Uit de hemel of uit de mensen?
II
De Heidelbergse Catechismus zegt hierover weinig. Toch wordt in Vr. 19 gesproken over „het heilig Evangelie, hetwelk God Zelf geopenbaard heeft en laten verkondigen, en laten voorbeelden, en ten laatste door Zijn eniggeboren Zoon vervuld". En als in vr. 73 wordt gevraagd : ,,Waarom noemt dan de Heilige Geest de Doop het bad der wedergeboorte en de afwassing der zonden ? " — dan wordt met „de H. Geest" duidelijk bedoeld „de H. Schrift", met name Titus 3 vs. 5 en Hand. 12 vs. 15, welke beide teksten zijn aangehaald in Vr. 71. Ook bij Calvijn vinden wij voortdurend gesproken van ,,de H. Geest", als bedoeld wordt: de H. Schrift.
Het valt dus niet te ontkennen, dat de belijdenis der Reformatie ons geleerd heeft te spreken over de H. Schrift als over Gods Woord.
Tegen deze spreekwijze zijn echter bezwaren gerezen. Ik trachtte deze in een viertal punten samen te vatten. Wat hebben wij daarop te antwoorden ? Wij zullen deze bezwaren ernstig moeten nemen en daarop een antwoord moeten geven, want vele leden der Kerk worden door deze en dergelijke bezwaren in verlegenheid en verwarring gebracht. Ik wil trachten een antwoord te geven in de volgorde, waarin ik deze bezwaren aan de orde gesteld heb.
1e. Men heeft bezwaar, dat wij uitgaan van de éénheid der Schrift. De Bijbel is immers in werkelijkheid niet één boek, maar bestaat uit 66 verschillende boeken, die afkomstig zijn uit zeer verschillende tijdperken, wellicht van omstreeks 1400 vóór Christus tot 100 na Christus. Zij zijn van de hand van zeer verschillende schrijvers. Er is soms een duidelijk verschil in visie op dezelfde dingen, die beschreven worden, b.v. in Koningen en Kronieken : het verschil tussen de visie van de profeet en van de priester. En is er geen verschil tussen de z.g. wraakpsalmen en de Bergrede van Jezus ? Is er geen verschil tussen Paulus en Jacobus ? Is er geen verschil tussen de drie eerste Evangeliën en dat van Johannes ? Is er in het Oude Testament niet de voortdurende botsing tussen profeten en priesters, en is de profetische waardering van de offerdienst wel in overeenstemming te brengen met de priesterlijke visie van de Wet van Mozes ? Ik zal geen poging doen om in dit artikel op al die vragen uitvoerig in te gaan. Wenst men dat — ik zal daarover gaarne correspondentie ontvangen, en dan in volgende artikelen trachten te antwoorden op eventueel gestelde vragen.
Voor ditmaal wil ik al deze bezwaren tegen de veronderstelde éénheid der Schrift slechts beantwoorden door te verwijzen naar mijn vorige artikelen over „Het voorbeeld op de berg". Ik schreef deze met opzet als een inleiding op deze artikelen over de Heilige Schrift.
Want zwaarder dan alle bezwaren tegen de éénheid der Schrift, weegt mij dat wonderlijke, dat verrassende, waarop heel de Brief aan de Hebreen voortdurend ons wijst: Mozes heeft de Tabernakel met al wat er aan en er in was, moeten maken naar het voorbeeld, dat hem op de berg getoond was. En zie : alles blijkt in Christus in vervulling te gaan !
En ik zou wel eens willen weten van hen, die zoveel bezwaren hebben tegen de leer van de éénheid der Schrift, hoe zij dit dan verklaren : dat alles in de Tabernakel op Christus ziet, en in Christus in vervulling gaat. De Tabernakel (of Tempel), het Priesterschap, de offeranden, de kandelaar, tafel der toonbroden, het reukofferaltaar, het voorhangsel, de Ark des Verbonds mét wat daarin is : alles ziet op Christus, alles gaat in vervulling in Christus. Door Zijn komst op aarde, door Zijn werk tot onze verlossing, is dit ons eerst recht duidelijk geworden : zie de Brief aan de Hebreen ! En omgekeerd : uit de inrichting van de Tabernakel, uit de priester- en offerdienst, zoals die beschreven zijn in de boeken van Mozes, wordt ons heel veel duidelijker in de Persoon en het werk van Christus.
Hoe is dit te verklaren, als de Schrift niet werkelijk een éénheid is : de boeken van Mozes, Psalmen en Profeten, Evangeliën en Brieven, en ook de Openbaring van Johannes, die ook teruggrijpt op de boeken van Mozes ? Het verschil in visie, b.v. tussen profeet en priester, valt eenvoudigweg en zinkt in het niet tegenover die éénheid der Schrift, zoals de schrijver van de Brief aan de Hebreen die heeft gezien.
Daarom valt uit de Schrift als geheel wel degelijk een bepaalde theologie af te leiden : getuige de Brief aan de Hebreen, die in de Hervorming een even grote rol speelt als b.v. Paulus' brieven aan de Galaten en aan de Romeinen !
2e. Men verwijt ons, dat wij méér uit de Schrift halen, dan er in ligt, omdat wij uitgaan van de éénheid der Schrift, en dus eenvoudig „Schrift met Schrift vergelijken". Men acht dit niet geoorloofd. Wetenschappelijke oprechtheid zou ons gebieden te onderzoeken, wat de bedoeling van de schrijver van een bepaald Bijbelboek is geweest in elk bepaald geval.
Het kan geen kwaad, deze poging te wagen. Zo wordt als leervak aan de Universiteiten ook onderwezen de ,,Biblica" : de Bijbelse theologie, met name van de boeken van het Nieuwe Testament.
Al dadelijk rijst de vraag : waarom niet van het Oude Testament ?
Maar bovendien : al kan het goed zijn, zulk een poging te ondernemen — wij zullen er ons daarbij toch terdege van bewust moeten zijn, dat wij zodoende uitgaan van de capitale veronderstelling : dat die bepaalde Bijbelschrijver er een bepaalde, eigen theologie op na gehouden heeft. Hetgeen nog te bewijzen ware! Men past de methode van de „Biblica" toe op het Nieuwe Testament. Doch al de schrijvers van de boeken van het Nieuwe Testament zijn Joden, en zijn geheel geworteld in het Oude Testament en in de leer van Jezus Christus. Zij geven slechts uitdrukking aan hetgeen de H. Geest hun heeft doen zien in de beloften Gods door Mozes en de Profeten, en in haar vervulling in Christus.
Men eist van ons, dat wij de bedoeling van de Bijbelschrijver onderzoeken, en dat we ons daar dan ook aan houden ; dat we hem niets in de mond leggen, wat hij niet bedoeld heeft.
Maar wat doet Jezus dan in Lukas 20 vs. 37 en 38 ? Zou Mozes dat begrepen en dat bedoeld hebben, toen hij die woorden neerschreef : dat God hem daarmede wilde zeggen, dat de doden opgewekt worden, omdat God niet is een God der doden, maar der levenden ?
En uit Joh. 11 vs. 51 en 52 blijkt, dat de Schrift zelf leert, dat iemand (in dit geval: Kajafas) iets kan profeteren, dat hij volstrekt niet bedoeld heeft. Dat wij dus wel degelijk dieper mogen grijpen en er méér uit mogen halen, dan hij bedoeld heeft — altijd : naar de regel der Schrift!
3e. Men werpt ons tegen : De Bijbel is door mensen geschreven, en hij draagt daarvan ook duidelijk de sporen. Er komen onjuistheden in voor en tegenstrijdigheden, die niet gecamoufleerd, doch eerlijk erkend moeten worden.
Maar als wij deze tegenwerping nuchter gaan ontleden, blijft er niet zo heel veel van over. Als een klaarblijkelijke onjuistheid wordt nogal eens met nadruk aangewezen Marcus 2 vs. 26. Daar zegt de Evangelist, dat David is ingegaan in het Huis Gods, en de toonbroden gegeten' heeft „ten tijde van Abjathar de Hogepriester". Maar in 1 Sam. 21 wordt ons deze geschiedenis verteld en blijkt, dat David de toonbroden ontving van Achimélech, de vader van Abjathar. Marcus schrijft dus een onjuistheid neer.
Zo zegt men. Maar is dit ook zo ? Het zou heel menselijk zijn, als Marcus deze geschiedenis uit zijn hoofd aanhaalt, zonder 1 Sam 21 op te slaan, en zich daarbij in de . naam vergist. Dit zou aan de waarde van zijn Evangelie ook niets afdoen.
Maar is het wel zo zeker, dat hij zich vergist ? In Sam. 22 lezen wij, dat door het verraad van Doëg de Edomiet Achimélech met 85 priesters wordt gedood op bevel van Koning Saul. Alleen zijn zoon Abjathar slaagt er in te ontkomen. Hij vlucht naar David en wordt diens vriend en trouwe volgeling, tot het einde van Davids regering. Is het nu zo vreemd, als Marcus juist Abjathar noemt, inplaats van zijn zoveel minder bekende vader ?
Het aanvoeren van dergelijke „onjuistheden" maakt op mij maar heel weinig indruk. Trouwens, als hier van een onjuistheid sprake is, dan is het nog de vraag, wie zich dan „vergist" zou hebben: Marcus, de schrijver van dit Evangelie, of Jezus, die hier spreekt! Durft men deze consequentie aan ?
En wat die „tegenstrijdigheden" in de Bijbel betreft: ik ontken ten enenmale, dat die er zijn.
Is - er een tegenstelling tussen Wet en Profeten ? Neen, alleen tussen de Profeten en de opvatting van de Wet, die zij vinden bij hun volk. Jezus zelf beroept zich op Wet èn Profeten.
Is er een tegenstelling tussen de eerste drie Evangeliën en dat van Johannes ? Ik kan dat met de beste wil niet inzien. Veeleer is hier sprake van een verdere ontwikkeling, van een dieper doordringen in de openbaring der verborgenheid Gods — wellicht eenvoudig daaruit te verklaren, dat „de discipel, die Jezus liefheeft", een diepere blik heeft geslagen in Jezus' hart en een dieper inzicht gehad heeft in Zijn woord en wezen, dan al de andere discipelen.
Is. er een tegenstelling tussen Paulus en Jacobus ? Waarom dan toch ? Al leert Paulus, dat de zondaar gerechtvaardigd wordt uit het geloof, zonder de werken — daarmede is toch niet gezegd, dat de zondaar ook geheiligd wordt door een geloof zonder werken, wat Jacobus bedoelt ? Paulus spreekt over de enge poort. Jacobus over de nauwe weg, die tot het leven leidt. Dat is alles.
Men zegt : De Bijbel is een menselijk boek. Och ja, het is door mensen geschreven, in menselijke taal. De taal der engelen zouden wij ook niet verstaan. Maar dat is volkomen bijzaak. Het is God, Die hier spreekt, in de Profeten, in Jezus, in de Apostelen. De boodschap, die hier tot ons komt, is uit de hemel, en niet uit de mensen. Daarom is de H. Schrift het Woord Gods.
4e. Maar — zo werpt men ons tegen — dit is afgoderij plegen met de Bijbel. Want het Woord Gods is Jezus Christus. De Schriften getuigen wel van het Woord Gods, maar zijn niet zélf het Woord Gods. Want er is maar één Woord Gods, en dat is Jezus Christus. Hij is het eeuwige Woord des Vaders, dat vlees is geworden.
Prof. Van Niftrik zegt in zijn „Kleine Dogmatiek" (blz. 205) : ,,Als wij nu ook de Bijbel Gods Woord noemen, dan kan en mag dat niet betekenen, dat wij het nu over een ander of een minder Woord Gods hebben dan Jezus Christus Zelf". Neen, allicht niet, maar wie zégt dat dan ? Jezus zegt, dat de Schriften van Hém getuigen, dat zij zijn het getuigenis des Vaders aangaande Hem. Er is maar één Woord Gods, en dat is Jezus Christus : van Hem zijn al de Schriften vol.
,,Hieruit volgt, dat het Woord Gods niet aan de Bijbel, maar de. Bijbel aan het Woord Gods gebonden is", zegt prof. Van Niftrik. Ja, dat zegt Johannes ook (Joh. 20 vs. 30 en 31, 21 vs. 25). Jezus heeft nog vele andere dingen gedaan, die niet geschreven zijn in dit boek, in de Bijbel. In zoverre is het Woord Gods niet gebonden aan de Bijbel. Doch voor de practijk van ons leven heeft dit weinig betekenis. Want wij hebben alleen te rekenen met hetgeen ons wél beschreven is. Gods openbaring in Christus is nog oneindig veel rijker, dan wij in de Bijbel vinden. Doch wat dit wil zeggen, zullen wij eerst na dezen verstaan.
Om een beeld te gebruiken : Gods openbaring in Jezus Christus, in Wie de volheid der Godheid lichamelijk woont, is als een oceaan — waaruit een emmer vol geput is en voor ons bewaard is in de H. Schrift.
Maar water is water, of het in de oceaan is of in de emmer. Gods Woord blijft Gods Woord, of het in Jezus Christus is, of in de Schrift, die van Hem getuigt.
Daarop komt het tenslotte aan. De Bijbel, vanwaar is die : uit de hemel, of uit de mensen ?
Het is toch waarlijk niet zó, dat wij door de Bijbelcritiek innerlijk overtuigd zijn : „hij is uit de mensen", maar dat wij dit niet durven te zeggen uit vrees voor de schare (d. i. de gemeente), omdat zij de Bijbel allen houden voor Gods Woord.
Wij blijven belijden: „hij is uit de hemel". Maar als wij dit dan belijden, dan ziet Jezus ons aan, en vraagt ook ons : ,,Waarom hebt gij hem dan niet geloofd ? "
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's