IS DAT ZO?
Het Moderamen der Synode richt zich bij schrijven d.d. 4 April 1949 tot de kerkeraden en kerkvoogdijen om belangstelling te wekken voor de Paascollecte.
Daarin wordt eerst uiting gegeven aan de dankbaarheid wegens de opbrengst van het collecteplan 1948.
Vervolgens wordt o.m. opgemerkt, dat er verschillende oorzaken zijn, tengevolge waarvan niet algemener het belang van deze arbeid (die n.l. door de Paascollecte wordt gedragen) wordt ingezien.
„Het is", zo gaat het schrijven verder, de terugval van velen in een zekere mate van gereserveerdheid ten opzichte van de gang van zaken in het kerkelijke leven, vaak opkomende uit allerlei politiek wantrouwen en misverstand. Het is daarnaast het verleggen van het accent, terug naar de binnenkerkelijke verhoudingen, moeilijkheden en tegenstellingen, waarin het in de bezettingsjaren gegroeide besef van een gemeenschappelijke roeping op het terrein der gehele samenleving reeds begonnen was bezinning en een begin van sanering te brengen.
Het is het herleven van de gedachte, dat wij eerst binnen de Kerk, tussen de kerkelijke richtingen, de theologische tegenstellingen, de politieke inzichten tot klaarheid zouden moeten geraakt zijn, wilden wij iets ondernemen op het gebied van de gemeenschappelijke en eendrachtige arbeid aan datgene, waartoe de Kerk als geheel geroepen is ten behoeve van de Kerk en de samenleving. (Cursivering van ons.)
Het Moderamen van de Generale Synode is diep overtuigd, dat een sanering van het kerkelijk leven binnen de Hervormde Kerk onmogelijk is, als de Kerk haar gelaat niet richt naar de taak, die zij heeft tegenover de samenleving, waarbinnen zij staat. Eerst dan zal de gezondmaking der Kerk zich kunnen voltrekken, wanneer zij in eendrachtige verantwoordelijkheid foor deze taak, gedwongen wordt tot de bezinning op de inhoud van haar verkondiging en op de wezenlijke zin van haar arbeid. Dat wil zeggen, dat deze taak haar drijven moet naar een hernieuwde confrontatie met Jezus Christus en Zijn Woord.
Keert men deze weg om, dan is elk pogen om uit de moeilijkheden te geraken, met onvruchtbaarheid geslagen.
Daarom acht het Moderamen van de Generale Synode de arbeid der Kerk, die door de Paascollecte gedragen wordt, van zo groot belang. Niet alleen om het belang van deze arbeid zelve, die op pastoraal, missionair en diaconaal terrein zoveel noodzakelijks en onmisbaars verricht. Niet alleen ook, omdat in toenemende mate zeer veel gemeenten van deze arbeid profijt beginnen te trekken yoor de plaatselijke arbeid.
Maar bovenal om de factor, die deze arbeid vertegenwoordigt in het geheel van het streven om te geraken tot vernieuwing van het kerkelijk belijden en tot het hervinden van de kerkelijke eenheid in de gemeenschappelijke roeping tegenover de samenleving, waarbinnen wij leven. (Cursivering van ons).
En het is om die reden, dat het Modera-
men ook de volle vrijmoedigheid heeft om U te vragen ieder lid van Uw Gemeente te doordringen van het belang van deze arbeid. En om dezelfde reden schroomt het Moderamen evenmin om te vragen, dat elk lid der Kerk in het besef van zijn of haar verantviroordelijkheid een werkelijk offer brengt en zo bijdraagt tot het in standhouden en het doen voortgaan van deze arbeid.
Daarom wil* het Moderamen U nog eens met ernstige aandrang vragen : Beveelt u de Paascollecte met kracht van argumenten aan. U werkt daardoor mede aan het herstel der Kerk, aan de gezondmaking van de kerkelijke verhoudingen, opdat onze Kerk zich opnieuw lere openbaren als belijdende Kerk van Jezus Christus.
Het Moderamen van de Generale Synode :
H. J. F. WESSELDIJK, Prases, E. EMMEN, Scriba.
Hét Moderamen geeft hier op openhartige wijze rekenschap van zijn visie op de dingen, hoewel deze niet in alle delen met de werkelijkheid overeenkomt.
Mogelijk is er voor het Moderamen aanleiding om te spreken van een herleven van de gedachte, eerst binnen de Kerk enz., maar die aanleiding ligt dan ook bij het Moderamen en bij degenen, die met het Moderamen gemeend hebben, dat de sanering van de kerk niet van binnen uit moest gezocht. Van herleven te spreken, is dan ook alleen van toepassing op degenen, die eerst op de weg van het Moderamen en zijn geestverwanten hebben vertrouwd, maar nu langzamerhand tot het inzicht komen, dat die weg niet tot het doel kan leiden : n.l. de gezondmaking van het kerkelijk leven.
Stel n.b., dat men een zieke wil genezen door negatie van zijn ziekte, gepaard gaande aan een uitdrijven tot de arbeid, die hij juist wegens zijn ziekte niet heeft kunnen doen. Als men die • man ook nog de achterstand wil doen inhalen met zijn door krankheid verlamd gestel, kan daarvan alleen beterschap verwacht worden, wanneer ziekte en verlamming slechts symptomen van een „ingebeelde ziekte" worden geacht te zijn.
Het zou een verheugend feit zijn, als dergelijke geneesmeesters tot het inzicht kwamen, dat het zo niet kan. _
Overigens is het oordeel van het Moderamen onjuist. Buiten de heersende partij van de nieuwe koers en die haar volgden, behoeft de gedachte aan sanering van binnen uit niet te herleven, omdat men geen andere had. Wat zich aan de Confessie houdt en daaruit leeft, heeft uit de aard der zaak een sanering voorgesteld van binnen uit. En wat die Confessie afwees of haar miskende, heeft van de vrees, dat zulk een sanering aanstaande was, duidelijk doen blijken.
Alleen de nieuwe koers heeft een ave-, rechtse methode willen toepassen, mede ten gerieve van allen, die met de belijdenis der kerk op gesp'a'nnen voet staan.
Voor zover het hier een zaak van methode mag. zijn, zijn wij dan ook van oprdeel, dat deze ten enenm.ale onjuist is, omdat zij uit beschouwingen opkomt, die geen recht doen aan het wezen der kerk. Daarom zal die methode ook tot mislukking gedoemd zijn.
Het is echter niet alleen een kwestie van methode.
Het Moderamen wil ons doen geloven, dat het kerkelijk leven binnen de kerk gezond worden zal, als de kerk haar gelaat richt op haar taak jegens de samenleving.
Wij vragen, hoe kan zij deze taak verstaan, als zij inwendig niet gezond is, en hoe zal zij die volbrengen ?
„Eendrachtige verantwoordelijkheid", — zegt het Moderamen — , , en daardoor gedwongen worden tot bezinning op de inhoud van haar verkondiging en op de wezenlijke zin van haar arbeid. De taak moet uitdrijven naar een hernieuwde confrontatie met , , Jezus Christus en Zijn Woord". (Sic).
Dat leert nu juist de confrontatie met de Heilige Schrift anders ! Stel, dat de apostel Paulus, terwijl hij de Christenen vervolgde, of toen hij daar stond bij de steniging van Stefanus, waarin hij mede een behagen had, voor I zijn taak was gesteld! De Heilige Schrift doet dat niet, maar zo moet- men het stellen om aan de gedachte van het Moderamen tegemoet te komen. Zou Paulus dan gedreven zijn tot bezinning op b.v. de inhoud van Stefanus' predikatie ?
De Heilige Schrift leert anders. Eerst Christus kennen en dam de taak. Zou dat met de kerk anders zijn'?
Men . kan moeilijk gjaderstellen, dat het Moderamen dit. niet; .^èet-, maar het ziet blijkbaar geen kans anders' uit de moeilijkheid te geraken. Het spreekt zelfs van onvruchtbaarheid.
Daarentegen verwacht het van zijn methode, dat zij tot vernieuwing van kerkelijk belijden zal komen.
Het is een duidelijke brief, die op zichzelf afdoende motiveert, dat zij, die van deze methode geen verwachting kunnen hebben, hun steun aan het streven van de richting, welke het Moderamen vertegenwoordigt, niet kunnen geven, juist, omdat zij daarvoor geen verantwoordelijkheid kunnen dragen.
Tussen de omgekeerde weg van het Moderamen en de rechte weg der kerk, liggen principiële kwesties, welke men klaarblijkelijk wil ontwijken. In d.e grond der zaak is de kerkelijke belijdenis aangaande de Heilige Schrift in het geding en het persoonlijk standpunt in dit geding beslist over de persoonlijke waardering van de belijdenis.
Men spreekt van de kerk, maar men houdt de kerk niet aan haar belijdenis, waarmede de weg harer sanering moet aanvangen. En het is louter individualisme, hetwelk de heersende richting wederhoudt van te doen, wat een iegelijk, die enig kerkelijk besef heeft, billijken moet.
Daarentegen zal men moeilijk kunnen volhouden dat zij, die opkomen voor de rechten der belijdenis als het draagvlak van het kerkelijk leven, een beginsel verdedigen, dat met het wezen der kerk en de aard harer openbaring in strijd is.
Wij zijn dan ook vam mening, dat het Moderamen daarvoor behoorde op te komen in zijn kerkelijk beleid en betreuren het, dat zijn brief op dit punt geen ander geluid geeft.
Er is geen enkele grondige reden aan te voeren tegen het streven, de sanering van het kerkelijk leven te zoeken door haar te herinneren aan haar eigen Confessie, haar daarin te onderwijzen en van daaruit tot bezinning van haar taak te roepen.
Het ligt voor de hand, dat de belijdende kerk daarin de tegenstand zou ontmoeten van allen, die dat niet wensen, omdat zij ten onrechte van geen binding aan de belijdenis willen weten, het confessioneel karakter der kerk ontkennen, of in geen geval de kerkelijke Confessie onderschrijven.
Ook deze weg zal op grote moeilijkheden stuiten en veel gebeds en wijsheid, zachtmoedigheid en beleid, en vóór alles geloof
vragen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 april 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's