De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERWACHTING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERWACHTING

9 minuten leestijd

Zal de nieuwe kerkorde aan de sanering van het kerkelijk leven bevorderlijk zijn ? Deze vraag mag wel eens gesteld worden. In ieder geval zal het van belang zijn, dit te overwegen. Niet alleen, omdat er zijn, die dit als zeker aannemen en reeds daarin een argument vinden om zo spoedig mogelijk een beslissing te wensen in de gedachte, dat het ontwerp door ,,de kerk" zal worden aangenomen.

De interim toestand moet naar het oordeel van hen zo spoedig mogelijk worden beëindigd. In ieder geval verwachten zij verbetering, als de orde van 1816 zal vervangen zijn door de voorgestelde. De onderstelling, dat deze mogelijk minder gewenste toestanden in het leven kan roepen, schijnt bij de voorstanders der voorgestelde orde niet op te komen.

Wanneer men uitingen hoort, die op zulke verwachtingen wijzen, komt onwillekeurig de vraag op, of men de sanering van het kerkelijk leven dan heus als met die nieuwe orde gegeven denkt.

Tegen zulke onderstellingen moeten wij toch waarschuwen.

Wij willen toestemmen, dat een nieuwe kerkorde kan bijdragen tot bevordering van de gezondmaking van het kerkelijk leven, maar dan zal het nodig zijn, dat zulk een nieuwe orde van een juiste voorstelling van gezond kerkelijk leven uitgaat.

Een kerkorde kan ontegenzeggelijk ook in de weg staan aan de gezonde openbaring van het kerkelijk leven. Dat hebben wij ervaren onder de orde van 1816. En een goede kerkorde is geen waarborg voor de instandhouding daarvan. Ook dat kan de historie aantonen.

Vóór alles komt het er op aan, of er een levende kerk is en of die kerk wordt verstaan van uit haar leven en van uit haar roeping.

Het leven der kerk wordt niet gedood door een orde, die met haar aard en wezen niet overeenkomt. Het kan worden belemmerd in zijn openbaring en het kan een uitweg zoeken in afscheiding en onkerkelijke levensvormen, waarvan verschillende voorbeelden worden gevonden.

Het kan zich echter ook op zó krachtige wijze openbaren, dat het van binnen uit de belemmeringen ener' knellende organisatie opheft.

Door velen werd de doorbraak, die de interim-toestand in het leven riep, in dit licht beschouwd, terwijl anderen, meer gereserveerd, de hoop koesterden, dat het zo wezen mocht.

Op zichzelf is het een feit van groot belang, dat de bezwaren tegen de orde van 1816 zó algemeen werden gevoeld als na de bevrijding het geval was, zodat tot de werkorde. kon worden overgegaan.

Dit betekende echter nu geenszins, dat dit gevoelen bij allen opkwam uit een gemeenschappelijk geloof aangaande de aard en het wezen der kerk, noch ook uit een gemeenschappelijk geloof, hetwelk werd gedragen door een gemeenschappelijke belijdenis, laat staan door de confessie der kerk.

Ondanks de verschuivingen en wijzigingen, welke zich in het geestelijk leven voordoen, is wel gebleken, dat het aan een gemeenschappelijke grondslag nog steeds ontbreekt. De uitdrukking ,,in gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift op de bodem der belijdenis", kan de innerlijke tegenstrijdigheden niet bedekken.

In de discussie sedert de publicering van het ontwerp kerkorde is dat bovendien duidelijk gebleken. Men heeft wel gemeend, dat de richtingen met elkander tot overeenstemming zouden komen door, wat men noemde, het kerkelijk gesprek. Ook deze mening ging gepaard met de veronderstelling van een kerkelijk leven, dat veeleer werd gedragen door zeker idealisme als door een wel gefundeerd inzicht in het wezen der kerk.

Ook dit is in de discussie over het ontwerp kerkorde wel gebleken. Een van de voornaamste punten is wel aan de dag gekomen in de geschillen over apostolaat en belijdenis.

Op de verwarring, door deze betiteling teweeggebracht, werd door ons een en ander maal gewezen. Zij, die instede van de Zendingsroeping het woord apostolaat begeerden, is het inderdaad niet maar om een nadruk te doen geweest. Zij bedoelden het wezen der kerk daarin te leggen.

Bij de leidinggevende figuren schijnt deze gedachte te overheersen. Immers alleen in zulk een gedachte kan men alles verwachten van een kerkorde, die wordt beheerst door de functie, welke men aan het apostolaat toekent en waaraan alles moet worden dienstbaar gemaakt.

Dit misverstand, indien men daarop niet terugkomt, kan slechts noodlottig worden. Want het apostolaat is niet het wezen der kerk en, als men dat tóch zo stelt, moet men een openbaring der kerk zoeken, die in de functie van het z.g. apostolaat opgaat. De kerk wordt, om zo te zeggen, louter functie, functie terwille van de wereld, of ter wille van de staat, maar functie.

In die weg kan men al zijn hoop stellen op een kerkorde, waarbij die functie geregeld wordt, menende, dat men er dan is. Zij maakt de kerk tot een apparaat.

Het apostolaat der kerk wordt in verschillende richtingen uitgezet en de bewerktuiging dien overeenkomstig geprojecteerd.

Wij willen niet ontkennen, dat de kerk onder de synodale organisatie haar roeping naar binnen en naar buiten op onverantwoordelijke wijze heeft veronachtzaamd. Ook daarop viel in de bezettingstijd de aandacht niet voor het eerst. De stemmen in het verleden, die daarop hebben gewezen, zijn heus niet zeldzaam, al gingen ze veelal verloren in de kerkelijke strijd der richtingen.

De „onbetaalde rekeningen der kerk" was een afgezaagd refrein geworden.

In de nood kwamen zij de gemoederen aanspreken en toen de Commissie van overleg in het leven kwam- en zich verdeelde in ,,werkgroepen", kwamen zij te voorschijn : kerk en zending, kerk en jeugd, kerk en school, kerk en overheid, kerk en prediking, kerk en nog meer.

Wie zal ontkennen, dat in al deze verhoudingen een kerkelijke taak ligt : n.l. een taak, die uit de roeping der kerk volgt en welke die taak is, moest nodig nader onderzocht en bestudeerd.

Stilzwijgend wordt in dit alles ondersteld, dat er een kerk is, die geroepen wordt tot die taak in velerlei verhouding.

Wij geloven, dat die kerk er nog altoos is en dat zij haar organisatie moet aannemen.

Uit die werkgroepen kwam allengs een veelheid van commissiën en raden, die niet naliet beducht te maken voor een zodanig apparaat. Ook wij hebben niet nagelaten daartegen te waarschuwen en vóór alles op het wezen der kerk de aandacht te vestigen. Alleen wanneer men het wezen voor ogen hield, zou men het onderscheid tussen de kerk en haar roeping inzien. Men kan echter de kerk niet slechter dienen dan door haar wezen te stellen in het z.g. apostolaat, want daardoor moest de bereids uitgebreide structuur van raden en commissiën als de meest zinvolle verschijnen, ten koste van de eigenlijke organisatie der kerk.

Het gaat niet meer om de voorrang van zoveel veronachtzaamde arbeid boven de belijdenis, of, zoals men zegt, het belijden.

Veeleer gaat het belijden op in de functiën, welke men aan het apostolaat toeschrijft.

Als men daarnaast van een gereformeerde en presbyteriale kerkorde gewaagt, herinnert dit aan de gedachte, dat er toch ook een kerk is„ die belijdt en handelt, een gemeenschap of vergadering van ware Christgelovigen, zoals de belijdenis zegt.

. Het z.g. kerkelijk gesprek bedoelde deze als gemeenschap des geloofs tot eenstemmigheid te brengen, als konden de richtingen door onderling vergelijk tot elkander gebracht. Het besef, dat de veelheid van richtingen zou moeten plaats maken voor de enigheid des geloofs om de kerk tot kerk te maken, ontbrak derhalve niet.

De enige weg, die hier behoorde gevolgd te zijn, n.l. de confessie in het midden te zetten, zijnde het draagvlak des geloofs en van het kerkelijk handelen, volgde men niet. Kerkelijk gedacht, was dat de enige weg en er is geen gegronde reden om dat niet te doen. De verwarde kerk heeft nodig geconfronteerd te worden aan haar confessie, allereerst omtrent hetgeen deze zegt aangaande haar grondslag en het wezen der kerk.

Indien men dat gedaan had of nog deed, zal allereerst het „gesprek" gaan over de eerste artikelen der Nederlandse confessie, die rekenschap geven van het geloof aangaande de Heilige Schrift. Dit is het critische punt, waarmede de kerk van Christus staat of valt, en waarmede ook de confessie in haar geheel, althans wat de cardinale geloofsstukken aangaat, staat of valt.

Daarom wordt al het kerkelijk handelen vanuit dit punt bepaald, aangezien de confessie de Heilige Schrift, zoals zij daaromtrent belijdt, de enige regel des geloofs belijdt te zijn.

Aangezien men de binding aan de confessie afwijst en daarmede ook de binding aan de zoeven genoemde grondslag der confessie, vragen wij, welke regel houdt men dan over voor het kerkelijk handelen ? Kan men hopen op de werking van de Heilige Geest, als men de binding aan de regel des geloofs, waarbij ons die Heilige Geest bepaalt, niet verkiest, hoewel de Heilige Geest zich aan dat Woord heeft gebonden ?

Is men dan niet gelijk aan een schipper, die wel over een goed compas beschikt, maar dit veronachtzaamt en liever op wind en wolken ziet ?

Hij kan het doen, als het hem alleen te doen is om te varen, waar de wind hem henendrijft.

Zal de kerk weer kerk worden, aan haar wezen beantwoorden in haar openbaring op aarde, dan zal zij zich bewust zijn, dat zij het Lichaam van Christus is, en in haar aardse verschijning, openbaring van deze geestelijke werkelijkheid is. Niet maar functie of apparaat, maar een levend organisme, het werk leeft uit Zijn Woord en daarin dient als leden van Zijn Lichaam.

Al te gemakkelijk en onbedachtzaam werpt men tegen, dat dit een hangen is aan menselijke vormen en inzettingen, waardoor de Heilige Geest belemmerd zou worden. De apostelen en profeten hebben er anders over gedacht, maar als dit zou gelden van de apostelen en profeten en van degenen, die hun leer begeren te volgen, hoeveel te meer moet dit gelden van de leringen van hen, die de apostelen en profeten niet wensen te volgen en de strengen van het Evangelie losmaken ?

En op grond van welk gezag zouden zij wensen, dat wij hun verwachtingen tot de onze maken en hun methode voor de juiste zullen houden ?

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VERWACHTING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 april 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's