DE NIEUWE LEER
PRAEDESTINATIE
Calvijn noemde de praedestinatie het hart der kerk en prof. v. N. beweert, dat de gereformeerde belijdenis dit stuk geheel verkeerd ziet. Als Calvijn zo spreekt, gelijk hij doet, maakt hij allerminst een theorie om, vreemdsoortige ervaringen te verklaren (blz. 136). Hij noemt de praedestinatie het hart der kerk, omdat hij de kerk ziet als een levende werkelijkheid, welker oorsprong even als die van alle dingen ligt in het voornemen Gods en welke op aarde openbaar wordt door de werking van Woord en Geest.
Hij belijdt, dat het leven der kerk in Christus is, omdat de Heilige Schrift dit alzo leert: ,,Ons leven is met Christus verborgen bij God. Maar hij zegt ook, dat dit leven enigermate in ons moet zijn. Dit leidt allerminst tot vreemdsoortige ervaringen, al spreekt ook de Heilige Schrift van verborgen omgang. Het geloof is een verborgen zaak, die nochtans degenen, die geloven, niet verborgen blijft. Alle werken Gods rusten in een verborgenheid, de schepping, de openbaring en de herschepping. Als de verr borgenheid Gods over ons komt, gebeurt er iets wonderlijks. De omgang met God en de goddelijke dingen is een ingaan in het heiligdom (Ps. 12) : 17). Job zegt, dat de verborgenheid Gods over zijn tent was (29 : 4).
De nieuwe leer wil echter van een beleving der verborgenheid, van bevinding des geloofs, niet weten. En voor zover prof. v. N. nog van verkiezing en verwerping spreekt wil hij daarvan slechts weten als een verkoren of verworpen zullen zijn. Er zijn geen verkorenen en verworpenen, zegt hij (blz. 136), zoals er blanken en zwarten, mannen en vrouwen zijn.
Dat is ook zo, want het zwart of blank zijn, het man of vrouw zijn, heeft wel te maken met het voorzienig bestel Gods, maar het verkoren of verworpen zijn vindt zijn oorsprong in de praedestinatie, die over blanken en zwarten, mannen en vrouwen, gaat. Hij vindt, dat men alleen van de mens Jezus Christus, Jezus van Nazareth, kan zeggen, dat Hij verkoren (en verworpen) is. Alle anderen zijn verkoren en verworpen in Hem en nu juist niet in hun individualiteit. Het is niet waar, dat Gods verkiezing een directe bepaling van elk mensenleven als zodanig is. Gods verkiezing heet Jezus Christus, (blz. 136).
Als dat zo is, zoals het hier staat, want wij ontkennen niet, dat de verkorene Israels in enigheid des Persoons met de Christus werd verenigd, maar als dat zo is, als het hier staat, zodat alle anderen in Hem zijn verkoren en verworpen en nu juist niet in hun individualiteit, dan moet de volgende redenering gelden.
De zonde bracht de val van de in God, d.i. in Zijn Beeld geschapen, mens. Toen nam die gevallen mens (met heel de wereld, die met hem uit God viel) dit ondermaanse bestaan aan buiten God.
Die gevallen mens weet echter van niets en kan niets weten, omdat hij buiten God bestaat. Hoe hij dan toch bestaan kan, laat men rusten.
Nu is Jezus Christus in de wereld gekomen en ziet, aan het Kruis wordt gezien, dat Jezus Christus de verworpene is. In Zijn opstanding wordt ontdekt, dat Hij de verkorene is.
Dank zij de openbaring omtrent deze dingen, ontdekt men, dat alle mensen in Hem verworpen waren en ook, dat zij in Hem verkoren zijn. De mensheid, dus verworpen en verkoren tegelijk, n.l. in Hem. Juist niet in de individualiteit.
Is dat misschien ,,de boodschap", waarover zovele predikanten het tegenwoordig hebben, de boodschap, die moet doorgegeven, maar waarover zij zo heel weinig zeggen ? Wanneer men dat wat duidelijker verklaarde, zou het spoediger blijken, dat zulk een ,,verkondiging" de kerk moet leegpreken.
Wie zal het een hoorder kwalijk kunnen duiden, als hij althans vertrouwen in de prediker stelt, dat hij voor eens en voor al aan zo'n boodschap genoeg heeft, omdat hij de conclusie trekt : Het gaat buiten de individualiteit om, maar allen verworpen en verkoren tegelijk, welaan, dan kunnen wij de toekomst rustig afwachten.
Anderzijds, wanneer hij geen vertrouwen stelt in deze prediking, zal het hem niet gelusten de volgende Zondag andermaal ,,de boodschap" te horen.
Prof. v. N. spreekt van ,,vreemdsoortige ervaringen", maar zijn leer geeft aanleiding tot ,,vreemdsoortige" redeneringen.
Het is een nieuw evangelie, wat ons hier wordt voorgesteld, en mogelijk heeft de apostel Paulus ook al te menselijk gesproken, als wij althans eenvoudig nemen, wat hij zegt, maar hij is toch wel verzekerd geweest van de echtheid van het Evangelie, dat hij bracht. Hoe anders kon hij zeggen : vervloekt is hij, die een ander evangelie brengt, al ware het een engel uit de hemel.
En nu zijn het geen engelen uit de hemel, die tegenwoordig een nieuwe leer verkondigen, het zijn slechts mensen, die bovendien verkondigen, dat wij geen goddelijke waarheden hebben. Zij mogen bedenken, dat het waarheidsgehalte van hun woorden over God en de goddelijke dingen, dan niet minder twijfelachtig is.
Deze leer zou zo vreemd niet over verkiezing spreken, als zij voor de kennis der schepping en der zonde bij de Heilige Schrift ware gebleven.
Dan zou zij niet bij een onbekende schepping in God blijven staan, maar bij de wereld, waarin wij leven, zoals die uit de scheppende daad Gods gestalte heeft verkregen, en zulks in reinheid en tot haar bestemming volmaakt toegerust.
Dan zou zij verstaan, dat de gestalte der dingen niet zinloos is, maar expressie geeft aan de hoogste Wil, die het alzo heeft verordineerd. Dan ook zou zij de aardse mens niet als een volkomen negatie van zijn wezen zien, een niets, een leeg vat, maar naar zijn oorsprong goed en tot een eeuwige bestemming geroepen.
Dan ook kon zij niet zo maar buiten de individualiteit om praten, alsof de verscheidenheid geen goddelijke gave ware en de persoonlijkheid niet het zó geheel eigene, dat een iegelijk mens naar zijn persoonlijkheid geheel enig is.
Dit laatste zal niemand kunnen ontkennen, maar, indien wij het geheel eigene der persoonlijkheid erkennen, zal men dit evenmin voor feit zonder betekenis kunnen houden als het aan een toeval toeschrijven.
Maar wat dan ?
Kan de verscheidenheid der persoonlijkheden buiten de scheppende Wil omgaan ? En zo zij uit Gods Wil is, hoe wil men de goddelijke voorbeschikking ontkennen in die zin, dat de persoonlijke mens juist als zodanig een eigen, door God verordineerde, plaats in de mensheid verkreeg.
Men zal hier tegenwerpen, dat dit nog wat anders is dan de leer der verwerping en verkiezing, welke toch betrekking heeft op een eeuwig wel of wee. Dat is ook zo, maar deze dingen staan niet los van elkander.
Prof. v. N. wil van geen idividuële verkiezing of verwerping weten. In navolging van Barth, wil hij slechts een verkoren en verworpen zijn van Jezus Christus erkennen, Dit is al niet Schriftuurlijk, want de Heilige Schrift spreekt wel van Christus als van de Uitverkorene, maar zij spreekt nergens van Christus als een van God verworpene.
Jezus Christus zou de enig verworpene en verkorene zijn. Om Zijn verwerping zijn alle verworpenen verkoren.
De nieuwe leer wil dus de verkiezing der verworpenen alleen in verband met de verkiezing van Jezus Christus zien. Zij stelt zich tegen de leer van Calvijn, naar zij meent, omdat deze een individuele verkiezing in het besluit Gods en dus buiten Christus om zou leren.
Voorts wil de nieuwe leer geen besluit der verwerping erkennen.
Wat het laatste punt betreft, kunnen wij kort zijn.
Want, vraagt men, of alle mensen verkoren zijn, dan zegt de nieuwe leer : ja.
Vraagt men : zal er dan geen mens verloren gaan ?
Ondanks het feit, dat de Heilige Schrift op dit punt-heel duidelijk is en geen twijfel laat omtrent een eeuwig oordeel, zegt Brunner : het is mogelijk, dat allen behouden worden.
Barth, bij wie men mogelijk een radicaal ,,neen" zou verwachten, zegt : Het is in Gods hand.
Prof. van Niftrik zegt, dat er in het eindoordeel verlorenen zullen zijn.
Het radicale ,,neen" ontbreekt bij allen. In ieder geval springt de onderstelling, dat er toch wel verlorenen kunnen of zelfs zullen zijn, in het oog.
Uit de stelling der algemene verzoening moet dus volgen, dat, hoewel Christus voor alle verlorenen verzoening heeft gebracht, deze nochtans verloren gaan.
Deze schijnen dan buiten God om verloren te gaan. De ergernis van een besluit der verwerping is schijnbaar weggenomen, maar de verlorenheid blijft en men kan klaarblijkelijk tegen de Wil van God in verloren gaan.
De verkiezing niet buiten Christus om. Op zichzelf is dit een punt. van belang. De nieuwe leer wil slechts van een verkiezing in Jezus Christus weten en beschuldigt de gereformeerde leer er van, dat zij een verkiezing buiten Christus om zou leren. Dat zou dan het verkeerde zijn.
Juist is, dat de gereformeerde theologie de grond der verkiezing niet stelt in den Middelaar. Als men dat bedoelt, heeft men gelijk, want de gereformeerde leer ziet de grond der verkiezing in de Raad Gods, dus in het besluit Gods.
De gereformeerde leer kent wel verschillende opvattingen omtrent de volgorde der besluiten naar aanleiding van het supra-lapsarisch of infra-lapsarisch standpunt. Ook spreekt men van een logische volgorde der besluiten Gods. Wij volstaan met de opmerking, dat tegen zulke redeneringen op zichzelf reeds gegronde bezwaren rijzen, maar wij willen deze ingewikkelde materie hier buiten beschouwing laten.
Dat echter de verkiezing buiten de Christus omgaat, kan ten aanzien van de gereformeerde theologie moeilijk gezegd worden, en uit het feit, dat in de discussie tussen supra- en infra-lapsariërs de verhouding der verkiezing tot de Middelaar een kwestie is, kan men reeds opmaken, dat men zonder meer niet kan zeggen, dat de verkiezing buiten de Middelaar omgaat, al denkt de gereformeerde theologie aangaande deze dingen anders en meer in overeenstemming met de Heilige Schrift, dan de nieuwe leer.
Dit laatste heeft mede ten gevolge, dat zij een andere leer heeft aangaande de gemeente als het Lichaam des Heeren, en — zoals reeds eerder aangetoond — over de schepping en onderhouding der wereld.
De kerk toch gaat terug op het voornemen Gods van voor de grondlegging der wereld.
En aangezien de Christus der Schriften in alle werken Gods als een goddelijke Werkmeester en Middelaar wordt getekend, is er geen enkel werk Gods dat buiten de Christus omgaat.
't Is wel minder juist, dat gereformeerde theologen vaak van de Middelaar der schepping spreken, want als er nog geen mens is, kan er geen sprake van een Middelaar zijn, maar dit bedoelt dan ook op de werkzaamheid van Christus in de arbeid der schepping te wijzen.
Ten aanzien van de Godsopenbaring heeft het echter wel zin van de Middelaar te spreken, omdat de openbaring het schepsel aangaat. Zo zien wij het Woord reeds van de beginne als Middelaar der openbaring. Ook in rechtheid, zegt Calvijn, vermocht de mens niet zonder het Woord tot God te naderen.
Als Christus ook Raad Gods wordt genoemd, en van Hem geschreven is, dat alle dingen tezamen in Hem bestaan, kan zomin de verkiezing als de schepping en openbaring der kerk buiten de Christus omgaan.
Daaromtrent is in de gereformeerde theologie geen verschil, maar de moeilijkheden rijzen ten aanzien van de zondeval en het Middelaarswerk der verzoening. In dit verband gaan de opvattingen van supra- en infra-lapsariërs uiteen.
Beiden stellen de grond der verkiezing in het besluit Gods, en hoewel de verkorenen uit de plaatsbekledende arbeid van de Christus geheiligd worden, valt hun dat ten deel op grond van de verkiezende genade Gods in Christus.
Zij zijn in Christus verkoren, omdat de ganse gemeente (d.i. degenen, die Christus gegeven zijn), als een organisch geheel in Christus verkoren is. Het voorwerp der verkiezing is de gemeente in Christus. De betrekking van de gemeente tot Christus wordt als een zeer bijzondere getekend, en wel als een zeer innige levensbetrekking. Zij wordt toch voorgesteld als Zijn Bruid. De gemeente des Heeren is alzo tot Zijn Bruid verkoren en Christus Zelf geeft te kennen, dat deze Hem door de Vader gegeven is. ,,Vader, Ik wil, dat waar Ik ben, ook degenen zijn, die Gij Mij gegeven hebt".
Zo komt Christus tot het Zijne. Hij komt om het Zijne te zoeken. Hij zegt ook : ,,Ik bid niet voor de wereld". ,,Ik bid voor degenen, die Gij Mij gegeven hebt".
Deze betrekking van de Bruid tot de Christus kan niet eerst van de val des mensen dateren, en de val des mensen kon ook de Raad Gods omtrent de uitverkorene gemeente niet breken, noch de Liefde Gods verstoren, al moest de zonde Zijn heilige toorn opwekken. Die Liefde werd dan ook reeds openbaar in de genade, waarmede God de zondaar opzocht en van verlossing sprak.
Aangezien de Christus als Middelaar der openbaring en hoogste Profeet en Leraar ook de eerste en hoogste Profeet der ontferming Gods is, kan er ook zo geen sprake zijn van een buiten de Middelaar omgaan, noch in de verkiezing, noch in de uitwerking der verkiezing Gods.
Men maakt ook bezwaar tegen een voorstelling, alsof de goddelijke verkiezing een verkiezing van een aantal personen, individuele mensen uit het menselijk geslacht zou zijn en als zodanig buiten de Christus zou omgaan.
Zulk een voorstelling is reeds verworpen door het voorafgaande. De gemeente werd in Christus verkoren. Wij gaan niet speculeren over de vraag, hoe dat dan zou geweest zijn, als de mens eens niet gevallen ware, want de mens is gevallen. Wij vragen alleen, of God niet vrij ware, ook uit een rechtvaardig geslacht een gemeente te verkiezen, welke uit dit geslacht werd verheven tot een bijzondere dienst en in een bijzondere betrekking tot de Zoon?
En voorts, als de gemeente des Heeren als zodanig door God werd verkoren en onderscheiden naar het voornemen van Zijn Wil, zou dan zulk een verkiezing buiten de personen kunnen blijven ?
Veeleer volgt uit de verkiezing der gemeente ook die der personen. Algemene en bijzondere verkiezing gaan tezamen, omdat de gemeente uit de mensheid wordt verkoren tot haar hoogste en schoonste openbaring.
Zo komen wij toch, wat de nieuwe leer niet wil, tot een onderscheiding van degenen, die tot de gemeenschap van Christus zijn geordineerd en van degenen, die daartoe niet zijn geordineerd, welke daarom blijven in hun val, of liever, in hun gevallen staat.
Uitgesloten is in deze visie de gedachte aan een algemene verzoening. Deze laatste heft bovendien de bezwaren niet op, want dan zou Christus verzoening hebben ge-. bracht voor degenen, die desondanks verloren gaan.
De mens zou als in Christus verkorene mens tegen God kunnen zeggen : ik blief van Uw offer niet gediend. Het zou aan het schepsel zijn, zijn goddelijke verkiezing te verwezenlijken of te verwerpen.
Op die wijze zou de verkiezing niet aan God, maar aan de mens zijn.
Hoewel Barth een algemene verzoening leert, wijst hij dit toch af en zegt: dat het in de hand Gods is.
Prof. v. N. echter kan aan die consequentie moeilijk ontkomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's