MEDITATIE
KRUIS - TROOST
Mattheüs 27 vers 42 en 43. Anderen heeft Hij verlost. Hij kan Zichzelven niet verlossen. Indien Hij de Koning Israels is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven. Hij heeft op God vertrouwd, dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil; : want Hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.
Wanneer wij uit eerbied voor Christus in de bovenstaande tekst de woorden, die op Hem betrekking hebben, met hoofdletters laten afdrukken, dan geven wij daarmee niet de bedoeling weer van hen, die bij 't kruis deze woorden hebben uitgesproken, of liever : gekrijst. Neen, het was de omstanders bij het kruis niet er om te doen, Christus te eren.
Spotten, lasteren, noemt de Schrift het zelfs, dat is hun bedoeling. En het is een geraffineerde spot, die ze geleerd hebben van niemand anders dan van de grote lasteraar, satan. Scherp als een vlijm zijn de woorden, die ze als pijlen op de Zaligmaker afschieten.
„Indien Hij de Koning Israëls is, dat Hij nu afkome van het kruis, en wij zullen Hem geloven".
,,Hij heeft op God betrouwd, dat Hij Hem nu verlosse, indien Hij Hem wel wil".
Al de hoon is geconcentreerd in dat éne woordje : indien.
Indien Gij dan de Christus zijt, als al die grote dingen dan waar zijn, die ge van uzelf vertelt, als God dan uw Vader is, als ge dan iets kunt, doe dan iets ! Kom af, dan zullen wij het geloven.
Daar komt de bron van hun spot aan de dag : ongeloof, geloof op voorwaarde.
Harten, die niet onvoorwaardelijk willen geloven, die niet willen geloven zonder aanschouwen.
Had de Heere een teken gedaan, dan zouden ze Hem op de handen hebben gedragen.
Maar nu hebben ze voor Hem niets dan verachting.
Het is in deze onze dag nog niets anders geworden Als met duizend tongen klinkt het ,,indien" op naar de hemel. Het boos en overspelig geslacht verzoekt nog altijd een teken. En ons eigen vlees en hart zijn niet beter. „Als er dan een machtig. God is en als Hij dan genadig is "
De een zegt het spottend, de ander zuchtende, jammerend of knarsetandend, moedeloos of tierend en razend. Als het dan waar is, wat er altijd gepreekt wordt, waarom is alles dan niet anders ?
Als God regeert, waarom is het dan hier beneden zo'n warboel ? Laat Hij orde scheppen in de chaos, dan zullen wij geloven.
Als God dan goed is, hoe kan Hij dan zoveel ellende gedogen ? Laat Hij dat eerst eens veranderen, dan zullen wij geloven.
Als God dan een Helper in de nood is, waarom laat Hij mij dan omkomen, waarom treft mij de ene slag na de andere ? Waarom ga ik al worstelend steeds achteruit, waarom is er nooit eens uitkomst ?
Als het dan waar is, wat wij altijd van Hem horen, waarom bid ik dan tevergeefs, altijd weer, en daar is geen gehoor ?
Zijn dat alleen gedachten van mensen, die buiten de Kerk leven, of vindt iemand hier zijn eigen gedachten weergegeven ?
De spot moge er aan ontbreken ; zijn de gedachten soms dezelfde?
Maar misschien zijn de gedachten geestelijker. Misschien gaat het bij u om hoger dingen dan dit tijdelijk leven. In deze trant:
„Wist ik maar zeker, dat ik uitverkoren ben ; had ik maar een teken van Godswege, dat het goed met mij staat, dan zou ik wel geloven Had ik maar een bewijs, dat mijn zonden vergeven zijn . . . . '"
Ach, ook ons vlees en bloed willen niet geloven zonder te zien, wie we ook zijn en hoe het met ons ook mag staan.
Vlees en bloed willen niet onvoorwaardelijk gelóven.
Vlees en bloed willen niet midden in de duisternis het licht gelóven.
Vlees en bloed willen niet midden in de dood het leven gelóven.
Vlees en bloed willen niet midden in de ellende de verlossing gelóven.
Vlees en bloed willen niet midden in de armoede de rijkdom gelóven.
Vlees en bloed willen niet minder onder zondaren de Kerk gelóven.
Vlees en bloed willen zien, een teken, meer houvast dan een Koning aan een kruis, meer houvast dan de ergernis en de dwaasheid van het gepredikte Woord.
En toch, die ergernis en dwaasheid van het gepredikte Woord — dat is het!
't Echte, 't ware, 't enige . De Heere heeft zoveel zorg, dat dat gebracht wordt, dat zelfs de vijanden bij het kruis het moeten verkondigen.
Hun bedoeling was : te spotten. Maar zoals God Zich uit de mond der zuigelingen lof bereidt, zo bereidt Hij Zich uit de mond der vijanden waarheid.
Hoor ! Langs de stam van het kruis klinkt een lied omhoog.
Een lied ? Ja, een Psalm zelfs.
Overpriesters, Schriftgeleerden, Farizeërs en een der moordenaren nemen samen een Psalm op de lippen, en ze weten 't niet.
Tierende, dobbelende soldaten, die de kleren van de Heiland onder elkaar verdelen én het lot werpen over Zijn gewaad, helpen mee, en ze weten niet wat ze doen.
Het is Psalm 22 : „Want honden hebben Mij omsingeld, een vergadering der boosdoeners heeft Mij omgeven.
Zij hebben Mijn handen en Mijn voeten doorgraven.
Zij delen Mijn klederen onder zich en werpen het lot over Mijn gewaad.
Allen, die Mij zien, bespotten Mij, zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende. Hij heeft het op de Heere gewenteld, dat Hij Hem nu uithelpe, dat Hij Hem redde, dewijl Hij lust aan Hem heeft".
Grote verborgenheden geschieden er bij het kruis.
Vijanden van Christus zingen een Psalm en ze weten 't zelf niet.
Ze weten óók niet, hoe waar het is, als zij uitstoten : ,,Anderen heeft Hij verlost. Zichzelf kan Hij niet verlossen !"
Voor de Zaligmaker is dit een van de zwaarste momenten geweest in het kruislijden.
Dit zijn niet alleen scherpe mensentongen meer. Dit is satan zélf.
„Als Hij de Zoon was, dan zou Hij wel afkomen — maar Hij kan het niet. Hij kan het niet".
Dat is een verzoeking, die ons herinnert aan de hoogtepunten van satan's aanvallen : in de woestijn, en door middel van Petrus-satanas.
Maar nu is het ogenblik nog geraffineerder gekozen.
Eén machtwoord, en de vijanden zouden zwijgen.
Eén machtsdaad, en het folterende lijden is voorbij.
Maar de Heere Christus houdt stand. Uur na uur hangt Hij daar, gekweld naar lichaam en ziel, stilzwijgend onder laster en spot. Hij laat toe, dat Zijn smaders gelijk krijgen.
,,Anderen heeft Hij verlost. Zichzelf kan Hij niet verlossen".
En ze hebben gelijk. Deze hoon bevat de zuiverste waarheid.
Neen, Hij kon Zichzelf ook niet verlossen. Anderen heeft Hij verlost en daarom kon Hij Zichzelf niet verlossen.
Had Hij Zijn smaders geantwoord; had Hij één moment aan de verleiding toegegeven, dan was het voor ons eeuwig verloren.
Daarom kon Hij Zichzelf niet verlossen. Hij droeg in die ogenblikken Zijn Kerk op het hart, zoals de Hogepriester in Israël de stenen van de borstlap.
Hij moest denken aan Zijn schapen. Hij mocht maar één ding voor ogen houden : De Goede Herder stelt Zijn leven voor de schapen.
Daarom kon Hij niet, al was de verzoeking onhoudbaar, al moest Hij bezwijken onder de pijnen van Golgotha, al was één wenk voldoende geweest.
Is dat geen ware Zaligmaker ? Zie op Hem, o mens, o zondaar, laat u trekken tot dat kruis, tot die Man van Smarten.
Zijn vijanden wilden een teken: Hij moest afkomen van het kruis.
Laat voor ons het teken, waar we ons aan vastklemmen, zijn : dat Hij aan het kruis bleef. Want zo zeker als het is, dat Hij Zichzelf niet kon verlossen, zó zeker is het, dat Hij anderen wèl kan verlossen.
En niet alleen kan, maar Hij wil het ook. Anders was Hij afgekomen.
En niet alleen dat Hij het wil, maar Hij zal het ook. Daar staat Zijn volhouden ons borg voor.
Hij, Die bij het naderen van de zwarte kruisdood Zichzelf niet kon verlossen. Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naad'ren van de dood, volkomen uitkomst geven aan allen, die op Hem betrouwen.
,,Ach, ja" — zegt iemand - ,,maar daar hebt ge het nu : die op Hem betrouwen". Dat is het juist.
Op Hem betrouwen, dat zegt ge daar nu wel zo gemakkelijk, maar daar ben ik zo gauw niet mee klaar. Kón ik maar echt, geheel en al geloven, had ik maar zo'n vertrouwen.
Maar ik ben die man, die vrouw, die u in het begin getekend hebt, wiens vlees en bloed - maar niet willen, maar niet kunnen geloven, die een teken van de hemel zou willen hebben, een wonder in mijn leven. Ach, ik ongelovige, was ik maar gelovig !"
Och, , het zal wel altijd blijven : De rechtvaardige klaagt zichzelf aan over zijn ongerechtigheid.
De bekeerde bidt: ,,Heere, bekeer mij". De oprechte betreurt zijn leugenachtigheid.
De heilige zegt : ,,Reinig mij van al mijn vuile zonden".
En de gelovige heeft het zijn leven lang te kwaad met zijn ongelovigheid.
Maar wilt ge één ding aannemen ? Dat ge ook hierin alleen heil vindt in het zien op Jezus. De laatste woorden van de smaadzang leren het ons.
,,Hij heeft op God betrouwd, dat Hij Hem nu verlosse".
„Hij heeft op God betrouwd" - alsof dat de smadelijkste misstap was.
Hij heeft op God betrouwd maar daarmee heeft Hij niet anders gedaan dan wat wij hadden moeten doen.
Hij heeft op God betrouwd, volkomen, zender gebrek, altijd en onder alle omstandigheden.
Toen ze Hem aan het kruis sloegen. Toen satan Hem probeerde te verlokken. Zelfs toen het duister in en om Hem werd en Hij in de God-verlatenheid nog riep : „Mijn God".
Zie, in die angsten en smarten heeft God op Hem doen aanlopen onze ongelovigheid van hart. Omdat wij niet onvoorwaardelijk door dik en dun heen op God vertrouwen, daarom moesten de vijanden Hem toeroepen : ,,Waar is nu Uw God ? "
En daarop kon Hij niet antwoorden, daaruit kon Hij Zich niet verlossen.
Maar ons heeft Hij daarmee een kostelijke vrucht verworven.
Welke ? Deze, dat wij niet door de volkomenheid, of waardigheid, of zelfs naar kracht van ons geloof zalig behoeven te worden, — maar door 't Zijne: Hij heeft op God vertrouwd.
En bovendien heeft Hij ons een antwoord in de mond gelegd tegen alle aanvechtingen.
O zeker, niemand behoeft, Gode zij dank, te dragen, wat Christus droeg. — wij zouden meteen bezwijken. Maar toch laat de boze, laat het vlees geen gelovige geheel met rust met de vraag : ,,Waar is nu uw God ? "
,,Wat heeft het u geholpen, dat ge zo vaak hebt gebeden ? Is er al iets veranderd ? Hebt gij reden om iets van God te verwachten ? Waar is het bewijs, dat Hij naar u omziet ? Waar is dan uw geloof, waarom zijt ge dan niet anders, niet beter ?
Waar is uw God, als de moeiten van het leven zich vermenigvuldigen en ge ziet geen Vaderhand ?
Waar is nu uw God, als alles bij het oude blijft en ge niets ziet, geen teken, geen verbetering, geen geloof zelfs, alleen maar achteruitgang, minder worden ?
Wat zullen we antwoorden ? Ze hebben nog altijd gelijk.
Wel, zie op Hem, Die in de diepte van die aanvechting aan het kruis hing.
Hij heeft overwonnen en ons een antwoord in de mond gelegd : Ga weg, satan, al zie ik niets, al word ik niets gewaar, al is de hemel van koper, al staat alles tegen mij op mijn zonde, mijn onbekeerlijkheid, mijn ongelovigheid, mijn ondankbaarheid — nochtans zal ik het uithouden, zonder zien en zonder gewaar worden, zonder tekenen en zonder aanschouwen — nochtans zal ik niet anders kunnen dan het uithouden.
Want Hij heeft het uitgehouden — hoe zou ik nog vrezen !
Hij heeft overwonnen — hoe zouden mijn bestrijders nog wat vermogen !
Hij heeft het volbracht — wat zou mij nog ontbreken !
(Oud-Beijerland)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 7 april 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's