De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

OVERDENKING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

OVERDENKING

8 minuten leestijd

Altijd de dooding van de Heere Jezus in het lichaam omdragende, opdat ook het leven van Jezus in ons lichaam zou geopenbaard worden. 2 Corinthe 4 vs. 10.

Zo is het de wil van God. Lijden, dood en opstanding behoren in de Gezalfde onlosmakelijk bij elkander. De overste Leidsman en Voleinder des geloofs moest overgeleverd worden tot de kruisdood en alzo in Zijn heerlijkheid ingaan; allen, die naar Gods vrijmachtig welbehagen geroepen worden Hem te volgen, zullen leren, dat de weg naar het Koninkrijk niet anders gaat dart door lijden en verdrukking.

Wij maken van het opstandingsgeloof zo gemakkelijk een Schibboleth. En het is een Schibboleth, ja, méér dan dat. Wat zijn de kinderen Gods, wat is de gemeente des Meeren zonder een levende Zaligmaker ? Maar dit is zeker ook waar, dat het een Schibboleth is, dat door de natuurlijke mens nooit verstaan kan worden.

De Opgestane is niet aan vleselijke mensen verschenen. Ook het heilgeheim van de Opstanding wordt alleen aan Zijn vrinden, naar Zijn vree-verbond, getoond. De natuurlijke mens hoort de klanken, maar komt tot de zaak zelve niet; de natuurlijke mens gebruikt de klanken van de Opstanding bij gelegenheid, om daar zelf iets mee te worden, maar wordt door de Gezalfde niet gekend en kent zelve de Christus niet recht.

Er is een rechtmatige vrees, dat deze dingen onder ons en door ons te weinig bedacht worden. Het gevaar is, dat wij zelf zogenaamd de . waarheid bezitten, ook de waarheid van de Opstanding, en daarmee ons verheffen en menen iets te zijn, daar wij in ons zelve niets zijn. Wat hebt gij, dat gij niet hebt ontvangen ? en zo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt ?

Wij maken onze onderscheidingen en we sieren ons met allerlei namen, doch wie zijn wij van nature ? Toch niet anders dan de anderen, die zich mogelijk modern noemen en wier modernisme een dekmantel is voor heel ouderwets ongeloof.

Zijn wij zulke gelovige mensen ? En wanneer er geloof mag zijn, dan is dit toch alleen door de genade Gods ! Paulus was ook zulk een ongelovige, ja, een verwoed vervolger van de Opgestane. Hij wist zich de voornaamste der zondaren. Aan deze voornaamste der zondaren, aan deze briesende vijand, is de genade geschonken, dat hij de heerlijkheid van de Verrezene kreeg te aanschouwen. En deze onbegrijpelijke barmhartigheid Gods, aan deze ongelovige betoond, was het, die hem, nadat hij, eenmaal verlicht was, niet moede maakte van de Opgestane te getuigen.

Dat is genade, wanneer de Heere ook onder ons, ja meer, wanneer Hij ons wil stellen tot zulke levende getuigen, die in ons zelve niet te roemen hebben, maar slechts roemen kunnen in de barmhartigheid Gods, die ook in onze harten geschenen heeft, om te geven verlichting der kennis der heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus. Dan blijft er geen oorzaak tot opgeblazenheid, dan behoeven wij over het ongeloof van anderen niet verwonderd te zijn.

Wat is de mens en wat zijn wij van nature anders dan ongelovige schepselen, die altoos het werk Gods tegenstaan. Doch na ontvangen genade zal er wel een drang blijven om tot anderen te getuigen van de heerlijkheid van de Opgestane. Dan gaat de liefde van Christus dringen en zal Iets verstaan mogen worden van hetgeen de apostel schreef : Daarom, dewijl wij deze bediening hebben naar de barmhartigheid, die ons geschied is, zo worden wij niet moede.

AI scheen het dikwijls een hopeloze zaak, Paulus kon niet laten te getuigen van het Evangelie voor vriend en vijand, voor Jood en heiden. Dat onze bede zij, dat de Heere ook onder ons zulke levende getuigen late! Zij zijn de beste apologeten, de beste verdedigers van een levend Christendom. Een enkel woord van hen werd door de Heere menigmaal meer gebruikt dan allerlei zwaarwichtige boeken, waarvan het woord van de Prediker nog geldt: van vele boeken te maken is geen einde en veel lezens is vermoeiïng des vleses. 

De levende getuigen zijn dragers van hemelse schatten. Zij hebben mogen spreken en getuigen van hetgeen de Heere zelve hun deed zien en horen. Maar zijn zij in de.wereld zeer gezien geweest ? Hebben zij altoos scharen van mensen getrokken, waren hoge inkomens hun deel ? We weten uit de Heilige Schrift, dat het anders is geweest.

Paulus had een hemelse schat ontvangen ; hij mocht de Opgestane kennen. Hij mocht het weten met ontwijfelbare zekerheid : Jezus Christus is mijn Heere, mijn Koning, die leeft in alle eeuwigheid. Zijn geloof was een innerlijke vastigheid en daarom sprak hij. Doch die hemelse schat droeg hij in een aarden vat. Aan de buitenkant had dit vat niets sierlijks, noch indrukwekkends. In alles verdrukt, doch niet benauwd ; twijfelmoedig (om raad verlegen), doch niet radeloos ; vervolgd, doch niet verlaten, ter aarde geworpen, doch niet te gronde gericht.

Veel eer heeft Paulus in de wereld niet ontvangen. De bezoeken in Jeruzalem zijn voor hem niet zeer bemoedigend geweest. Aan alle kanten werd hij in zijn werk verdacht gemaakt, op allerlei wijze heeft hij tegenwerking moeten ondervinden. Ik krijg zo de indruk, Paulus is na zijn dood meer geëerd geweest dan in zijn leven. En zoals het altijd gaat, na zijn dood hebben de bouwers van de graven der profeten niet stil gezeten en juist zij, die klaarblijkelijk een afkeer tonen van het Evangelie, dat de apostel gepredikt heeft, zijn de eersten, om hun kransen en eerbewijzen aan het graf van de apostel neer te leggen.

Doch de apostel heeft de smaadheid, de verachting, de spot van deze wereld mogen dragen, gelijk zijn hemelse Heere die in deze wereld gedragen heeft. Hij heeft mogen leren in diepe wegen, wat het woord van zijn hemelse Meester zeggen wil : zij hebben Mij gehaat, zij zullen ook u haten. Hij heeft de doding van de Heere Jezus in het lichaam mogen omdragen in duidelijke merktekenen, opdat ook het leven van Jezus in zijn lichaam zou geopenbaard worden.

En niet alleen Paulus, maar met hem de apostelen en zovele martelaren zijn levende voorbeelden geweest, dat wat zij gedaan en gepredikt hebben, niet hebben kunnen doen, niet hebben kunnen prediken door eigen kracht. Juist in hun verdrukkingen werd het openbaar, dat de levende Christus hen staande hield en hen bleef stellen tot levende getuigen van Zijn opstanding.

Dit is de weg, die de hemelse Koning nog met al Zijn volk houdt. Van nature willen wij eer, aanzien, voordeel ; wij willen zo gaarne wat zijn in deze wereld en dan ontziet de mens zich niet om de dierbaarste waarheden te misbruiken, om daarmede zelf te kunnen pronken en daarmede roem bij mensen in te oogsten. Wij zijn van nature zulke zelfzuchtige, eerzuchtige, trotse schepselen. Maar zulke schepselen mogen in deze wereld zijn, die zij zijn —, de Levensvorst leren zij niet kennen.

Dit is genade, wanneer de Heere die zelfzucht, die trots en eerzucht in ons verbreekt en ons nederwerpt als ellendigen, die in deze wereld niets meer te wachten hebben, die niet anders verdiend hebben dan de uitgieting van de verbolgenheid en toorn Gods. Hoe kostelijk is in Zijn oog de dood Zijner gunstgenoten. Hij geeft, wanneer Hij hun zich vertoont in Zijn heerlijkheid, de doodsteek aan hun eigen willen, aan hun eigen kunnen, aan hun denken en gevoelen, zodat er van dat eigen ik niets, niets in eer overblijft.

O, dan te leren,  wanneer de ziel niets meer dan dood om zich heen ziet en weet niet anders waardig te zijn dan eeuwig in de hel geworpen te worden, dat het leven voor zulke ellendigen gelegen is in de dood van de Zaligmaker. Dat Hij gestorven is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking. En dat er nu voor zulke ellendigen een leven is uit Zijn volheid en uit Zijn genade.

Dan wordt het geleerd : Hij, de levende, die dood en hel overwon, is het, die ons ondersteunt, die Zijn gemeente. Zijn duive, Zijn beminde bewaart voor versagen en vertwijfelen. Nog krijgt Zijn gemeente te leren, altoos de doding van de Heere Jezus in het lichaam om te dragen, opdat het leven van Jezus juist in dat aan de dood overgegeven lichaam zou openbaar worden. Eén plant worden zij met Hem in de gelijkmaking Zijns doods, om ook éen plant te zijn met Hem in Zijn heerlijkheid. En als er dan roem overblijft, is het alleen een roemen in de Heere, dat Hij, de Levende, nu in 1949, in deze donkere tijden, niet laat varen het werk, dat Zijn hand begonnen heeft en waardoor Zijn volk ook in en door Hem in duistere tijden mag roemen : Wij dan hebben altijd goede moed !

Sterke de Levensvorst onze verdrukte en vervolgde geloofsgenoten !

Houde Hij ook ons met kracht omvat!

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

OVERDENKING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's