De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE NIEUWE LEER

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE NIEUWE LEER

10 minuten leestijd

De zonde

,,Wij zullen er ons voor moeten hoeden de theologie, de dogmatiek, op te vatten als een systeem van wereld-, levens- en mensverklaring" — zo schrijft prof. v. N. op blz. 137.

Deze zinsnede is in feite bestrijding van de overgeleverde theologie. Op het standpunt van de nieuwe leer wordt de theologie nu eenmaal geheel anders bepaald. Theologie toch is wetenschap der openbaring. Zij houdt zich bezig met de data der openbaring en tracht die in verband te verstaan. Zij houdt zich dus bezig met de geopenbaarde dingen. En zij doet dit op de grondslag ener kerkelijke confessie. De wetenschap der theologie komt op uit het leven der gemeente ; zij staat op de grondslag van het geloof der gemeente.

In de hoogste zin heeft zij de gemeente van Christus achter zich. En zo is zij de hoogste kennis, welke de aardse mens is gegeven. De gemeente des Heeren, die op aarde openbaar wordt door de werking van Woord en Geest, neemt gestalte aan in wat wij noemen de zichtbare kerk, waarvan, evenals van Israël, geldt, dat het niet alles Israël is, wat Israël genoemd wordt.

Wij kennen ten dele, zegt de Heilige Schrift. In dat kennen ten dele is reeds een oorzaak gegeven, waarbij nog andere zouden kunnen worden vermeld, die ten gevolge heeft, dat ondanks de belijdenis van de ene heilige algemene Christelijke kerk, de eenheid in belijden uiteenvalt in verschillende confessies en kerkvormen.

Uit dien hoofde gaat ook de Christelijke theologie in verschillende kerkelijke leerstelsels uiteen, zoals zij door de kerkelijke confessies worden bepaald. Wij onderscheiden b. V. een Roomse, Lutherse, Gereformeerde theologie.

De nieuwe leer onderscheidt zich reeds daardoor, dat zij niet door een bepaalde kerkelijke confessie wordt bepaald, ofschoon zij in menig opzicht aan de Lutheraanse verwant is. Uit dien hoofde zou men haar het recht op de titel kerkelijke dogmatiek zelfs kunnen betwisten.

Als prof. V. N. beweert, dat wij niet van geopenbaarde dingen, maar alleen van openbaring mogen spreken, moet daaruit volgen, dat de nieuwe leer reeds daardoor grondig afwijkt van wat wij in traditionele zin onder theologie verstaan.

Ten gevolge nu van het openbaringsbegrip, waarvan deze theologie uitgaat, hetwelk haar eigenlijke axioma vormt, kan zij zeggen, dat theologie geen systeem van levens-, wereld- en mensverklaring is. Dat geldt dus van haar, althans zij moet dit zo stellen. Zij heeft echter volstrekt geen recht om aan de wereld en de kerk zulk een bepaling van theologie op te leggen, en allerminst aan de kerk.

Men kan ook niet verwachten, dat de levende kerk dat ooit zal aanvaarden en als zij het deed, zou zij de onheilvolle gevolgen daarvan spoedig ervaren.

Wij wijzen dan ook de bewering van prof. V. N. radicaal van de hand, als in strijd met de realiteit des geloofs.

Intussen gaat ook in deze de natuur boven de leer, want het kan niemand ontgaan, dat ook deze nieuwe leer niet buiten een levens- en wereldbeschouwing en zelfs een mensverklaring omgaat, al wil zij van geen systeem weten.

„Dat de zonde er is in Gods goede schepping, en dat het geloof niet aller is —, dat is niet te verklaren —, dat is niet doorzichtig te maken '—, daar staat ons verstand bij stil, dat is de onmogelijke mogelijkheid, een randmogelijkheid, die zich als zodanig niet een apart hoofdstuk in de dogmatiek verwerven kan. Dat de duivel er is, macht heeft en heerschappij oefent, — dat is wederom die onmogelijke mogelijkheid". Zo schrijft prof. V. N. (blz. 137).

Daar staat nogal wat in. Vooral die onmogelijke mogelijkheid trekt de aandacht. Wie toch maakt uit wat mogelijk is ? Een mogelijkheid wordt logisch genoemd, indien de rede aanleiding heeft orii de mogelijkheid te aanvaarden. Zij wordt werkelijkheid, als zij door de ervaring wordt bevestigd. Hier wordt beweerd, dat zonde in een goede schepping voor de rede een onmogelijkheid is.

Wij hebben in verband met het denkbeeld van de schepping in het Beeld Gods reeds opgemerkt, dat de zonde als een uitvallen uit dat Beeld werd geschetst. Wij hebben ook opgemerkt, , dat de mens met de gehele wereld uit God moet gevallen zijn. De staat der zonde moet dan bestaan in het uit God gevallen zijn. Dat uitvallen als zodanig, de zonde, moet alzo in het Beeld Gods, d.i. in de Zoon, in God, hebben plaats gevonden. De eerste vraag is, welke waarde men aan zulk een onderstelling kan hechten, daar deze toch zeker niet meer dan een onderstelling kan zijn. De Heilige Schrift tekent ons een gans ander beeld.

Het behoeft geen betoog, dat het logisch volstrekt tegenstrijdig is te onderstellen, dat de zonde in het Beeld Gods, zijnde de eeuwige Zoon van God, alzo in God, zou zijn ontstaan, om de eenvoudige reden, dat in God alles God en goddelijk is.

Dit een onmogelijkheid te noemen, rust alzo in de logische tegenstrijdigheid van de onderstelling, waarvan men uitgaat en zelfs volkomen willekeurig uitgaat. Het is dan ook een dwaasheid om te zeggen : dat ons verstand er bij stilstaat, want het verstand begint met deze tegenstrijdigheid te stellen. Op welke grond zegt men dan : er is zonde ? Indien men zegt: op grond der ervaring, wordt de zaak, anders. Dan staat men voor de vraag : Hoe kon de zonde in .een goede schepping Gods ontstaan ? Als God de wereld geschapen heeft, hoe kan zij zo vol ellende zijn ? Een vraag, die de eeuwen door de grote denkers heeft bezig gehouden.

Dit ervaringsfeit kan de nieuwe leer niet erkennen, omdat de zonde als zodanig door haar buiten het terrein der ervaring wordt gesteld. Volgens haar leven wij als mensen, die met de wereld uit God gevallen zijn. Al onze ervaring moet derhalve betrekking hebben op een uit God gevallen wereld, en van een rein geschapen zijn weten wij niets. Het volslagen dualisme, waarvan deze leer uitgaat, moet het zo stellen, zelfs met ontkenning der werkelijkheid.

De philosophen hebben inderdaad meer oog gehad voor de werkelijkheid van de bewegingen van het mensenhart. Zij hebben verstaan, dat de mens in verschillend opzicht boven zich zelf uitwijst. De mens weet van goed en kwaad, en ofschoon hij in zijn verdorven staat in de diepste zin niet weet wat goed en kwaad is, wijst toch dit besef op een conflict met zijn levenswet.

Ook de oude philosophen hebben de oorzaak van dit conflict buiten de mens gezocht. Ook Plato schreef de mens een eerder bestaan in een goddelijke wereld toe, waaruit hij gevallen zou zijn.

Het is waar, dat de Heilige Schrift ons leert, dat de zonde oorsprong nam in de wereld der engelen. Doch hoe weinig de Heilige Schrift ons leert omtrent de schepping der engelen, het is duidelijk, dat ook die engelen een schepselmatig bestaan buiten God hebben.

En nu blijft ook zó de vraag, hoe het mogelijk was, dat het reine schepsel in zonde viel, zowel engel als mens, maar die vraag geldt een geheel andere situatie. Niet, hoe het mogelijk was, dat de zonde in God ontstond ? Dat is geen onmogelijke mogelijkheid, maar de allergrootste ongerijmdheid, die men bedenken kan. De gereformeerde theologen, die zó diep doordrongen zijn van de souvereine Majesteit Gods, dat zij geen plaats voor het toeval vinden, zelfs niet met betrekking tot de zonde, wijzen met grote nadruk de gedachte af, dat God Auteur van de zonde zou zijn.

Deze nieuwe leer moge pogen zulk een gedachte te ontwijken door te spreken van een onmogelijke mogelijkheid, maar zij ontkomt er niet aan, omdat in God alles God en goddelijk is.

De Lutherse leer van de mens stelt ons trouwens van meet af voor zulk een ongerijmdheid. Zij leert, dat de mens in rechtheid zijn bestemming bereikt had. Bij zulk een wezen kan dus geen sprake zijn van groei of ontwikkeling. Hij was vol, een schepsel in zijn volheid. Hoe zulk een schepsel nu vallen kan, is op zichzelf ook reeds onmogelijk. En als nu de ervaring leert, dat de zonde een feit is geworden, kan men alleen spreken van een onmogelijke mogelijkheid, als men zijn valse grondstelling niet wil herzien.

De werkelijkheid leert, dat de mens zelfs in zijn verdorven staat nog groeit en een ontwikkeling doormaakt.

Het is merkwaardig, dat deze nieuwe leer, die ons wil diets maken, dat wij geen ge-openbaarde waarheden hebben, en voor het z.g. dynamisch karakter van het kerkelijk belijden opkomt, voor deze dynamiek der ervaring geen oog heeft.

Thans stelt zij een val uit het Beeld Gods voor. Het is volgens haar dus niet zo, dat God deze wereld in het aanzijn riep, de dingen, die wij zien uit de dingen, die wij niet zien. Het zou dus niet zó zijn, dat deze wereld als een reine schepping door Zijn machtwoord in het bestaan werd geroepen en dat Hij de mens in deze wereld schiep en hem stelde voor de weg des levens en des doods.

Neen, deze wereld zou tengevolge der zonde buiten God en haar oorspronkelijke staat zijn gevallen. De zonde zou dus niet hier in deze wereld zijn ontstaan, zoals de Heilige Schrift duidelijk leert, neen — men zou eerder kunnen zeggen, dat deze wereld tengevolge van de zonde een van God onderscheiden bestaan heeft aangenomen.

Strikt genomen, zijn in deze visie creatuurlijkheid en zonde wel niet hetzelfde, maar het komt er toch eigenlijk op neer.

Vandaar dat dit bestaan als een niet-zijn wordt aangemerkt en dat de nieuwe leer geen plaats kan geven aan een openbaring in de schepping. Deze schepping toch is als zodanig eigenlijk niet Gods schepping.

Hoe dit leven dan nog mogelijk is, blijft in het duister. De vraag zou niet misplaatst zijn, of de mens nu eigenlijk nog een mens is gebleven en wat de mens tot mens maakt.

In ieder geval kan het duidelijk zijn, dat de beoordeling van het menselijk leven door deze nieuwe leer een andere is dan die der Heilige Schrift. De mens is bij wijze van spreken uit zijn oorspronkelijke levenssfeer gevallen.

Daarom geen sprake van goddelijke levenswet en levensnormen in dit bestaan. Hij is ten enenmale vreemdeling in een vreemde wereld.

Volgens de Heilige Schrift is de mens in deze wereld geschapen als de kroon der schepping. Hij is in deze wereld gezet en tot heerschappij geroepen. In deze wereld begon hij de weg naar zijn eeuwige bestemming. In de onderhouding van zijn levenswet was zijn behoud gelegen.

De zonde was overtreding van zijn levensorde in deze wereld en daarmede verzet tegen zijn Schepper. Ondanks de zonde echter vertoont hij nog altoos de overblijfselen van zijn adeldom.

Wel werd zijn leven verdorven. Hij zelf werd verdorven, maar, schoon verdorven, bleef hij een mens. Hij bleef gebonden aan zijn levenswet, aan Gods wet, ook als hij niet meer bij machte is die te volbrengen, en verkeert onder het goddelijk oordeel.

Daarom ook gaat hij nog altoos voort in dadelijke zonden. Hij is niet uit God gevallen, maar door de onherstelbare stap der zonde ging hij over van de gerechtigheid in de ongerechtigheid. Tenzij de genade Gods zich over hem in Christus ontfermt, sterft hij weg in ongerechtigheid.

Wie zich rekenschap geeft van deze dingen, zal verstaan, dat ook het stuk der rechtvaardigmaking door de nieuwe leer gans anders wordt gesteld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE NIEUWE LEER

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's