk is geweest, of misverstaan, zelf wel zal uitmaken, of hij nodig vindt zich nader te verklaren.

Hij zou dat dan wellicht niet doen zoals de Edese Heren, Het komt mij althans nog al vreemd voor te onderstellen, dat ds. G. zich geroepen zou achten de Bonds-kerkeraden op een dergelijke wijze tot zelfonderzoek te vermanen.

Ad. 2. M.i. kan de mate van inschikkelijkheid eerst worden beoordeeld als men het over principiële dingen eens is, zodat het gaat over bijkomstigheden.

Inschikkelijkheid komt m.i. daar te pas, waar een goede confessionele leiding is, die overigens nog wel iets te wensen overlaat voor mensen, wier ligging meer georiënteerd is naar wat men ,,Gereformeerd" noemt, zodat zij zich tevreden stellen. Datzelfde kan ook omgekeerd worden gevraagd van confessionelen onder gereformeerde leiding.

Ad. 3. De verwijzing naar art. 29 der Geloofsbelijdenis maakt het voor de Heren te Ede niet gemakkelijker, tenzij zij willen beweren, dat de prediking in de gemeente niet als zuivere prediking des Evangelies kan gelden. En zo zij dat niet willen beweren, waarom schikken zij zich dan niet onder die prediking ?

Ad 4. De opmerking hoe de meerderheid de minderheid in de gemeente moet tegemoet treden, onderstelt een weinig confessioneel kerkbegrip. Een gemeente staat op de confessie. Dat is het draagvlak des geloofs. De kerkeraad is geroepen de gemeente in overeenstemming met de confessie te regeren en te leiden. Wie tot de gemeente behoren staan onder de leiding van de kerkeraad.

Men kan het met die leiding eens zijn of niet, dat echter is geen kwestie van een meerderheid of minderheid, maar van overeenstemming of strijd met de confessie.

Ad 5. Als de schrijvers oordelen, dat persoonlijke waardering een maatstaf is voor de ,,confessionele" en voor de ,,gereformeerde" prediking, die op de kansel wordt gebracht, en dat die geen maatstaf mag zijn, dan merken wij op, dat zij met twee maten meten, als zij niet kunnen ontkennen, dat de wens der minderheid om een andere prediking op de kansel te hebben ook als persoonlijke waardering moet gelden.

Vandaar, dat wij met nadruk confessionelen en gereformeerden bij de confessie bepaalden, opdat zij elkander daarin vinden, ondanks persoonlijke waarderingen. Juist, omdat er in beginsel geen verschil van leer kan zijn tussen wie zich op goede grond confessioneel of gereformeerd noemen.

Ad 6a. Deze zinsnede spreekt niet meer van een confessionele groep, maar van rechtzinnige groepen. Daarmede gaan de schrijvers over op een standpunt, dat niet meer door de confessie bepaald wordt, maar door een maatstaf van rechtzinnigheid, welke zelfs meerdere groepen toelaat.

Onze artikelen hielden juist op de confessie aan, maar deze zinsnede wil ruimte maken voor een rechtzinnigheid, die klaarblijkelijk ruimte laat voor persoonlijke waarderingen in verschillende groepen.

Wij laten in het midden, welke de maatstaf der rechtzinnigheid is, die hier wordt aangelegd.

Ad 6b. „Kerkelijk Leven" geeft toe, dat de kerkeraad aan de nuanceringen, die in deze minderheid bestaan, niet gedetailleerd tegemoet kan komen.

,,Kerkelijk" Leven" deinst alzo terug voor het straks verdedigd principe, dat de meerderheid de minderheid in de gemeente moet tegemoet komen, want het verklaart, dat de kerkeraad niet aan de nuanceringen in deze minderheid m.a.w. aan de verschillende minderheden en haar persoonlijke waarderingen kan tegemoetkomen.

„Kerkelijk Leven" wil nu de kerkeraad tegemoet komen door te zeggen : wij begrijpen zeer wel, dat de kerkeraad aan de verschillende minderheden naar haar persoonlijke waardering niet kan tegemoetkomen, daarom vragen wij een confessioneel predikant.

Hierin is een gelukkige dubbelslachtigheid. Voor zover ,,Kerkelijk Leven" in eigen kring de vraagstukken van. de kerkeraad overweegt en een oplossing tracht te vinden, blijkt het tegenover de verschillende nuanceringen in die kring een overeenkomstige houding aan te nemen als de kerkeraad tegenover het streven van ,,Kerkelijk Leven".

De leiding van ,,Kerkelijk Leven" vraagt een ,,confessioneel" predikant.

Dat is immers hetzelfde wat de kerkeraad op zijn standpunt doet. De kerkeraad kan immers niet tegemoetkomen aan de nuanceringen der minderheden. En voor de kerkeraad is de confessionele groep immers een nuancering, terwijl de kerkeraad evengoed als „Kerkelijk Leven" weet, dat in deze vereniging nog meerdere nuanceringen zijn.

De kerkeraad brengt derhalve gereformeerde prediking op de kansel. Dat is principiëel, zoals de leiding van ,,Kerkelijk Leven" het wellicht principieel vindt een confessioneel predikant te vragen. Maar de kerkeraad is nu eenmaal kerkeraad en ,,Kerkelijk Leven" niet.

Aan de andere kant vraagt ,,Kerkelijk Leven" een confessioneel predikant, en bepleit dit als minderheid, waaraan de kerkeraad zou moeten tegemoet komen.

De kerkeraad kan op principiële grond aan deze minderheid niet tegemoet komen.

De wetenschap, dat deze minderheid in zich nog meerdere minderheden bergt, moet de kerkeraad bedachtzaam maken om een stap te zetten op het hellend vlak van minderheidsoverwegingen te laten gelden voor het beginsel.

In feite heeft ,,Kerkelijk Leven" een pleidooi gevoerd voor de gedragslijn van de kerkeraad en, principieel gezien, kan een waarlijk confessionele groep, zij moge dan een gereformeerde nuancering zijn, tegen die gedragslijn geen bezwaar maken, zonder het op te nemen voor nuanceringen, die door , , Kerkelijk Leven" nog wel ,,orthodox", maar toch niet meer confessioneel worden geheten. Dit wat de conclusie van „Kerkelijk Leven" betreft.

Dit leidt vanzelf tot onze meer aangevoerde conclusie, dat de gecompliceerde toe­stand van het kerkelijk leven vraagt om principiële overeenstemming tussen gereformeerden en confessionelen op grond van onze gemeenschappelijke belijdenis, welke nog altijd de belijdenis der kerk is.

Als dit geschrijf daartoe moge medewer­ken, zullen wij ons verheugen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Nog eens Gereformeerden en Confessionelen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's