Over de Belijdenis der Kerk en haar belijden
Over artikel 10 van het ontwerp-kerkorde is al heel wat geschreven. Ook over de uitleg bestaat nog geen eenstemmigheid, maar toch treedt zo langzamerhand aan het daglicht, wat men bedoelt. Het gezinsblad „De Hervormde Kerk" gaf dezer dagen een beschouwing hierover, die m.i. wel vrij goed de mening van althans vele voorstanders weergeeft. Anderzijds toont dit artikel wel zeer goed aan, hoe weinig bevredigend dit artikel 10 is voor hen, die de beschouwingen der Kerk van de 16de eeuw als toetssteen wensen aan te leggen.
De kerk belijdt in het heden, maar zij doet dit in gemeenschap met de belijdenis der Vaderen. Wat betekent dit woord gemeenschap ? Het betekent allereerst, dat deze belijdenis een groot geestelijk gezag in de kerk dient te hebben. Gemeenschap betekent echter niet: overeenstemming in juridische zin. Zoals een zoon zijn vader om raad vraagt, maar dan toch, volwassen geworden, zelf besluit, zo zoekt de kerk van nu wel telkens opnieuw voorlichting en raad in de belijdenis der vaderen, maar staat dan voor de taak om in eigen verantwoordelijkheid opnieuw te belijden. De belijdenis is hier dus niet gezien als een repetitie der H. Schrift, die wij hebben te aanvaarden totdat zij wettig is gewijzigd.
Aldus de schrijver in het bovengenoemde artikel.
Als er één ding hier duidelijk is, is het wel dit, dat deze beschouwing der belijdenis, wel diametraal staat tegenover die der Vaderen. We behoeven slechts te herinneren aan art. 53 der Dordtse Kerkorde : De Dienaren des Woords Gods en evenzo de Professoren in de Theologie ('t welk ook den anderen Professoren wel betaamt) zullen de belijdenis des geloofs der Nederlandse Kerken ondertekenen; en de Dienaren, die zulks weigeren, zullen de facto (feitelijk) van hun dienst door de Kerkeraad of de Classis opgeschort worden, tot ter tijd toe, dat zij zich daarin geheel verklaard zullen hebben ; en, indien zij hardnekkig in weigering blijven, zullen zij van hun dienst geheel afgezet worden.
Voor de Kerk van de 16de eeuw is de belijdenis een beknopte uiteenzetting van het geloof, zoals zij dat in de Schrift vond. De Kerk achtte de belijdenis overeenkomstig de Schrift te zijn en alleen op grond van de Schrift mocht men daartegen bezwaren inbrengen om te trachten tot wijziging te komen. Artikel 10 maakt met bovengenoemde schrijver een zeer beleefde buiging voor deze belijdenis, maar zet ze feitelijk aan de kant. Men maakt zich hier in principe zeer nadrukkelijk van de belijdenis los, om er zoveel of zo weinig van te aanvaarden als men in overeenstemming met de Schrift zal achten. Indien men werkelijk aan de belijdenis der Kerk het gezag wilde toekennen, dat deze in overeenstemming met de vaderen behoort te hebben, dan zou men moeten bepalen, wat onze Vaderen bepaald hebben, dat men alleen na wijziging op grond van de Schrift daarvan mag afwijken. Wat staat er met deze beschouwing eigenlijk nog vast en wat belijdt de Kerk dan eigenlijk wel ? Als ik art. 10 zeer letterlijk lees, dan zou ik zeggen de Kerk doet daarin belijdenis van de openbaring van de Drieënige God en belijdt telkens opnieuw de Christus als Hoofd der Kerk en als Heer der wereld.
Nu heeft men gezegd, dat dit al te letterlijk genomen zou zijn en dat dit meer zou omvatten, dan hier met zoveel woorden gezegd wordt. Och, ik wil het gaarne geloven. De zaak ligt zo, dat ieder ook hier weer van kan maken, wat hem lust; de positieve belijder mag hier veel in lezen, de rechtsmoderne kan er weinig in lezen. Maar als ik zo de hierboven gememoreerde uitleg lees, geloof ik, dat degene, die er maar weinig in leest, klaarblijkelijk het dichtst bij de uitleg der meerderheid staat. Er is gezegd, dat met de aanvaarding van dit artikel in de feitelijke toestand weinig zal veranderen. Ik geloof het met hen, want het bovengenoemde artikel moge dan zeggen, dat op deze wijze de belijdenisgeschriften van het verleden onaangetast zullen blijven, och, wanneer we ons toch feitelijk van de knellende band der belijdenis hebben losgemaakt, waarom zouden we ze dan nog wijzigen ? We hebben de belijdenis dan op sterk water gezet, waar we eens naar gaan kijken, als het ons eens uitkomt, en we behouden de vrijheid om alle ketterijen er tegen uit te dragen.
Als de zaken zó staan, heeft het grote woord : de kerk weert, wat haar belijden weerspreekt, ook weinig meer te betekenen, want de schrijver zegt ons duidelijk : dit betekent (niet wat haar belijdenis weerspreekt. De belijdenis wordt niet beleden, maar wat belijdt de kerk dan wel in het heden ? De alom aangevochten uitspraken over Indonesië kunnen hier zeker toch wel niet onder vallen ? En als men ternauwernood weet, wat onder het belijden der kerk verstaan moet worden, hoe zal men dan weren, wat er mede in strijd komt ?
Het behoeft dan ook niet te verwonderen, dat zij, die zich nauw willen aansluiten bij de kerk der 16de eeuw en inderdaad in gemeenschap met hen willen leven, dit tot uitdrukking willen doen komen door ook in overeenstemming met hen te willen leven. Zij willen dam ook in artikel 10 gelezen hebben : in overeenstemming met de belijdenis der Vaderen.
Sommigen hebben gezegd, dat het geen verschil uitmaakt of er staat in gemeenschap met, of in overeenstemming met; anderen hebben gezegd : in gemeenschap met is een veel dieper en geestelijker begrip en omvat het in overeenstemming met. Ik zou dan maar willen meegaan met degene, die voorstelde om te lezen: in gemeenschap en in overeenstemming met.
Voorts wordt er van deze zijde op aangedrongen te lezen : De Kerk bestrijdt en weert wat haar belijdenis weerspreekt. Bezwaren inzake het belijden der Kerk kunnen door lidmaten — onder beroep op Gods Woord en de belijdenis — worden voorgelegd aan het oordeel der Kerk, die zich daarover uitspreekt.
Wat hier wordt voorgeslagen, is inderdaad een binding aan de belijdenis, zoals ook de Kerk der 16de eeuw die bezat, maar tegenwoordig zijn er niet velen meer, die hiervan willen weten ! Alleen in deze weg zou onze Kerk weer een gereformeerde kerk kunnen worden. Bij de voorgestelde kerkorde wordt dit uitgesloten. Feitelijk zal dan de leervrijheid, die wij thans kennen, Vrijwel onbeperkt blijven heersen. Goedgelovigen zijn er wellicht, die 't anders denken, hopen of verwachten ; zij zullen - te kwader uur wel ontdekken, hoe de zaken gaan en staan.
Het behoeft dan ook niet te verbazen, dat er zeer tot hun spijt ook nog zijn, die van een aannemen van het ongewijzigde ontwerp-kerkorde geen heil verwachten en zich daartegen zullen verzetten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 maart 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's