DE NIEUWE LEER
Het Woord
Het Woord Gods ook buiten het vlees. De Calvinisten leren, dat het Woord Gods in de menselijke natuur van Jezus Christus is èn er buiten (vgl. Caterhismus antwoord 48). Zo prof. V. N. op blz. 86.
Barth vraagt, of dit niet leidt tot een dubbele Christus : ,,Een Christus in het vlees en een Christus naast en buiten het vlees van Jezus-van Nazareth" (blz. 87).
Daarentegen, als men met de Lutheranen geen Christus buiten het vlees van Jezus wil erkennen, houdt men dan wel voldoende rekening met de vrijheid en majesteit van het Woord Gods? (blz. 87).
Barth legt zich op geen dezer gezichtspunten vast, zo zegt prof. v. N.
Het is opvallend zo weinig gesproken wordt over de Middelaar Gods en der mensen. Dat hangt samen met het feit, dat men het vleesgeworden Woord als de enige Godsopenbaring wil beschouwen, en alle stukken van uit die openbaring wil zien en dan nog alleen van uit de daarin openbarende daad Gods.
Dit begrip van openbaring beheerst deze ganse theologie en haar Schriftbeschouwing. Dit begrip wordt voorts bepaald door verschillende tendenzen, die op zich zelf meer of minder verwijderd zijn van het geloof.
Feitelijk wil deze leer spreken uit een begrip van openbaring, terwijl dit nimmer een begrip kan zijn. Geen menselijk denken zal in staat zijn om het handelen Gods te begrijpen. Dat valt ten enenmale buiten het bereik van ons schepselmatig zijn om de eenvoudige reden, dat de mens slechts aanziet, wat voor ogen is. Als God handelt, is er wat, gebeurt er wat en voor zover dat gestalte geeft welke wij kunnen vatten, staan wij voor dat gebeuren, maar het handelen Gods, tengevolge waarvan het gebeurt en gestalte verkrijgt, valt in de verborgenheid van het goddelijk doen.
Het scheppen, het openbaren Gods blijft op zich zelf genomen een onzienlijke, goddelijke daad.
Als men over de vrijheid van het handelen Gods met recht spreekt, vindt dat allereerst reeds een onweersprekelijke grond in het feit, dat het als zodanig geheel en al boven ons menselijk bereik ligt.
Maar nu moet dit alles ons ook-leren, dat wij met deze onzienlijke geschiedenis van het goddelijk doen juist niets te maken hebben en dat alle speculatie daaromtrent ijdel is. Indien de nieuwe leer dat nu zou willen zeggen, moest zij zich onthouden van alles wat ten slotte ook speculatie is.
De Godsopenbaring toch maakt juist een handelende God openbaar en wie met Calvijn de Heilige Schrift als de enige regel des geloofs aanvaardt, ontdekt, dat in het Woord, de handelende God openbaar wordt, zoals ons duidelijk als in een korte saamvatting door de apostel Johannes (1 : 1 — 14) wondt geleerd.
Als wij over de handelende God spreken, spreken wij over de Christus als de Gezalfde, en de Schrift leert ons dat Woord en Geest in alle werken Gods samengaan, als de handen Gods. Zo waarlijk Christus het Beeld is van de Onzienlijke God, zo waarlijk handelt de Onzienlijke in en door Hem in al Zijn werken. Zo ziet Calvijn ook in het scheppende Woord die Christus als de Werkmeester Gods, en de Middelaar der openbaring Gods. Door het Woord zijn immers alle dingen gemaakt en het Woord is ook het licht der mensen.
Alle nadruk valt dus op de tweede Persoon, die door Zijn zalving met de Heilige Geest en niet door de vleeswording de Christus is geworden.
En hoewel Hij aan de wereld als die Christus.en Middelaar niet was geopenbaard vóór Zijn - vleeswording, zo is Hij nochtans niet voor allen ganselijk onbekend gebleven, Christus zelf verklaart, dat Abraham Zijn dag heeft gezien.
Hier is dus geen sprake van twee Christussen, maar van de nog voor de wereld verborgen Christus, die in Zijn vleeswording, bijzonderlijk bij de Doop door Johannes in de Jordaan als Middelaar geopenbaard is voor de wereld. Zo luidt ook de boodschap der engelen, dat de Zaligmaker is geboren, en daaraan wordt toegevoegd : welke is Christus, de Heere.
Dit alles komt ons toe door het getuigenis van God zelf en de hemelse boden en geeft aanleiding noch recht om te zeggen, dat Jezus van Nazareth de enige openbaring Gods is, want in Jezus van Nazareth werd de Christus Gods onder de mensen zienlijk en tastbaar geopenbaard als Middelaar. Maar diezelfde Christus heeft zich ook vóór dien als het Woord geopenbaard.
De nadruk op de vleeswording kan men dan ook bij Calvijn aantreffen, maar dan treedt de Christus daarbij als Middelaar der verzoening op de voorgrond. Op de kennis van de ontfermingen Gods in de Middelaar geopenbaard komt het aan en het geloof, dat door de gereformeerde theologie, als zaligmakend geloof wordt onderscheiden, wordt door de kennis van de Middelaar en Zijn verzoenend werk bepaald.
Het bovengenoemd onderscheid tussen Calvinisten en Lutheranen ligt daarom nog wel enigszins anders dan daar werd gesteld en het lijdt geen twijfel, of dit raakt aan het karakteristiek verschil tussen die beiden, zoals zich dit telkens in de historie openbaart. Telkens weer ontmoet men een zekere afkeer van het Calvinisme bij Lutheranen en datzelfde kan men ook opmerken ten onzent bij de richtingen, die in meerdere of mindere mate onder Lutheraanse invloed staan. Het ligt trouwens voor de hand, dat er factoren van gemeenschap werkzaam zijn bij degenen, die zich aangetrokken gevoelen door de Lutheraanse theologie. Diezelfde factoren vertonen zich ook ten aanzien van de nieuwe theologie, die evenzeer Lutheraans is georiënteerd. Ondanks haar critiek op Schleiermacher en Ritschl veirtoont zij ook zelve de duidelijke sporen van hun invloed.
De bijzondere nadruk van het Calvinisme op de openbaring van de Middelaar in de vleeswording des Woords legt een ander accent dan de nieuwe theologie, die in het vleesgeworden Woord de enige Godsopenbaring wil zien. Het gaat in de vleeswording des Woords niet in de eerste plaats om de Godsopenbaring, maar om de openbaring van de ontfermingen Gods in Zijn Christus, om het werk der verzoening en der herschepping.
Volgens de nieuwe leer gaat het in de vleeswording om de enige Godsopenbaring. Christus nam het vlees aan, omdat God zich zo openbaren wilde. In zoverre was het vlees openbaringsmiddel, omdat God op deze wijze in onze geschiedenis inging.
Wij zeggen openbaringsmiddel, doch wij hebben vernomen, dat eigenlijk alleen de dood en de opstanding van Christus openbaring zijn, althans als oergeschiedenis; worden aangegeven, m.a.w. toch ook weer geen openbaring zijn.
Zelfs de lijdensgeschiedenis, het eigenlijke mens-zijn, het in het: vlees verkeren van Christus, schijnt ernstig te delen in het lot, dat de geschiedenis in deze theologie treft en weinig in rekening te komen. Het zou immers alleen om de dood en de opstanding van het vlees geworden Woord gaan.
Als de nadruk daarentegen op de openbaring van de Middelaar valt, is het vlees niet zozeer openbaringsmiddel, hetwelk overigens als gestalte van weinig of geen betekenis zou zijn.
Het volle gewicht valt dan op de vleeswording, ja op het feit, dat Christus ons vlees heeft aangenomen op Zijn lijden en sterven, kortom op de geschiedenis, op het feit, dat het vleesgeworden Woord onder ons heeft gewoond en op.Zijn hogepriesterlijk offer.
Daarin wordt de heide Gods geopenbaard, dat Christus voor ons gestorven is, als wij nog zondaars waren. Niet de mens brengt een offer in Christus, maar de Zone Gods onze natuur aangenomen hebbende, brengt de gehoorzaamheid voor God, die wij schuldig zijn en niet hebben gebracht. Hij kwam om de wil des Vaders te doen, opdat de Raad Gods zou worden vervuld. Wat kan dat anders inhouden dan dat de Raad Gods aangaande de mens en heel de schepping zou worden verwezenlijkt en derhalve gestalte verkrijgen.
Het gaat alzo alles om de historische werkelijkheid om het werk van de Middelaar in de historie, in onze historie.
Daarop wijst ons de Christus zelf, als Hij steeds weer op de profetie heenwijst: dat het alzo geschieden moest. Hoe wordt Petrus onmiddellijk na zijn belijdenis, een satan genoemd, omdat hij Hem wil afhouden van het alzo geschieden, van de gehoorzaamheid.
De ganse arbeid van de Middelaar, dat is het vleesgeworden Woord, staat en valt, met de gehoorzaamheid in het vlees, in de tijd, in het geschieden der geschiedenis. De instemming in de eeuwige Raad met de Wil des Vaders van de Zoon, die in de schoot des Vaders is, vindt ook volkomen instemming van de Zoon met die Wil, als Hij in het vlees is als de Zoon des mensen.
De evangeliën laten niet na te doen zien, hoezeer de verleider der mensheid ook Hem zijn lagen legt om Hem af te houden van Zijn weg, zelfs in de discipel, aan wie Hij Zijn schapen straks zal toebetrouwen. Gehoorzaamheid geleerd hebbende in Zijn lijden, zegt de Schrift.
Dat is geschiedenis, menselijke geschiedenis, worsteling in de gelijkheid van het zondige vlees.
Zó wordt ons de Middelaar geopenbaard. Zó is Hij in onze geschiedenis ingegaan, geboren uit een vrouw, opdat Hij ons oordeel op zich zou nemen tot in de dood des kruises.
Hij heeft het de Zijnen gezegd, dat het alzo geschieden moest. Reeds de ingang in onze geschiedenis betekent voor de Zone Gods lijden. Opdat Hij onze weg kon gaan, is Hij geschiedenis geworden. Als Hij die weg niet is gegaan, is er geen verlossing. Ook Zijn opstanding kan geen feit zijn, als Hij niet in onze geschiedenis is ingegaan. En als Hij niet is opgestaan, is ons geloof ijdel.
Zo legt de vleeswording des Woords alle nadruk op de geschiedenis. Het historisch gebeuren is in dit alles openbaring, omdat het alzo geschieden moest.
De Heilige Schrift leert ons bovendien, dat de geschiedenis wel voorbijgaat, dat onze dagen voorbij gaan als een droom bij het ontwaken, maar zij leert tegelijkertijd, dat wij zullen geoordeeld worden naar alles, wat in het lichaam geschied is.
Het is dan ook een hoogst oppervlakkig begrip van geschiedenis, hetwelk er zo gemakkelijk toe overgaat deze negatief te waarderen.
Bij enige nadere beschouwing van de werkelijkheid van ons bestaan, zou men kunnen ontdekken dat de geschiedenis maar, niet een voorbijgaande stroom van gebeurtenissen en ervaringen is, en een afwisseling van gestalten.
Indien wij bij onze eigen geschiedenis stil staan, kunnen wij opmerken, dat wij deze steeds meedragen in ons leven. Onze ganse geschiedenis drukt zich in ons af, bepaalt onze gestalte en onze bewegingen, blijft in ons nawerken.
In zekere zin kan men zeggen, dat wij onze geschiedenis zijn en dat wij het oordeel Gods over alles wat in ons lichaam geschied, is, in ons dragen.
Als God het nu zo ernstig neemt, dat Hij ons oordeelt naar alles, wat in het lichaam is geschied, klinkt het zelfs goddeloos om zo lichtvaardig over de geschiedenis te spreken. Immers als God naar hetgeen in het lichaam geschied is, oordeelt, kaai het niet anders, of Hij oordeelt naar een rechtvaardig oordeel. Maar dan is God ook een God van de geschiedenis en draagt zij de kentekenen van Zijn toorn (Rom. 1 vs. 18 vv.) en van Zijn barmhartigheid. (Hij regent over bozen en goeden).
Aangezien Christus ons oordeel op zich genomen heeft, en het vlees heeft aangenomen, opdat Hij der Waarheid getuigenis zou geven, heeft Hij ook de waarheid van ons oordeel geopenbaard.
De mens wondt geoordeeld naar wat in het lichaam is geschied. Zou dat van de hemelse Hogepriester niet gelden, dewijl Hij, ons in alles is gelijk geworden, uitgenomen de zonde ? Zo is ook Hij geoordeeld naar alles, wat im het lichaam is geschied, en Hij is rechtvaardig bevonden, Gods heilig Kind Jezus, want Hij heeft de wil des Vaders gedaan. De evangeliën getuigen er van, dat dit openbaar is geworden in de weg van de Middelaar.
Dat wij van de 30 jaren tussen Bethlehem en Zijn openbaring als Middelaar weinig of geen mededeling verkregen, zegt ten enenmale niets. Allerminst is daarin een argument voor de redenering van prof. v. N.
De evangeliën bepalen ons juist bij de geschiedenis van de Middelaar en voor die geschiedenis is uit de aard der zaak de geboorte en de heilsgeschiedenis van belang, welke ons, aanvangende met de openbaring van de Middelaar bij de Doop in de Jordaan omstandig wordt getekend.
Deze geschiedenis is een en al openbaring. In Hem heeft de mens naar de gelijkheid des zondigen vleses gestalte aangenomen, opdat ook de nieuwe mens uit die oude mens gestalte zou verkrijgen.
Daarom vindt die geschiedenis haar voortgang in de opstanding des Heeren, want Hij is opgewekt, omdat Hij rechtvaardig uitkwam in het oordeel Gods.
Derhalve is die geschiedenis niet voorbij gegaan, maar zij heeft de Rechtvaardige in de nieuwigheid des levens openbaar gemaakt.
Volkomen onjuist is de conclusie van prof. V. N., dat de hele wereldgeschiedenis is voorbijgegaan. Zulk een idealisme kan alleen hij uitspreken, die de geschiedenis niet ernstig neemt.
Wie zó oordeelt, kan ook de schepping niet ernstig nemen als de vervulling van de Raad Gods in de veelvuldige rijkdom der gestalten.
De dingen, die wij zien, komen op uit de dingen, die niet gezien worden.
Hij sluit het oog voor de profetische doorzichtigheid van de goddelijke majesteit en eeuwige kracht, waarvan de apostel gewaagt in Rom. 1 vs. 18 vv.
Tenslotte ook, wie de schepping niet ernstig neemt als de goddelijke gestaltegeving aan, wat Hij in Zijn Raad heeft voorgenomen, kan geen recht doen wedervaren aan een historische paradijsluister, waarmede de geschiedenis van de mens aanving.
Toch leert de Schrift, dat de zonde in de wereld is ingekomen en door de zonde de dood.
Zo nu de zonde in de wereld is ingekomen, beduidt zij een aanval op de scheppende daad Gods, op de goddelijke gestaltegeving en Zijn bepalingen, aan het schepsel gesteld. De zonde maakt inbreuk op het goddelijk beleid en is mitsdien opstand, verzet tegen Zijn souvereine vrijmacht.
Alleen het schepsel kan zondigen en wel het kennend schepsel. Daarom kan de zonde alleen plaats vinden in de geschiedenis. Zij kan alleen opkomen in een wereld van gestalten en verhoudingen. Zij kan alleen vergrijp zijn aan de ordeningen Gods, waarin en waaronder het schepsel is gezet, en waarvan hij ook kennis draagt. Mitsdien kan er geen zonde in de wereld ingekomen zijt, als er ook geen openbaring was.
Dit alles komt dan ook overeen met wat ons in de eerste hoofdstukken van Genesis wordt voorgesteld, legt de grondslag voor een positieve waardering der geschiedenis en maakt haar in ons zondig bestaan tot een gericht Gods, waaraan wij niet zullen ontkomen, tenzij in de weg der verzoening, welke ons in de Middelaar is geopend.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's