MEDITATIE
OP DE OLIJFBERG
En zij aanbaden Hem en keerden weder naar Jeruzalem m.et grote blijdschap. Lucas 24 vers 52.
Wat een aandoenlijk ogenblik moet het daar op de Olijfberg zijn geweest. Daar heft Jezus Christus de handen op, daar buigen de elf discipelen het hoofd en ontvangen Zijn zegen.
En al heeft de Heiland nu niets gezegd, in hen is vervuld de wens en de bede van de Psalmist: ,,God, onze God, zal ons zegenen", en al waren zij arm naar de wereld, van dat ogenblik af zullen zij het verstaan : ,,De zegen des Heeren, die maakt rijk en Hij voegt er geen smarten bij".
,,En zij aanbaden Hem".
Zo was het tot nu toe niet. Tot nu toe hebben zij Hem wel bemind, geëerd en vereerd, maar nu eerst bidden zij Hem aan. Tot nu toe hadden zij met Hem omgegaan als met een Vriend, een Broeder, als met een Leraar en Meester, nu echter is Hij hun Heere en God. Een heilige vreze kwam over hen, als over Jacob te Bethel, ,,dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels", als over Mozes, toen de Heere hem bij de Horeb riep.
Daar buigen zij het hoofd, zij vouwen hun handen, zij vallen op de knieën, zij aanbidden.
Toen Hij inkwam in de hemel, toen is het een lieflijk ruisen der aanbidding geweest, toen hebben de hemelse legerscharen Hem begroet als hun Koning, toen hebben de gezaligden Hem aangebeden als hun Verlosser, maar ook op aarde wordt Hij aangebeden op datzelfde ogenblik. En die gelijktijdige aanbidding in hemel en op aarde is een heerlijk beeld daarvan, dat voor Hem eenmaal alle knie zich buigen zal dergenen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn.
Zij baden Hem aan, weliswaar nog een zeer kleine schare, maar in die schare ligt de kiem voor die grote schare, die niemand tellen kan uit alle geslacht en volk en taal en natie.
Toen Hij in de wereld inkwam, kende men Hem niet, toen Hij predikte, hoorde men Hem niet, toen Hij Zijn volk verlossen wilde, sloeg men Hem aan het kruis, toen Hij ten hemel voer, waren slechts elf mannen getuige van Zijn verheerlijking, maar die elf aanbaden Hem.
Velen weigeren Hem heden nog de ere, die Hem toekomt. Zijn aanbidders, het zijn er nog altijd maar elf temidden van al die duizenden. Maar Hem, die ter rechterhand Gods des Almachtigen Vaders gezeten is, schaden zij niet, zij schaden alleen zichzelf. Zijn Naam moet toch eeuwig eer ontvangen. Zijn Rijk moet toch komen. Zijn wil moet toch geschieden, en alle tong zal eenmaal belijden, juichend of sidderende, dat Hij is de Christus, tot heerlijkheid Gods des Vaders.
Zij baden Hem aan.
De wereld biedt haar eer en haar hulde gaarne aan enig mens na zijn overlijden. Vaak worden de meeste lofredenen eerst uitgesproken aan iemands graf. Gedenktekenen verrijzen er overal, nu voor de een en dan voor de ander, dikwijls voor mensen, die tijdens hun leven zijn veracht en verworpen. Grote feesten ter ere van de herdenking van de geboortedag van een of andere nationale held of dichter, worden telkens gevierd, maar wanneer viert de wereld feest ter ere en ter gedachtenis van haar Heiland en Verlosser, haar Zaligmaker en Koning ?
Deze Hemelvaartsdag, hoe moest hij niet alle Christenen in aanbidding zien voor hun Koning, maar ach ! het is zo anders !
En toch, hier is de Verlosser der mensheid meer dan een mens, meer dan wie ook, meer dan Elia of Jesaja, den Salomo of Johannes de Dooper.
Hier is het Lam Gods, dat eenmaal de zonde der wereld droeg en nu de macht draagt over hemel en aarde.
Zij baden Hem aan. Met minder eer is Hij ook wel tevreden, meent de wereld, en sommigen van u denken er misschien ook zo over.
Men prijst Hem als een wijs leraar, men bewondert Hem als een groot profeet, men heeft eerbied voor Zijn martelaarschap, men noemt Hem als voorbeeld van deugd en plichtsbetrachting, maar dat is dan ook genoeg voor Hem, Die God aan Zijn rechterhand heeft doen plaats nemen.
Men moet Hem niet aanbidden — neen, dat niet. En toch, voor Hem zal alle knie, ook die knie, zich eenmaal buigen moeten.
En wat doet gij nu ? Bidt gij Hem ook aan ?
O, als gij toch wachten wilt met uw aanbidding, totdat gij op de knieën geworpen zult worden, zal 't niet verschrikkelijk zijn ?
,,En keerden weder naar Jeruzalem met grote blijdschap".
Denkt gij niet, dat zij liever maar tegelijk met Hem meegegaan waren naar het hemels Kanaan ? Of misschien hadden zij wel graag tabernakelen gebouwd op de Olijfberg om in aanbidding en afwachting daar te blijven.
Neen — terug keren zij naar Jeruzalem, naar die stad vol zonden, waar de bittere vijanden des Heeren wonen, naar die stad, waarover Hij het oordeel uitsprak.
Van de Olijfberg naar Jeruzalem, van de poort des hemels naar de poort der hel. En dat niet onwillig, maar met grote blijdschap.
Dat was naar des Heeren bevel. Nu eerst vangt hun taak aan. Zijn Woord verkondigen. Zijn Rijk uitbreiden.
Zij wisten wel: wij zijn nog niet rijp voor de hemel, wij moeten nog aangedaan worden met kracht uit de hoogte, door de Geest geheiligd, door lijden tot heerlijkheid, werken en waken en wachten totdat de Heere komt en ons roept.
O, als gij de Heiland kent, dan hebt gij ook uw Olijfberg. En dan zijn er van die ogenblikken in het geestelijk leven, dat het zo moeilijk valt om terug te moeten keren. De ziel van Gods kinderen kan soms zo los zijn van de aarde met al haar zonden, haar goddeloosheid en Godverlating, die aarde met haar zorgen en moeiten, met haar oordelen, die zich samenpakken.
Ontbonden te worden en met Christus te zijn, dat lijkt dan verreweg het beste.
Maar dan geldt ook, juist voor hen, het bevel des Heeren, terug te keren.
Boven de Heere, hier Zijn dienstknechten en dienstmaagden ; boven de sabbath, de rust, hier de arbeid ; boven de oogst, hier het arbeidsveld.
Daarom arbeidt, werkt, bidt; bidt en werkt; arbeidt bovenal aan uw eigen zielen, bidt om aangedaan te worden met kracht uit de hoogte en wacht, wacht tot uw Heiland komt en u roept.
Zij keerden weder naar Jeruzalem, maar niet om in Jeruzalem te blijven, hun verblijf daar was maar voor korte duur, zij keerden er weder als gasten en vreemdelingen, maar zij hadden in het land en de plaats der vreemdelingschap een plaats van samenkomst. ,,Zij waren alle tijd in de tempel, lovende en dankende God".
Als de jongeren te Jeruzalem, zo is het al de gelovigen in deze wereld. Zij hebben hier geen blijvende stad, hier is het land der ruste niet.
Zalig, die heimwee hebben, want zij zullen thuis komen.
Ja, er is een tehuis, een eeuwig tehuis, waar alle heimwee wordt gestild, waar elk raadsel wordt opgelost, waar alle tranen worden afgewist.
Laat het verstand twijfelen — Gods beloften falen niet.
Laat het ongeloof spotten — het spot dat heimwee niet weg en ook het vaderland niet.
Laat de wetenschap redeneren — zij redeneert geen vrede in uw hart.
Dat vaderland, die plaats der rust.
Waar het ligt ? ik weet het niet. Hoe het er uitziet ? ik weet het niet. Wanneer en hoe ik er zal binnenkomen, ik weet het niet.
Maar het is er, dat weet ik!
Gods Woord in mijn hand, daarin wordt het beschreven.
Gods Geest in mijn geest, dat is mijn zekerheid.
Gods Zoon aan mijn zijde, dat is mijn Gids.
Waar Hij is, daar zullen de Zijnen zijn.
In het Vaderhuis met de vele woningen is Hij heengegaan om hun plaats te bereiden, en Hij zal wederkomen, opdat zij zijn mogen, waar Hij is.
(Hierden)
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 mei 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's