DE NIEUWE LEER
Het Beeld Gods
Het Beeld Gods is Jezus Christus, in en door Wien alle dingen, ook de mensen, geschapen zijn (bl. 108).
De eerste vraag is, of dat zo wel ten volle verantwoord is, n.l. te zeggen Jezus Christus is het Beeld Gods. De apostel Paulus gebruikt opvallend de namen Christus, Christus Jezus, en Jezus Christus. Dat kan niet zonder betekenis zijn. Het accent valt telkens anders, en kan niet anders bedoelen, dan in het éne geval de nadruk op de goddelijke en dan weer op de menselijke natuur te laten vallen, als hij zegt Christus Jezus of Jezus Christus. Maar daarom heeft het ook wat te zeggen, als hij alleen Christus zegt.
Juist omdat de beide naturen verenigd zijn in de éne Persoon van de Zoon, kan men aan Jezus Christus niet ontzeggen, wat Hem reeds krachtens Zijn Godheid toekomt, maar daarom dient men nochtans onderscheiding te maken.
2 Cor. 4 : 4 spreekt van Christus, die het Beeld Gods is. In Filipp. 2 : 6 staat; Christus Jezus die in de gestaltenis Gods zijnde. Kol. 1:15: Dewelke het Beeld is des onzienlijken Gods, n.l. de Zoon Zijner liefde (vs. 13). Hebr. 1:3: Hij (n.l. de Zoon, vgel. vs. 1) is het Afschijnsel Zijner heerlijkheid.
Vergelijken wij deze plaatsen dan ligt het voor de hand, dat de Schrift de Zoon, de Christus, het Beeld Gods noemt, zodat dit niet in de eerste plaats op de menselijke, maar op de goddelijke natuur des Heeren ziet.
Dat is niet zonder betekenis, want daaruit blijkt, dat de Zoon niet bepaaldelijk in het vlees het Beeld Gods is, maar, omdat Hij het Beeld des onzienlijken Gods is, zijnde de Zoon, kan dat niet ontzegd worden aan het vleesgeworden Woord.
Zien wij nu ganselijk af van de mens en laten wij even de vraag buiten beschouwing, of Adam naar het Beeld Gods is geschapen of niet, dan zou men kunnen onderstellen, dat de menselijke natuur door de vleeswording des Woords althans deel heeft verkregen aan het Beeld Gods.
Men zou ook kunnen onderstellen, dat de mens eerst tot Beeld Gods in Christus Jezus is geworden, ofschoon hij daaraan buiten Christus Jezus ganselijk vreemd was.
Deze kwestie is niet onschuldig, immers zij raakt het wezen van de mens, zoals die op aarde bestaat. En daarover nu oordeelt prof. V. N. in navolging van Barth anders dan Calvijn en de gereformeerde belijdenis.
Deze leren, dat de mens naar Gods Beeld werd geschapen en dat na de val de mens mens is gebleven. Als zijn wezen bepaald wordt door de schepping naar Gods Beeld, zodat hij daarvan gelijkenis draagt (Beeld en gelijkenis, Genesis 1 vs. 26), dan kon zijn natuur worden verdorven, maar de trekken van het Beeld kunnen niet ganselijk te niet worden gedaan door de zonde. Zo leert Calvijn, dat nog enkele vonkskens zijn overgebleven.
Neen, zegt de nieuwe leer, dat beeld is restloos verloren, (blz. 106).
Men begrijpt nu, dat deze leer er belang bij heeft te zeggen, dat Jezus Christus het Beeld Gods is.
Dat moet dus betekenen, dat men over de schepping van de mens anders denkt dan de gereformeerde belijdenis. Dat is ook zo. De nieuwe leer volgt hier Kohlbrugge. De mens werd niet geschapen naar Gods Beeld, maar in Gods Beeld. Toegegeven, dat men de grondtekst zo vertalen kan, is deze vertaling nog niet de enig juiste en ook niet de waarschijnlijkste. In ieder geval zal men in dan toch moeten nemen als in of naar de wijze van.
Uit de aangehaalde Schriftuurplaatsen is duidelijk geworden, dat de Zoon Gods het Beeld Gods is.
Daarover kan geen verschil zijn. Indien nu de mens in het Beeld Gods geschapen zou zijn — naar de opvatting van Kohlbrugge en prof. v. N. — zou dit alzo alleen kunnen betekenen, dat die geschapen mens op enige wijze in de Zoon was. Hoe dat is, kan geen mens zich voorstellen, maar het zou dan toch op een goddelijke en onzienlijke wijze zijn.
Aangezien nu de Schrift zegt, dat alle dingen in de Zoon zijn geschapen, zo kan men althans Koloss. 1 vS. 17 vertalen. (En Hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan tezamen in Hem). Indien wij deze tekst zo verstaan, kan men dus van alle dingen zeggen, dat zij in het Beeld Gods, dat is in de Zoon, geschapen zijn.
Wij ontkennen dus niet een schepping van alle dingen in Christus, welke dan een pneumatisch, d.i. geestelijk karakter draagt. Zo waarlijk Christus de Raad Gods wordt genoemd, moet in Hem op een geestelijke wijze alles zijn, wat in de Raad Gods is. Hij is immers het Beeld des onzienlijken Gods.
Maar — dat sluit een schepping van een gestaltelijke stoffelijke wereld buiten de Zoon niet uit, wijl alle dingen ook door Hem zijn geschapen, zoals de Schrift niet minder duidelijk betuigt. Zij maakt trouwens onderscheid tussen Geest en stof. God is Geest en wij zijn stof. (Gen. 3 vs. 19).
Voor zover wij met alle dingen in Christus geschapen zijn, zijn wij geen stof, omdat Christus is God en daarom Geest.
Dat ook het gehele stoffelijke zijn der wereld op een voor ons verborgen wijze uit de adem Gods is en bestaat, is wel een onbegrijpelijk wonder, maar dit maakt ons niet tot Geest.
Indien wij nu alleen zouden stilstaan bij een vertaling, dat God de mens schiep in het Beeld Gods, zou dat omtrent het wezen van de mens geen enkele onderscheiding inhouden van alle andere dingen, die ook een stoffelijk aanzijn vertonen en evenzeer in het Beeld Gods geschapen zouden zijn.
Maar Genesis 1 vs. 26 zegt nog wat meer, n.l. en dat zij heerschappij hebben.
Wat wil men nu ? Dat de in Christus geschapen mens in de Christus (en niet in de stof) bestaande, heerschappij zou hebben over al die andere dingen, die ook in de Zoon zijn ?
Waar komt dan deze stoffelijke wereld vandaan ? Is dat een wereld der verbeelding, een niets ? En vanwaar dan zo'n niets ?
Wij vragen : Hoe kan God dan zeggen : Stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren ? !
Hoe kan God zeggen : Weest vruchtbaar, enz. ?
Of is dat alles geen goddelijke openbaring ?
Ja, zegt prof. v. N. Oorspronkelijk is de mens in het Beeld Gods geschapen, maar door de zonde is hij daaruit gevallen, (blz. 108).
Dat kan men wel zeggen, maar wat kan dat betekenen ? Stel u voor een mens in het Beeld Gods geschapen, dat is dus een schepsel, dat op welke wijze dan ook in de Zoon is en mens is. Men kan dit moeilijk voorstellen, maar zij zeggen het.
En nu valt die mens uit dat Beeld. Waar komt die mens dan terecht ? Was er dan toch een wereld buiten de Christus, een stoffelijke wereld, zonder de mens, waarin die geestelijke mens te land kwam ?
Neem zoiets voor een ogenblik aan, dan rijst de vraag, hoe die mens zich in deze stoffelijke wereld kon thuis gevoelen. Deze stoffelijke wereld zou aan die mens vreemd geweest zijn. En hij gevoelt zich daarin wonderwel thuis. Of wil men, dat hij van uit zijn geestelijk bestaan in de Zoon, heerschappij voerde over deze wereld, die er dus wel zou geweest zijn.
Wij zouden nog meer vragen kunnen stellen, b.v. omtrent het lichamelijk bestaan van die mens in Christus, maar het is genoeg.
Het is al te gemakkelijk om te spreken van menselijke denkbeelden en van philosophische anthropologie (leer aangaande de mens), (blz. 108), indien men begint met te ontkennen, dat de mens naar Gods Beeld en naar Zijn gelijkenis is geschapen, dan is immers iedere leer aangaande de mens raadselachtig. Dan moet de zonde, hoe dan ook, in Christus ontstaan zijn.
De mens, een schepsel in Christus. In God is alles God. Onbegrijpelijk hoe zulk een schepsel ooit vallen kan, en dan wel buiten God, in Wien hij geschapen is, vallen. Dat moet dan een gebeuren in God zijn geweest.
Het bestaan van de mens was toch naar zijn schepping — volgens deze opvatting - een bestaan in Christus. Evenzo het bestaan van alle dingen.
Het verband van mens en wereld is zó nauw, dat met de mens de gehele wereld buiten Christus moet gevallen zijn.
Wij kunnen alweer vragen, wat was er dan buiten Christus anders dan het niets ? En wat was dit niets ?
Niets van dingen, niets van een wereld, als waarin wij leven.
Het kan moeilijk anders worden gedacht dan dat wij met de wereld dus door dat uitvallen uit het Beeld bestaan in een bestaan, dat geen eigenlijk bestaan is, een schijn en ijdelheid. Dan rijst weer de vraag, hoe dat schijnbestaan mogelijk is, daar het toch buiten de schepping zou vallen.
Het wordt nu wel iets duidelijker, waarom de nieuwe leer geen waardering voor deze geschiedenis heeft en denkbeelden gebruikt als oerhistorisch en bovenhistorisch, hoezeer dit ook wijsgerige beschouwingen zijn.
De eigenlijke werkelijkheid van de mens en deze wereld ligt boven de val. Zelfs de val ligt buiten en boven de geschiedenis in de gewone zin des woords. Deze ligt onder de val. Derhalve ligt de zonde ook boven deze geschiedenis, zoals wij reeds hebben opgemerkt.
Wij vragen alweer verder. De mens in Christus geschapen, is de mens. Doch als die mens nu uit het Beeld is gevallen, is hij dan nog een mens ? Misschien moeten wij zeggen : een schijnmens, maar wat is dan het wezenlijke van het mens-zijn ? Wij zouden zo zeggen : het in het Beeld zijn, want hij was immers in het Beeld geschapen, volgens de nieuwe leer.
Dan echter is de mens in niets onderscheiden van alle dingen, die ook in het Beeld Gods geschapen zijn. Omtrent het onderscheiden zijn van de mens is dan eigenlijk niets gezegd.
Men kan dan ook eigenlijk niets van de mens zeggen en wat men van de historische mens kan opmerken, heeft geen zin.
Wellicht zal prof. v. N. opmerken, dat dit philosophische vragen zijn. Hij geeft daar echter zelf aanleiding toe. En bovendien zou dat iets hebben van: de pot verwijt de ketel.
Het kan duidelijk zijn, dat het maar niet zo eenvoudig is de stelling van Kohlbrugge over te nemen.
Welke betekenis kan in zulke beschouwingen de vleeswording des Woords hebben ?
De historische mens en zijn wereld zijn toch slechts schijn.
Heeft dan Christus slechts een schijnbestaan aangenomen ? Het verwijt is niet nieuw, maar heeft zijn aanleiding, zoals wij gezien hebben.
De zin van de vleeswording des Woords moet nu eenmaal ook saamhangen met de zin, die men aan het vlees hecht. Wordt de vleeswording niet een ijdele schijn, als het vlees schijn wordt geacht ? Zij moet althans een ingaan in een schijn-wereld zijn.
De nieuwe leer verzet zich tegen dergelijke rechtlijnige redeneringen, maar waarom dan zoveel betekenis gehecht aan de opvatting der schepping, in het Beeld Gods en van de zonde als een uitvallen uit het Beeld Gods, terwijl de Heilige Schrift spreekt van de zonde als overtreding van het geopenbaard en zeer concreet geopenbaard gebod., en leert, dat de zonde in deze wereld is ingekomen ?
Op het punt van vertaling van een Hebreeuwse uitdrukking houdt men zich aan een enkele letter in een zeer bepaalde zin, die door het taaleigen volstrekt niet geboden is, en zelfs niet waarschijnlijk mag worden geacht, terwijl men overigens zeer willekeurig handelt met de Schrift en haar uitlegging.
Tegen deze willekeur moeten wij opkomen. En daarom vragen wij telkens weer.
Als de mens (en deze wereld) uit de Zoon zijn uitgevallen, waren zij niet meer in de Zoon. Dan is de Zoon ingegaan in een uit Hem gevallen mens, wiens bestaan buiten Hem een raadsel is en schijn. Dan heeft de Zoon een schijnmens aangenomen en is die raadselachtige schijnmens aan het kruis gestorven. Een, niet-mens is te niet gedaan.
Dan wordt de verzoening dus gans en al verlegd in de opstanding van de ware mens uit de schijnmens, eigenlijk een nieuwe schepping uit het niet. Deze nieuwe schepping ligt evenzeer boven de historie van deze wereld als de val. Er is weer een mens in het Beeld Gods. De schepping van de mens is weer tot het oerbeeld terug gebracht door deze daad Gods en de aardse schijnwereld gaat door in de ijdelheid van haar niet-zijn.
Er blijft dan van de verzoening niet veel meer over dan de naam.
Bovendien kan men de vraag niet onderdrukken, waarom God die uit Hem gevallen mens niet aan zijn niet-zijn heeft overgelaten. Deze is tocht immers loutere negatie. Hij was toch machtig die nieuwe mens in Zichzelf te scheppen zonder in dit niet-zijn in te gaan.
Daar de nieuwe leer dit klaarblijkelijk toch niet wil, moet men wel aannemen, dat dit aardse niet-zijn niet zo negatief is als men wil voorgeven, en dat God er nog wel wat mede te maken heeft en dit aardse, leven met God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's