De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE NIEUWE LEER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE NIEUWE LEER

11 minuten leestijd

Openbaring en Geschiedenis

,, Wij kunnen God niet in de geschiedenis vinden". Hij is wel in de geschiedenis, maar op een verborgen wijze, voor ons niet toegankelijk. Wij vinden daar altijd weer de deemonen". (blz. 76).

Dat lijkt zo op het zeggen van zekere natuuronderzoeker, die zeide, dat hij God niet gevonden had in de grote wereld der rondwentelende hemellichamen. Dit kan alleen te kennen geven, dat die geleerde maar heel weinig verstand had van geestelijke dingen. Men vraagt zich af, of die man nu werkelijk gedacht heeft, dat hij ergens in de wereld te midden van de schepselen een lichamelijke gestalte Gods zou aantreffen.

Het woord van prof. v. N. schijnt dezelfde gedachten op te wekken, alsof de openbaring Gods in de geschiedenis zou willen zeggen, dat men God daarin tegenkomt als een verschijnsel onder de verschijnselen. Het wordt echter nog vreemder, als hij zegt, dat wij daarin wel demonen vinden.

De apostel spreekt van geestelijke boosheden in de lucht. Dit is heel wat anders en zuiverder uitgedrukt, want demonen vinden wij ook niet als dingen onder de dingen. En als hij dan toch demonen vindt, doet zich hier een eigenaardig probleem voor.

Intussen is het van belang na te gaan, wat prof. V. N. met geschiedenis bedoelt. Hij zegt b.v., de geschiedenis; geschiedenis van menselijke daden en hartstochten, is geen openbaring Gods. Dat een vereniging van het begrip geschiedenis, welke ook als geschiedenis der mensheid moeilijk kan worden volgehouden. 

Immers, indien de geschiedenis der mensheid niet anders ware dan een geschiedenis van menselijke daden en hartstochten, zou zij reeds lang een einde hebben genomen. Daarom stelt de werkelijkheid ons voor de vraag, hoe het mogelijk is, dat de mens nog bestaat. En daarom kan men de geschiedenis ook niet bepalen, zoals prof. v. N. doet, zonder juist het voornaamste over 't hoofd te zien. Wij zullen er verder niets van zeggen.

De apostel Paulus leert ons wel wat anders. Hij ziet in de geschiedenis van het heidendom nog openbaring : .n.l. van het werk der wet in de harten. (Rom. 2 vers 14, 15).

Het begrip geschiedenis is ook overigens nog heel wat ruimer. Denken wij slechts aan de geschiedenis in haar ganse omvang, gelijk die in haar onderscheidene gebieden object van onderzoek is van ieder der faculteiten. Als wij het zo ruim nemen — en wat kan daar tegen zijn raken wij aan art. 2 van de Ned. Geloofsbelijdenis, waartegen de nieuwe leer een volkomen ongegrond bezwaar wil maken.

Het verengde begrip van prof. v. N. wordt aangevoerd tegen het z.g. historisme, het ruime begrip zou zijn ontkenning van algemene openbaring uitlokken.

Gods openbaring wordt immers uitsluitend en alleen bepaald tot de vleeswording des Woords of het vleesgeworden Woord. In verband daarmede kan hij zeggen, dat geschiedenis wel geen openbaring is, maar wel omgekeerd : de openbaring Gods is geschiedenis, (blz. 79). God is in de geschiedenis ingegaan. De openbaring Gods heet immers Jezus Christus en Jezus Christus is een mens in de geschiedenis.

Nu zou men zo zeggen, dat alleen reeds door de ingang van de Heere Jezus Christus in onze geschiedenis, deze geschiedenis tot openbaring Gods wordt.

De geschiedenis zelf getuigt daar reeds van. als zij wordt verdeeld in twee perioden : n.l. de eeuwen vóór en na Christus.

Oude en Nieuwe Testament laten heel de geschiedenis verschijnen in het licht van de openbaring van Christus in zijn vleeswording en in de voleindiging.

Men kan zeggen, dat dit een beschouwing is op grond van de bijzondere openbaring. Dat is ook zo, maar dat is nu eenmaal theologie, wetenschap der openbaring.

En nu gaat het niet op, het is zelfs verloochening van de theologie, om terwille van de bestrijding van historisme, geen recht te doen aan deze feiten. Het „historisme in de theologie", dat prof. v. N. in navolging van Barth wenst te bestrijden, is bovendien een verschijnsel, dat als Zodanig geen euvel der theologie mag heten, omdat dit historisme juist de enige grondslag der theologie miskent en geen aanspraak op de waardering van theologie mag maken.

Ook de uitdrukking van prof. v. N., dat historisme een poging is om God in de historie gevangen te nemen, wijst op een streven, dat ten enenmale vreemd is aan de echte theologie en in de grond der zaak pantheïsme.

Oud en Nieuw Testament zetten de ganse geschiedenis in het licht van de openbaring Gods in Christus, en het is het voorrecht der theologie dit te mogen zien en in de data der openbaring te mogen aantonen.

Dit kan prof. v, N. niet ontgaan zijn, maar juist daarom is het onbegrijpelijk, dat hij met een beroep op een rede van Barth van 1920, komt zeggen, dat de Bijbelse geschiedenis in het Oude en Nieuwe Testament juist geen geschiedenis is, maar van boven gezien een reeks van vrije daden Gods, van beneden af gezien een reeks van vergeefse pogingen tot een op zichzelf onmogelijke onderneming", (blz. 77).

Hier geeft de schrijver een klaar bewijs, hoezeer een mens onder de heerschappij van een hersenschim kan verkeren. Immers een reeks van vrije daden Gods is op zich zelf reeds een geschiedenis, n.l. der Godsopenbaring of van het goddelijk doen, tenzij deze vrije daden Gods geacht moeten worden niet in de geschiedenis te zijn ingegaan en geen gevolgen in onze geschiedenis te hebben gehad.

Wat hij verder aanhaalt over de onmogelijke onderneming, kan wederom niet gelden als een oordeel des geloofs, maar des ongeloofs.

Dan vragen wij, het gewone historische leven van Abraham en van heel de mensheid, gaat dat buiten de vrije daad Gods om ? Zijn al die menselijke mogelijkheden, waarvan de mannen van de nieuwe leer telkens spreken, mogelijkheden, welke haar mogelijkheid of onmogelijkheid niet danken aan vrije daden Gods ? Gaat iedere geboorte van een mens, ieder sterfgeval buiten de vrije daad Gods om ? Gaat de zon op buiten Gods bestel ?

Het is ons bekend, dat prof. v. N. heel spoedig gereed is om te zeggen, dat is philosophie. Wij merken daartegen op, dat er in de wereld geen philosophie zou zijn, indien de diepste levensvragen het menselijk hart niet beroerden en onrustig maakten.

En wij willen daaraan nog toevoegen, dat deze vragen hem niet konden beroeren, indien de mens zichzelf leefde en zichzelf stierf.

Prof. V. N. is van oordeel, dat ons de historie niets aangaat. Hij zegt althans, dat ons de historische Abraham niets aangaat, (blz. 78).

Hij wil het geloof zien als een gebeuren, dat met niets in het vlak van ons historisch leven analoog is ; het is een gebeuren, dat met niets in het vlak van ons historisch leven correlaat, samenhangend is.

Hij beroept zich daarvoor op twee argumenten : Het eigenlijke, d.i. het geloof van Abraham, is niet te vatten met de wetten der historische wetenschap, de wetten van critick, analogie en correlatie. En het andere is : geloof is immers wonder, een volstrekt nieuw begin, het werk van God Zelf ! (blz. 78).

Wat het eerste argument aangaat, kan worden opgemerkt, dat dit slechts een kwestie van beschouwing is. Over de hier genoemde wetten zou nog wel een en ander te zeggen zijn, waardoor dit argument aan objectieve betekenis verloor. Wij zullen ons daarin niet begeven, omdat prof. v. N. zo maar overspringt van de geschiedenis op de wetenschap der geschiedenis, en daaraan wijsgerige structuren verbindt van critiek, analogie en correlatie. Voor een discussie op dit gebied zouden onze lezers in het algemeen weinig belangstelling hebben.

Overigens zijn wij het nog niet eens, dat wetenschap der historie, geen verschijnselen in de geschiedenis zou aantreffen, die op een geestelijke realiteit wijzen.

Wat het tweede argument betreft, moet worden opgemerkt, dat het eigenlijk weer drie argumenten bevat het wonder, het nieuw begin, het werk van God zelf.

Wat het eerste aangaat, vragen wij : is de geschiedenis geen wonder? Is enige wetenschap er in geslaagd verklaring te geven van het leven, hetwelk zich in de veelvormigheid van de historische werkelijkheid openbaart ?

Wellicht wil prof. v. N. ook hier strijden tegen historisme, maar historisme is heel iets anders dan het feit; der historie. Prof. V. N. ziet klaarblijkelijk voorbij, dat de historie niet alleen de profane wetenschap, maar ook de theoloog voor een feitelijkheid stelt, waarvan hij zich rekenschap heeft te geven en dat wel in het licht der openbaring.

Een nieuw begin. Het geloof een nieuw begin. Goed, maar dan toch een nieuw levensbegin. Van de mens uit is geloof een nieuw begin, maar dan toch een nieuw begin in zijn historische leven. Hoe wil men anders van begin spreken ? Begin is tijd, en wel empirische, ervaringstijd.

Wie spreekt van een nieuw begin, staat in de historie.

Een werk Gods ! Is de schepping van hemel en aarde geen werk Gods?

Doet de aarde haar gewas uitspruiten uit ik weet niet welke kracht, zonder het scheppende Woord Gods ?

Is de geboorte van een mens geen wonder ?

Mogelijk zal men tegenwerpen, dat wij ons met deze vragen in het vlak des geloofs bewegen. Het zij zo, maar dan antwoorden wij, dat op deze vragen geen ander antwoord mogelijk is dan een antwoord des geloofs, of een speculatie, welke noch wijsgerig, noch wetenschappelijk enige objectieve waarde kan hebben.

Prof. V. N. geeft zelf toe, dat de historische wetenschap nooit zekerheid geeft, (blz. 79). Hij noemt de historiebeschrijving altijd ten dele scheppend werk, m.a.w. afhankelijk van subjectieve beschouwing.

Daarmede is het volste recht van een theologische geschiedbeschouwing erkend, d.w.z. een geschiedbeschouwing in het licht der profetie. Dat is een andere dan die, welke prof. v. N. hier verdedigt.

,,Oergeschiedenis". Dit is een begrip, hetwelk te hulp geroepen wordt om de distantie tussen geschiedenis en openbaring een weinig meer vatbaar te maken. Door de vleeswording des Woords is de Openbaring Gods geschiedenis geworden, maar de geschiedenis is daarmede nog geen openbaring geworden, (blz. 79).

Prof. V. N. licht dit toe met de opmerking : d.w.z. ook door de incarnatie is de geschiedenis nog niet uit en door zichzelf openbarend geworden.

Deze toelichting is duidelijk. De geschiedenis is niet uit en voor zichzelf openbarend.

Wij stuiten altijd weer op dezelfde grondonderstelling, n.l. dat de geschiedenis een gebeuren uit en voor zichzelf zou zijn. Deze onderstelling geeft plaats aan de gedachte, dat de geschiedenis op een onafhankelijk gebeuren, n.l. een van God onafhankelijk gebeuren zou teruggaan. Een van God onafhanklijk gebeuren, kan niet God openbarend zijn. Prof. v. N. heeft echter geen enkel recht om de geschiedenis als een van God onafhankelijk gebeuren te stellen. Als hij dit wil volhouden, moet hij de consequentie trekken en een absoluut dualisme tussen God en de wereld aanvaarden. Dan echter is alle theologie onverklaarbare verbeelding.

Prof. V. N. wil boven de geschiedenis uit, door te wijzen op een daad Gods, die nodig is, wil de Openbaring de dichte sluier der verborgenheid in de openbaringsgestalte doorbreken", (blz. 79). Daarbij heeft hij het oog op een openbarende daad Gods, die geloof en geloofsgehoorzaamheid werkt aan de ondoorgrondelijke wil van God : Hij noemt het geloof van Abraham, (blz. 79).

Oergeschiedenis is het geloof van Abraham. Deze geloofsgehoorzaamheid is de eigenlijke geschiedenis. 

Het wordt al weer niet duidelijker, als prof. V. N. intussen opmerkt, dat oergeschiedenis, dus geloof en geloofsgehoorzaamheid, ook weer geen openbaring is. Het is alleen maar het eigenlijke in de geschiedenis, (blz. 79).

Geschiedenis is geen openbaring, oergeschiedenis is geen openbaring, dus openbaring is nog weer wat anders.

Oergeschiedenis is geschiedenis onder het aspect van de daad Gods, doch nu is oergeschiedenis ook weer niet openbaring. Ook deze moet weer gezien worden onder het aspect van de daad Gods. Openbaring is er alleen, als het God behaagt door de oergeschiedenis actueel tot ons te spreken. Als voorbeeld wordt gegeven : door de gelovende Abraham te spreken, (blz. 80).

Dan weer wordt gezegd: Het actuele spreken Gods door en in Jezus Christus is openbaring, (blz. 80).

Dat kan echter niet gelijk staan, want Jezus Christus is immers geschiedenis en niet oergeschiedenis. Het maakt echter niet zoveel uit, indien oergeschiedenis al, evenmin als geschiedenis openbaring is.

Het lijkt alles een soort nieuwe scholastiek, waarin prof. v. N. verstrikt raakt, en hij maakt het zich niet gemakkelijk, als hij allerlei uitspraken van Barth van vroeger en later tracht te verbinden en te verklaren.

Zo komt deze in K. D. III, I vertellen, dat de gehele geschiedenis altijd één component heeft, die onmiddellijk tot God te herleiden is. In dit opzicht schijnt de hele geschiedenis weer oergeschiedenis te kunnen worden, (blz. 80, v.).

Al te gader volmaakt overbodig geredeneer, waardoor de waarheid van de zaak, die men raakt, op generlei wijze wordt ge­diend.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE NIEUWE LEER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 maart 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's