De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Speculatie of exegese?

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Speculatie of exegese?

14 minuten leestijd

De nieuwe leer vindt volgens prof. v. N, de praedestinatie in Johannes 1:1. Wij hebben in het vorige nummer gewezen op de vreemdsoortige wijze, waarop de Heilige Schrift wordt vertolkt, als men hier de praedestinatie uit leest. Wat zou deze nieuwe leer .te zeggen hebbben, als er eens geen kerkelijke leer van bijna twintig eeuwen ware, waarin het leerstuk der praedestinatie zulk een belangrijke rol speelt ? Het kan daarom zijn nut hebben om eens bij de z.g. proloog van Johannes stil te staan.

,,In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.

Dit was in den beginne bij God".

Volgens de nieuwe leer van prof. v. N. zou men hier kunnen lezen : ,,In den beginne was het besluit, en het besluit was bij God en het besluit was God. En dat besluit zou dan Jezus Christus zijn, want God kan geen begin hebben", (vgl. blz. 156).

Wij zouden hier kunnen vragen :

Hoe kan iemand op het standpunt van deze nieuwe leer weten van God en dat God geen begin heeft ?

En hoe kan hij weten, dat Jezus Christus in het begin was, ofschoon Hij eerst 19 eeuwen geleden geopenbaard werd in de vleeswording des Woords, hetwelk voor de enige Godsopenbaring wordt gehouden?

Hoe weet hij, dat Johannes dat in deze woorden heeft willen zeggen?

Heel veel vertrouwen kan deze wetenschap niet wekken, wijl op één blz. van Jezus Christus als eeuwig, absoluut decreet wordt gesproken en gezegd wordt: Hij heet en is Jezus Christus, en is juist daarom geen absoluut decreet, (blz. 157). Hij heeft een Naam en is een persoon. Daarom niet absoluut.

Daaruit zou de conclusie volgen, dat God geen Naam kan hebben en ook geen Persoon kan zijn, m.a.w. dat het reeds te veel is gezegd, als wij God zeggen, laat staan, als wij spreken van de Vader, van onze Vader, van de Zoon, van onze Heere, en van de Heilige Geest. Dan is ieder spreken van God te veel. Niet alleen, omdat God niet ,,adaequaat" kan gekend worden door het schepsel, maar omdat van Godskennis als zodanig reeds niet gesproken kan worden.

God is de geheel andere! Dat is ook reeds te veel, want wie is God?

Dan is de openbaring : Jezus Christus, van nul en gener waarde, want Hij spreekt over Zijn Vader als een Persoon en in onze aardse verhoudingen en woorden: ,,Mijn Vader werkt altijd en Ik werk ook". Hij doet de Wil des Vaders. (Joh. 5 vs. 17 v.v.).

Wat kan het, voor zin hebben, als wij Hem naspreken van de Wil des Vaders. Wat kan het betekenen, als iemand zegt, dat God geen begin heeft; gehad, terwijl ieder woord van de mens slechts ijdel gebrabbel zou zijn, zonder enige levende betrekking op dat Onbekende en Onkenbare ?

,,Onmogelijke mogelijkheid", zal men misschien antwoorden, maar dat riekt, als het enige zin zal hebben, naar verholen mystiek.

Het is volstrekt niet duidelijk, dat deze onmogelijke mogelijkheid, hoe dan ook, beantwoordt aan die ongekende werkelijkheid, welke wordt aangeduid als God. Hoe kan dat meer zijn dan een menselijk begrip, een ding, dat in de hersenen van een mens rondzweeft ?

Trouwens heel dat begrip van adaequaat kennen is een wijsgerig begrip. Zelfs het aardse, z.g.n. natuurlijke, kennen der aardse dingen is een verborgenheid voor het verstand.

Maar, om op de zaak terug te komen, de Heere Jezus Christus doet een ander licht opgaan over deze dingen. Uit Zijn mond beluistert dezelfde Johannes het woord, dat hij ons in Hfdst. 17 vs. 5 mededeelt : Vader, verheerlijk Mij met de heerlijkheid, die Ik bij U had, eer de wereld was.

Daar spreekt de Christus zelf van Zijn heerlijkheid bij de Vader, van Zijn Ik bij de Vader, dus van Zijn Persoon in onderscheiding van de Vader, eer de wereld was. Hij spreekt van Zijn Persoon in de eeuwigheid vóór den beginne der wereld.

Dat getuigenis is alzo waarachtig en een goddelijke waarheid, welke Hij in menselijke woorden uitspreekt, gelijk Hij ook elders zegt : Eer Abraham was, ben Ik. (]oh. 8 vers 58). En als Hij bidt, dat de Vader Hem diezelfde heerlijkheid zal geven, zegt Hij ook, dat Hij die heerlijkheid derft. Hij had die heerlijkheid, eer de wereld was. (Vgl. Spr. 8 vs. 22 V.V.).

Waar anders kan de oorzaak liggen, dat Hij van die heerlijkheid heeft ingeboet, dan in de wereld ?

Het ligt dus voor de hand, dat Johannes daarop ziet, als hij de bijzondere betrekking van het-Woord tot de wereld onmiddellijk aanwijst in vs. 3. Als Hij zegt : ,,In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God", tekent hij de heerlijkheid, waarvan Christus gesproken had, n.l. die heerlijkheid, welke Hij bij de Vader had, eer de wereld was.

Maar nu zegt hij verder, dat alle dingen door het Woord gemaakt zijn, zonder uitzondering, en dat het Woord het leven is en dat leven was het licht der mensen.

Derhalve is daar van den beginne een levensbetrekking tussen het Woord en de mensen. Hij was het licht der mensen.

In Joh. 5 vs. 26 zegt Christus: Gelijk de Vader het leven heeft in Zichzelf, alzo heeft Hij ook de Zoon gegeven het leven in Zichzelf te hebben.

In Joh. 9 vs. 4 spreekt Christus over Zijn werken : Ik moet werken de werkt Desgenen, die Mij gezonden heeft, zolang het dag is en het 5de vers: Zolang Ik in de wereld ben, zo ben ik het licht der wereld.

Het leven was het licht der mensen. Kennelijk heeft de apostel de eerste hoofdstukken van Genesis voor de geest. Hij herinnert aan de Paradijstoestand. De mens wandelde in Zijn licht.

Het onderwijs van Christus heeft de apostel Johannes geen aanleiding gegeven om aan een mythe te denken, zoals vele geleerden van onze tijd plegen te doen.

Het moet toch betekenis hebben, dat Johannes overgaat in de tegenwoordige tijd : Het leven was het licht der mensen en het licht schijnt in de duisternis. Het licht is niet opgehouden, maar het Woord werd veracht en toen is de mens duisternis geworden. De duisternis heeft het niet begrepen.

De wereld had niet het le: ven in zichzelf, zoals de Vader, die ook aan de Zoon heeft gegeven het leven in Zichzelf te hebben. De apostel Paulus zegt immers, dat niemand zichzelf leeft en niemand zichzelf sterft. (Rom. 14 vs. 7). Maar de mens verheugde zich in het licht, dat is het Woord. het scheppende Woord, dat de werken des Vaders werkt.

De mens echter heeft daarin niet volhard en het Woord veracht (de duisternis heeft het niet begrepen) en zo scheen het licht in de duisternis. De mensen hebben de duisternis liever gehad dan het licht. (Joh. 3 vs. 19) Dat neemt echter niet weg, dat het licht in de wereld schijnt. (Vgl. ook Rom. 1 vs. 18 v.v. : Zij hebben de Waarheid ten onder gehouden).

En ondanks dat alles is er onder de men­sen van het licht getuigd. (Vgl. Joh. 1 : 7). De apostel wijst op Johannes de Dooper en getuigt, dat het licht een iegelijk mens, komende in de wereld, verlicht.

Dit moet dus zin op het wonder van onze geboorte. Een iegelijk mens, komende in de wereld. De geboorte is een scheppende daad van het Woord. De nieuw geborene heeft geen leven in zichzelf. Het Woord geeft leven en het leven is het licht der mensen, iedere geboorte is een getuigenis van het scheppende Woord, en daarom verlicht het een iegelijk mens, komende in de wereld. De apostel Johannes heeft kennelijk het oog, op de scheppende werkzaamheid van het Woord in de wereld. (Vgl. Psalm 19), want hij herhaalt nogmaals : Hij was in de wereld, en de wereld is door Hem gemaakt. Nogmaals herhaalt hij : en de wereld heeft Hem niet gekend.

In al deze dingen tekent de apostel nog altijd het Woord in Zijn scheppende werkzaamheid en de levensbetrekking van het schepsel, de wereld, inzonderheid de mens, tot dat Woord, als een betrekking van afhankelijkheid.

Voorts zegt hij, dat de mensen dat Woord niet hebben aangenomen. Dat betekent alzo verachting des Woords.

In vs. 11 tekent de apostel een nieuwe daad van het Woord. Hij is gekomen tot het Zijne. Dit duidt vooreerst op een bijzondere betrekking : het Zijne. Dat is een betrekking van eigendom.

Wat anders kan de apostel met dat komen tot het Zijne op het oog hebben dan de profetische openbaring aan Israël ?

Doch ook nu weer verharding, want de Zijnen hebben Hem niet aangenomen. Denk aan de ontrouw van het Verbondsvolk en aan Christus' woord : ,,Uw vaderen hebben de profeten gedood en gijlieden bouwt hun graven. (Matth. 23 vs. 29 v.v.). Zij hebben Hem echter niet allen veracht. Er is een rest, een overblijfsel, het ware zaad Abrahams, zie Joh. 1 vs. 12 : Maar zovelen Hem aangenomen hebben, die heeft Hij macht gegeven kinderen Gods genaamd te worden.

(Hier is iets, dat aan de verkiezing herinnert). Deze zijn uit God geboren, (vs. 13).

Eerst na dit alles komt Johannes tot het geheel bijzondere : ,,En het Woord is vlees geworden, en heeft onder ons gewoond (en wij hebben Zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als des Eniggeborenen van de Vader, vol van genade en waarheid), vers 14.

Het zijn van het Woord in de wereld, het komen tot het Zijne, in de voorafgaande verzen gemeld, ziet kennelijk niet op de vleeswording, welke eerst nu in vers 14 zo nadrukkelijk wordt genoemd.

Drie dingen, worden ons voorgesteld :

1e. de scheppende werkzaamheid van het Woord, welke alle dingen omvat en betreft en alle mensen tot het Woord in betrekking van afhankelijkheid zet; 

2e. de profetische werkzaamheid in Israël.

3e. de vleeswording des Woords, welke heeft geleid tot de openbaring Zijner heerlijkheid, als de heerlijkheid van de eniggeboren Zoon Gods.

In de machtige soberheid van zo kort bestek wordt ons de ganse leer van Christus, het Woord, dat in den beginne bij God was, en God was, gegeven.

De ganse praedestinatie, zegt prof. v. N. in zijn nieuwe leer. De ganse Christologie in kort bestek, zeggen wij, waarin de verkiezing van de Zijnen even haar glans laat zien: dewelke uit God geboren zijn, wie Hij macht heeft gegeven kinderen Gods genaamd te worden, n.l, zovelen het Woord hebben aangenomen. Alzo : schepping, profetische openbaring, wedergeboorte, drie machtige werkingen des Woords.

Alleen, wanneer men zegt : Het Woord, Christus is de ganse praedestinatie, kan men het standpunt van de nieuwe leer verstaan : de ganse Christologie — de ganse praedestinatie.

Maar dan kan dit slechts generaal betrekking hebben op het welbehagen Gods, hetwelk beschikt, dat de Zoon het werk des Vaders doet. Daarom wordt Hij Christus, de Gezalfde, genaamd, maar het is wel gebleken, dat dit welbehagen Gods alle werken Gods omsluit en dat omtrent de verkiezing tot de eerste of de tweede opstanding der mensenkinderen nog niets is gezegd. Deze is nog een verborgenheid, welke zonder twijfel ook door Christus naar het welbehagen Gods zal worden geopenbaard, maar over deze verkiezing gaat het in de klassieke leer.

Het is gebleken, dat de nieuwe leer omtrent deze verborgenheid niets weet. Op de vraag ; worden dan in Christus wederom alle mensen zalig, gelijk zij in Adam zijn verdoemd geworden, blijft deze leer het antwoord schuldig, of moet zij met de Catechismus belijden; ,,Alleen zij, die Hem door een waarachtig geloof zijn ingeplant".

Zo redeneert de nieuwe leer ganselijk buiten de „klassieke praedestinatie-leer" om, al wijdt zij daaraan uitvoerige beschouwingen. Verkiezing en verwerping komen tenslotte neer op de verwezenlijking van de eerste en de tweede opstanding, de opstanding ten leven of de opstanding ten dode. (Vgl. Openb. 20 vs. 5, v.v.).

Vader, verheerlijk Mij met de heerlijkheid, welke Ik bij U had eer de wereld was. (Joh. 17 vs . 5). Duidelijk is, dat Christus die heerlijkheid van vóór de grondlegging der wereld ter eniger tijd na de grondlegging der wereld niet had.

Wat oorzaak kan Hem, het Woord, dat bij God was en God was, van die heerlijkheid doen inboeten ?

Was de schepping der wereld dan heus een waagstuk voor God, zoals prof. v. N. nog al menselijk beweert ? Hoe kan een mens God en waagstuk in één adem verbinden ?

Was 't niet veel meer een vermetel waagstuk van het schepsel om het Woord, dat in de wereld was, dat de wereld gemaakt heeft, te verachten ?

Deze vermetelheid, de zonde van de mens, trof alzo het eerst het Woord, hetwelk het werk des Vaders doet, de Zoon des Allerhoogsten. En wijl Hij dat werk naar de Wil des Vaders doet, wordt ook de Vader in Zijn Majesteit aangerand door de zonde.

Zo kunnen wij verstaan, dat de Christus op de zonde wijst, als Hij spreekt van Zijn heerlijkheid van vóór de grondlegging der wereld, wijl zonde en dood inkwamen in de wereld, welke Hij had geschapen naar de Wil des Vaders.

De niet-erkenning van het Woord, dat bij God was en God was, en dat in de wereld was, het leven, en het licht der wereld, was een aanranding Zijner heerlijkheid.

De duisternis, waarvan gesproken wordt, is verduistering van Zijn heerlijkheid door de zonde, die in de wereld kwam.

Als het Woord tot het Zijne komt, wordt dat Woord geen duisternis, want het schijnt in de duisternis, maar de Zijnen hebben het niet aangenomen. Ontkenning, verwerping van het licht der profetie ook bij de Zijnen. Wederom verduistering Zijner heerlijkheid.

Zo wordt ook het licht geen duisternis, als het Woord vlees wordt, want Hij zegt : Ik ben het licht der wereld. Een iegelijk, die Mij volgt, zal in de duisternis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben. Het vleesgeworden Woord heeft geen gemeenschap met de werken der  duisternis, maar het gaat in de duisternis in. Het is geen duisternis en wordt ook geen duisternis. Maar Hij is het leven en het leven. Zijn leven, is het licht der mensen.

Dat licht kan in Hem niet ondergaan, ook niet als Hij het vlees aanneemt, want dan is Zijn leven het licht Zijner mensheid in één Persoon met Zijn Godheid verenigd.

De scheppende werking van de Zoon van God, heeft de mens immers alzo geschapen, dat Zijn leven het licht der mensen is. In de vereniging in één Persoon is alzo de nauwste betrekking, welke mogelijk is, gegeven, en zou Zijn leven dan niet het licht Zijner mensheid zijn ?

De Vader echter heeft de Zoon overgegeven en de Zoon heeft Zichzelf overgegeven, opdat Hij het oordeel en de vloek der zonde zou dragen, en de macht der duisternis overwinnen.

Als de Christus nu zegt, dat Hij macht heeft het leven af te leggen en wederom tot Zich te nemen, verstaan wij iets van de betekenis van dat andere woord, dat de Vader Hem gegeven heeft het leven in Zichzelf te hebben. Zo kan Hij het oordeel der zonde op Zich nemen, als Hij het leven wil afleggen, als Hij daartoe bereid is.

De vrije daad van de liefde des Vaders geeft de Zoon over en de vrije daad van de Zoon beantwoordt daaraan als Hij bereid is het leven af te leggen en de dood des mensen te smaken. Immers als Hij Zijn leven aflegt, gaat ook het licht van Zijn mensheid onder, zodat Hij de dood van de mens kan ondergaan.

Van verwerping des Zoons door de Vader of van zelfverwerping des Zoons kan alzo geen sprake zijn, als wij nauwkeurig letten op hetgeen geschreven staat. Het is werkelijk al te menselijk om te zeggen, dat God Zijn Zoon verworpen heeft, terwijl Hij betuigt, dat Hij in Hem een welbehagen heeft.

Hier kan slechts gesproken worden van offer, een offer van ondoorgrondelijke liefde Gods.

De Zoon legt het leven af, en bestelt het in de hand Gods. „Vader, in Uw handen beveel Ik mijn Geest". En Hij legt het af in de smartelijke weg van Zijn lijden en kruisdood, om het weer tot Zich te nemen in de opstanding.

Dat is de ontlediging, waarvan de Schrift spreekt.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Speculatie of exegese?

Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 mei 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's