Samuël, een zoon der Wet
FEUILLETON
EEN VERHAAL UIT HET HEDENDAAGSE PALESTINA
153)
Vervloekt zij hij bij dag, en vervloekt zij hij bij nacht. Vervloekt, zij hij bij zijn ingang en vervloekt zij hij bij zijn uitgang . . . . . " Samuels stem stokte van afgrijzen. „Als de berg Ebal . . . . " stamelde hij, „maar die moest eindelijk zwijgen !.
,,Lees verder !"
— — „Nooit moge de Heere hem vergeven, maar Hij verdelge zijn naam van onder de hemel, en Hij stote hem uit al de stammen Israels met allen " ,,Neen, vader ! Nu is het genoeg, — de Gerizim wist het beter ! Ik kan die woorden niet in mijn mond nemen. Wat moet dat trouwens ? "
De oude man richtte zijn fonkelende blik op hem. ,,Je weet, dat nu jouw naam daar wordt ingevuld, waar die ruimte is opengelaten. Je weet, dat de voorbidder dit voorleest bij geopende deuren van de Thorakast. Hij neemt de kaars van je leven, en laat die afdruppen in een vat, en zegt dam : Het is zo bevolen, dat niemand meer mondeling of schriftelijk met hem zal verkeren, en dat niemand hem een dienst meer bewijzen mag, en niemand meer onder zijn dak verblijf mag houden. En dan gaat de mens, die die naam draagt weg Wij kruisigen en stenigen hem niet. En weet je nu welke naam ik bedoel ? "
Samuel keek in het vertrokken en asgrauwe gelaat, hij zag dat verbroken hart, en een groot medelijden kwam dadelijk bij hem boven. Hij kon nu niet bang meer zijn. Buiten zichzelf van smart, wierp hij zich neer voor de voeten van zijn vader. ,,Vader, vergeef mij! Denk toch niet zulke vreselijke gedachten ! — Dat hoort niet bij u ! U kunt mij ook met die ban niet verschrikken. U zoudt die ban nooit toch over mij brengen, en als gij het deedt, zou die ban toch geen macht over mij hebben. Want ik heb nu de waarheid gevonden, en ik laat die niet meer los ! Heb nog geduld met mij, en stel mij op de proef, of ik u minder eerbiedig en liefheb dan te voren. En onderzoek toch de Schriften over Hem. Probeer het nog één jaar met mij, en laat ik nog bij u mogen blijven, en werken, en wacht dan af. Oordeel mij niet vóór die tijd ! Als ik Israël in de steek laat, dan moogt gij deze vreselijke woorden over mij brengen !
Laat dit jaar een proeftijd zijn voor heel Schaloom, dat allen de Schriften over Hem kunnen lezen, en kijk het eens aan, of ik met mijn geloof alleen blijf staan. Als er in het einde niemand is, die mijn zijde kiest, en die tot u zegt : Ik heb óók zijn geloof aangenomen, dan wil ik bij u weggaan, en dan moogt gij mij vergeten.
Probeer eens of er één 'n Meschummad wordt door mijn geloof. En zie ook eens, of er één een lasteraar wordt van de wet, of een verachter van de sjoel. Neem mij weer aan, vader, Reb Sinai, voor één jaar. En doe dan, wat u behaagt!"
Tulpenbloesem leunde met een diep voorovergebogen hoofd tegen de tafel. „Jij bent vastbesloten, en jij zult je weg ook wel vinden. Maar wat blijft mij over ? Ik ben op alle punten bedrogen, en ik heb alles verloren, — en dat door wie ? En waarom ? " Hij moest weer gaan zitten en schreide als een kind.
Samuel, die hem nooit zo gezien had, sloop naar de deur en keek naar buiten. De massa kinderen en jongelui was nog aangegroeid. Blijkbaar wilden ze wachten, tot zij over zijn lot gerust konden zijn. Bij de blinde onder de boom stond Mannia, en zij begon een van die Joods-christelijke volksliedjes te zingen, die zij in Rusland wel eens broksgewijze had opgevangen, en die zij verder door Samuel had geleerd. Haar wonder mooie stem klonk zoet en sterk en droeg die woorden stellig ook tot' het oor van Tulpenbloesem :
Halway, *) waart gij lang reeds mijn broeder geweest, aan dezelfde borst was uw plaats, lang geleên, en heus, als ik u had gezien op de straat, vol vreugd waar ik u tegemoet getreên! Ach, ik kan nu die straf niet meer dragen, en ik zie wel, ik ben niet meer blind, ik wil schreien heel luide, en klagen: Gij zijt mijn, en mijn Gods heilig kind. —
„Samuel", riep de blinde zacht. Gauw ging zij op de tast naar binnen, terwijl hij aan de ingang bleef staan. Toen hoorde hij, dat haar ootmoed zich tegenover de strenge man tot grote kracht verhief.
Hij hoorde haar zeggen : ,,Is dat zijn schuld, dat wij ons die gedachten over hem gemaakt hebben ? Heeft hij die geweten ? Maar wij zijn ook niet bedrogen. Wat wij door onze zoon zullen gewinnen, — als mijn dode ogen tenminste goed zien, — is nóg meer, dan wij van hem hebben gehoopt. O, Tulpenbloesem, jullie allen bent net zo blind geweest als ik ! Maar 't is, alsof de jongeren gezondere ogen hebben, en beter en gauwer voelen wat waarheid is en leven heeft. Zie eens buiten de deur, daar staat een hele schare van hen, die met hem mee zal gaan, of nu dadelijk, óf later. Maar binnen twintig jaar zullen zij de bewoners van het dorp Schaloom zijn, en zullen zij aan het volk en aan het land hun trouw tonen, en daarmee allen tot zich trekken. En daarna kan de reeds Gekomene nóg eens komen als Koning over onze harten. — Jeschua — Jehovah in het vlees ! En dan zal men misschien aan jou en aan mij terugdenken en zeggen : Het begon, toen God in Zijn medelijdend hart zei, dat wij naar huis moesten gaan".
Einde.
-) O, dat toch !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 mei 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's