De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Samuël, een zoon der Wet

FEUILLETON

5 minuten leestijd

EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA

146)

„Houdt op !" riep Mandel, en stelde zich met een sprong naast hem. „Ik ga naast hem staan, en wie hem nog durft gooien, zal het zich beklagen. — Hij heeft niets gedaan, wat straf zou verdienen !"

„Ik ken hem niet langer", zo kwam er nu weer over de bevende lippen van Tulpenbloesem, „ik weet niet, waar hij vandaan komt, hij is maar van elders bij ons binnengekomen, wij hebben ons schrikkelijk in hem bedrogen, doen jullie maar met hem wat je wilt". En plotseling sloeg zijn stem over en krijste hij: „Gij hebt het allen gehoord, hij wil zich buigen voor een hoop stof en as, die op de heuvel der terechtgestelden ligt, net als deze hier, en dan wil hij zeggen : ,,Gij zijt mijn Christus !"

„Vergeef het hem. Heer, want hij weet niet, wat hij zegt!" mompelde Samuel, en sloeg zijn armen stevig om z'n eigen lichaam ter bescherming, maar toch zonder zichzelf te verdedigen of zich te verweren. Bloed druppelde. neer van zijn slapen - langs zijn neus.

't Was alsof zijn houding zijn aanvallers en tegelijk z'n vrienden tot bezinning bracht. Plotseling ontstond er een algemene beweging en als op commando drong de gezamenlijke jeugd van beide plaatsen naar voren, kinderen en jonge lui, en schaarde zich als een levende beveiligingsmuur om hem en Mandel. Geen steenworp kon Samuel meer treffen, zonder dat die ook anderen trof. De ouderen waren de strengen geweest, en de jongeren hier de milden van geest. Het begon een beetje te lijken op een oproer tegen de oudere mensen, en dat is vooral bij Joden iets heel ongewoons.

,,Hij heeft geen kwaad gedaan", riepen de jonge stemmen. ,,Hij is de beste, die men zich denken kan. Gij moogt hem niet straffen zonder hem te verhoren". En een pasgetrouwd man uit Baitjisrael met een heel besliste uitdrukking op zijn gelaat en een lange gestalte riep zonder enige terughoudendheid : ,,Wat hij gelooft, kan niet verkeer zijn, want alles wat hij doet, is goed ! Wij zullen die boeken ook gaan lezen, die hij gelezen heeft, en wij zullen met hem meegaan." Een heel koor gaf zijn instemming met die woorden te kennen.

,,Hij heeft ook al anderen verleid — nu wordt het toch te erg" zei Sinai Tulpenbloesem weer op die kwijnende toon, en ging langzaam terug. Wat er nu verder nog gebeuren zou, liet hem onverschillig. Maar hij ging heen, helemaal in elkaar gebogen, en onzeker als een zwakke grijsaard.

Toen lieten de vijandig gezinde mensen voorlopig de hele zaak maar rusten. En de menigte ging uiteen.

Droge kruiden en reuzenvenkel werden bij elkaar geraapt, en beneden over de dode gestrooid. Toen vielen er stenen naar beneden, eerst kleinere, en toen grotere, zoveel zij daar maar vinden konden. De put was al spoedig tot aan de rand gevuld. Daarna richtten zij ook nog een grote steenhoop op het graf, om te voorkomen, dat iemand zonder het te weten op Fanuëls graf treden zou.

Daarop nam Mandel onder begeleiding van de hele jeugdschaar hem mee naar zijn huis, omdat hij anders dakloos zou zijn geweest.

Suze wachtte er lange tijd vergeefs op, dat haar teruggekeerde echtgenoot iets zou zeggen en vertellen. Zij waagde het niet hem er naar te vragen, omdat zij aan hem meende te merken, dat hij door de vreselijke gebeurtenis diep getroffen en geheel in gedachten verzonken was. Zij was sinds lang reeds gewoon om dergelijke stemmingen bij hem te eerbiedigen.

Maar zij merkte, dat hij ook niet aan zijn schrijfwerk ging. Hij was bij de tafel gaan zitten en scheen niets te doen.

Vergeefs verlangde zij naar de komst van Samuël.

Eindelijk vroeg zij : ,,Hoe is Lemberger er onder ? "

Eerst na lange tijd kwam het antwoord „Misschien net zoals ik. Wij hebben allebei een zoon verloren."

„Hoe dat ? Wat bedoel je ? Waar blijft Samuël ? "

,,Waar hij blijven wil. Hadden we hem maar op straat laten liggen."

,,0 Heere! Wat zeg je daar ? Wat is erdan met hem ? "

Nu brak hij los, maar meer in moede smart van iemand, die een nederlaag heeft geleden, dan in toorn : „Waar heb ik mij toch aan verzondigd, dat ik zo in het stof moet worden vernederd ?

De ellendigsten, die eenvoudige mensen, die tot mij hebben opgezien als tot hun aanvoerder, en die mij tot Rabbijn en dorpsbestuurder hebben gekozen, die wenden zich van mij af ; ik ben hun snarenspel geworden en hun aanfluiting ! Het zal gaan door het ganse land. En zo wordt Schaloom vervuld met moord en met verraad.

Wat hebben wij toch misdaan ? Waar heb ik in gezondigd ? Ben ik dan ontrouw geweest ?

Ik wachtte op verbetering, maar nu komt daar het verderf over mijn eigen zoon !"

„Maar wat is er dan met hem ? Wat is er dan gebeurd ? "

,,Hij is overgelopen. Hij bidt al tot dieverleider ! Waarom word ik met zo'n vloek gestraft in mijn eigen huis ? Wat heb ik toch misdaan ?

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Samuël, een zoon der Wet

Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's