Korte samenvatting
van onze bezwaren tegen Ordinantie XV en voorstellen tot wijziging
Art. 8. De indeling in wijkgemeenten is imperatief voorgeschreven in de Ordinantie voor de vorming van de gemeenten. Wij achten het niet juist dat op zodanige wijze in de rechten der gemeenten woplt ingegrepen. Bovendien menen wij, dat de voordelen, welke men daarmede beoogt, omgekeerd evenredig zullen zijn aan de verwarring en de schade, welke daardoor in menige vooral grotere gemeente zal worden aangebracht. Deze regeling stuit op talloze practische bezwaren, welke plaatselijk ook weder onderling verschillen. Wij menen daarom dat het belang der Kerk in haar geheel meer gediend zal zijn met een facultatieve bepaling van deze strekking, het aan de omstandigheden der gemeenten overlatende of deze daarvan gebruik zullen maken.
2e alinea: Wij hebben bezwaar tegen goedkeuring van een Kerkeraadsbesluit door een commissie, welke slechts adviescommissie behoort te zijn. Acht men goedkeuring van een dergelijk Kerkeraadsbesluit noodzakejijk, dan behoort zulks plaats te vinden door de Classicale Vergadering.
Art. 9. Is een zuiver plaatselijke aangelegenheid, welke door de Kerkeraad incidenteel of door de diaconie krachtens een regeling bedoeld in art. 3 behoort te worden geregeld. Is goedkeuring nodig door een meerdere vergadering, dan behoort deze weder bij de Classicale Vergadering. Het verdraagt zich niet met het gereformeerde Kerkrecht, dat de Kerkeraad ondergeschikt wordt gemaakt aan een commissie, die niet is een meerdere vergadering in de aloude betekenis van het woord.
Art. 10. Tegen het gestelde in het 2e lid van dit artikel bestaan bij ons overwegende bezwaren, daar de beoordeling of, en zo ja, onder welke regeling daar bedoelde transacties zullen worden aangegaan, uitsluitend berust bij de Kerkeraad. Inmenging van derden, welke geen meerdere vergaderingen zijn, is ontoelaatbaar. Goedkeuring van dergelijke, onder omstandigheden, vrij diep ingrijpende besluiten, kan nuttig zijn, doch men legge dan de supervisie in handen van die instantie, waar deze behoort, in casu van de Classicale Vergadering c.q. Provinciale Kerkvergadering voor zover gemeenten in verschillende classes zijn gelegen. Tegen het uitbrengen van advies aan deze lichamen door een deskundige instantie, bestaat uiteraard geen bezwaar.
Daarom wordt voorgesteld de redactie van het 2e lid dienovereenkomstig te wijzigen.
II. DE FINANCIëN VAN HET DIACONAAT. (De Diaconie).
Art. 14. Het gestelde in dit artikel is naar ons inzicht te stringent. In de practijk wordt bij schenkingen of erfstellingen door de betrokkenen nagenoeg nimmer een nadere bestemming aangewezen dan die van „Diaconie". In het tegenwoordige Algem. Reglement voor de Diaconieën is bepaald, dat legaten enz. van ƒ100.- en daarboven rentegevend moeten worden belegd, tenzij het Classicaal Bestuur daarvan afwijking toestaat. Deze regeling past zich meer aan aan de practijk. Bij aanwezige belangrijke tekorten moet het mogelijk zijn deze mede door dergelijke schenkingen aan te vullen.
Voorgesteld wordt daarom dit artikel als volgt te lezen : „Schenkingen, erfstellingen en legaten van ƒ 250.— en daarboven en waarbij geen bepaalde bestemming is aangegeven, worden ten gunste van de kapitaaldienst belegd".
„Van het gestelde in het eerste lid kan bij besluit van de Kerkeraad ontheffing worden verleend onder goedkeuring van de Classicale Vergadering".
Art. 15. Hier gelden onze reeds meermalen naar voren gebrachte bezwaren, dat de Kerkeraad afhankelijk wordt gesteld van een commissie. Goedkeuring van een dergelijk besluit, desnoods accoord — wij achten zulks evenwel overbodig — doch dan in de kerkelijke weg : dus door de Classicale Vergadering.
Art. 16. Met de structuur van dit artikel kunnen wij ons niet verenigen, voor zover op o.i. ontoelaatbare wijze wordt ingegrepen in de zelfstandigheid van de gemeente. Het opmaken van een begroting voor barmhartigheidswerk is in wezen een „rara avis", doch als enig inzicht van de Kerkeraad in het te voeren beleid van diakenen bij wijze van orde van grootheid is tegen de opstelling van een cijfergroepering geen bezwaar, doch de wijze waarop dit zal geschieden blijve uitsluitend voorbehouden aan de Kerkeraad. Dat andere instanties bedragen op deze begroting zouden kunnen brengen of afvoeren tegen de verantwoordelijke diakenen in, is onaanvaardbaar. Met wie moeten diakenen overeenstemming bereiken (3de lid) ? Wat betekent „bij ordinantie voorgeschreven posten" in het 5e lid ?
De administratieve procedure in dit artikel is in de practijk niet uitvoerbaar. De behoeftigen kunnen in nood niet wachten op de afloop van de procedure voor aanvulling van de betreffende begrotingspost! Voorgesteld wordt het Ie lid te redigeren als volgt: „De Kerkeraad stelt vóór 1 November de door diakenen voor 1 October opgemaakte en aan hem voorgelegde begroting van uitgaven en ontvangsten voor het volgende kalenderjaar vast".
Het 2e, 3e, 4e en 5e lid te doen vervallen. Het laatste lid te lezen als volgt: ,,De vastgestelde begroting wordt binnen een maand na de vaststelling gedurende veertien dagen in verkorte vorm voor de leden der gemeente ter visie gelegd".
Art. 17. Mutatis mutandis gelden voor dit artikel dezelfde bezwaren als voor art. 16. Het artikel ware te redigeren als volgt : „De Kerkeraad stelt voor 1 Mei de door diakenen voor 1 April opgemaakte en aan hem voorgelegde rekening van de uitgaven en ontvangsten in het afgelopen kalenderjaar vast".
„De rekening wordt binnen 14 dagen na de vaststelling door de Kerkeraad ter goedkeuring ingezonden aan de Classicale Vergadering en binnen een maand na verkregen goedkeuring in verkorte vorm gedurende 14 dagen voor de leden der gemeente ter visie gelegd".
,,In gedecentraliseerde gemeenten enz." enz.
. III. DE BREDERE DIACONALE ORGANEN.
Art. 18 en 19. In de vorm, als in deze artikelen neergelegd, hebben wij overwegende bezwaren tegen de daarin genoemde raden en commissies, omdat deze op deze wijze de plaatselijke zelfstandigheid ten enenmale te niet doen. Als adviserende instellingen ten behoeve van de verschillende kerkelijke vergaderingen zouden zij acceptabel zijn, doch stellig niet als actief optredende instanties. Daarvoor is naar gereformeerd Kerkrecht geen plaats. Bovendien kunnen wij ons niet verenigen met de voorgestelde samenstelling daarvan in zover het mogelijk is dat deze lichamen practisch geheel of nagenoeg geheel zouden bestaan uit personen, die buiten het diaconale leven staan. Immers om benoemd te kunnen worden, behoeft men slechts lidmaat der Kerk te zijn. Wij menen, dat de deskundigheid van deze raden en commissies aanmerkelijk zal toenemen, indien de bezetting daarvan slechts kon plaats vinden uitsluitend door dienstdoende diakenen.
Daarom wordt voorgesteld het woord ,,lidmaten" in de art. 18 en 19 te wijzigen in ,,dienstdoende diakenen".
Art. 20. Het gestelde in dit artikel geeft aan de organen, bedoeld in de art. 18 en 19, zodanige ruime bevoegdheden, dat de Kerkeraden onder omstandigheden practisch niet veel anders meer zijn dan administratieve lichamen om uit te voeren hetgeen de bedoelde organen menen, dat moet geschieden. Tegenover een dergelijke aanranding van de gemeentelijke autonomie menen wij ten krachtigste stelling te moeten nemen. Wij geven in overweging dit artikel als volgt te lezen : „De bredere diaconale organen hebben bijzonderlijk tot taak de ambtelijke vergaderingen en de diaconieën omtrent diaconale aangelegenheden van advies te dienen".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 april 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's