De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

DE WEG DES HEILS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

DE WEG DES HEILS

9 minuten leestijd

„De vertroostende en waarschuwende kracht van Paulus' antithese houdt dan ook haar betekenis voor alle tijden, omdat de vraag naar de heilsweg in al die tijden fundamentele betekenis behoudt en alles belist".

G. C. Berkouwer. Rechtvaardiging en geloof. Kampen, 1949. blz. 77.

Dit woord van prof. Berkouwer verdient in onze tijd ernstig in acht te worden genomen door allen, die hun ijver en belangstelling geven voor de sanering van het kerkelijk leven.

Het gaat over de gerechtigheid, die uit de Wet is en de gerechtigheid Gods. Wie de gerechtigheid zoekt, die uit de Wet is, staat buiten de heilsweg, omdat hij even weinig blijkt te verstaan van de val des mensen als van het Kruis.

Dat wil echter niet zeggen, dat het sola fide, door het geloof alleen, recht wordt verstaan door degenen, die de Wet verwerpen. Want dat doet Paulus ook niet. Hij verwerpt de Wet niet, want zij is goed en heilig, wijl zij ten leven is gegeven. Hij verwerpt ook de gerechtigheid, die uit de Wet is, niet, maar hij waarschuwt degenen, die zulk een gerechtigheid zoeken.

Immers wie de gerechtigheid uit de Wet zoekt, schrijft zichzelf reeds een mate van gerechtigheid toe, zodat hij de Wet zou kunnen volbrengen en uit de werken worden gerechtvaardigd. Dat is niet alleen miskenning van de zonde, maar daarin en daardoor ook miskenning van de Christus. Als de mens uit de werken der Wet kan gerechtvaardigd worden, is Christus' werk overbo­dig geweest, of er zijn twee wegen ter zaligheid : de weg der geboden, en de weg van het Evangelie. 

Inderdaad is dit in vroeger eeuwen ook wel geleerd (TertuHianus) en in de Roomse kerk is deze leer nimmer te niet gedaan. De weg der geboden moge een twijfelachtige zijn, maar hij wordt een mogelijke weg geacht. Dit hangt trouwens saam met de Roomse leer van de mens en de menselijke natuur, die werkheiligheid insluit en een voedingsbodem is voor de Pelagiaanse dwalingen.

De geschiedenis, der theologie kan overigens aantonen, dat het Pelagianisme ook buiten de Roomse kerk welig tiert, zodat men moet besluiten, dat het een vruchtbare voedingsbodem heeft in het hart van de mens. In de grond der zaak is het een vrucht van het humanisme, hetwelk hierin zijn diepste tegenstelling met het waarachtig Christelijk geloof verraadt.

Tussen het humanisme in zijn verschillende gestalten — zijn z.g. gekerstende gestalten niet uitgezonderd — en de ware Christus, staat de anti-these van Paulus : de gerechtigheid uit de Wet, of de gerechtigheid Gods, uit de werken, of door de genade.

Onder een of andere vorm wordt de gerechtigheid uit de werken als recht en verdienste voor God voorgesteld, en de genade Gods veracht.

Zoals gezegd, vindt dit zijn oorzaak in de miskenning der zonde en haar vloekwaardige staat voor God. Zulk een miskenning gaat gepaard aan miskenning van de Wet Gods. Daaruit volgt wederom, dat men geen acht geeft op de Wet Gods, de goddelijke Autoriteit van, het gebod zelfs in twijfel trekt en ontkent.

En gelijk het kwaad altijd voortwoekert, heeft zulk een volkomen misplaatste verachting van het goddelijk gebod wederom tengevolge, dat de overtreding der Wet niet wordt opgemerkt, dat de goddelijke remmingen in het leven geen kracht hebben, en dat men in de zoride teugelloos blijft volharden.

Waar geen Wet is, is geen overtreding, zegt de apostel. Dat geldt ook daar, waar Gods Wet veracht en vergeten wordt. Daar leeft men, alsof er geen overtreding is, en volgt men de moraal van het humanisme, welke geen andere dan menselijke normen van genot, nuttigheid of belang kent.

Uit de Wet is de kennis der zonde.

Daarom is het een gans misplaatst vooroordeel, als men uit vrees en afkeer van een z.g. wettisch Christendom, een Christendom zoekt, waarbij de Wet bij voorbaat als krachteloos en in Christus vervuld, ook van haar door God geboden dienst, wij zouden haast zeggen, ambt, wordt beroofd.

Dat nu is een gevaar, hetwelk in onze dagen dreigt — en niet alleen maar dreigt, doch onder de leuze sola fide van het Evangelie afvoert, ondanks en misschien ook dank zij een oecumenische zendingsijver.

Van een weg des heils wil men niet weten. Het heil is in Christus, en dat kan men slechts geloven. Geen weg, geen bevinding. Het is een goddelijk feit, hetwelk wordt geloofd, een gans nieuw begin. In Christus zijn wij nieuwe mensen. Wij moeten geloven dat dit zo is. De verwezenlijking ligt in de toekomst. Vandaar de voorkeur voor het woord verkondiging. Men kan het slechts ter kennis brengen en tot geloof oproepen, een geloof, dat niettemin als een waagstuk wordt voorgesteld.

Deze beschouwingen hangen samen met de onderstellingen, waarvan de z.g. nieuwe theologie uitgaat, aangaande God en de Godsopenbaring. Daarmede hangt wederom samen een negatieve waardering van de geschiedenis. God kan wel in de geschiedenis inkomen, maar de geschiedenis is geen openbaring. Ook van een geschiedenis der openbaring in de Bijbelse zin des woords kan geen sprake zijn. Er is geen weg Gods, geen weg der Godsopenbaring in de geschiedenis, geen geschiedenis der openbaring, zoals deze ons in de Heilige Schrift wordt voorgesteld, inzonderheid in de bemoeienis Gods met het volk Israël, en met de mensheid. Geen weg der Godsopenbaring door de mensheid heen. Als er van een geschiedenis der openbaring sprake kan zijn, is dat een geschiedenis van bovenmenselijke aard, z.g. oergeschiedenis. Zou men dus in die zin van een weg des heils willen spreken, dan loopt die weg niet door de mensheid, maar over de mensheid heen.

Zo zou men dus in de gewone Bijbelse zin niet kunnen spreken van een historische weg des heils overeenkomstig de heilsopenbaring, waarvan de Catechismus gewaagt in Zondag 6.

Volgens deze belijdenis is de heilsopenbaring ook de goddelijke heilsweg. Wij denken b.v. aan Genesis 3 vs. 15, aan de verkiezing Israels, de Verbondssluiting op de Sinaï, aan de Wetgeving, de Dienst des Tabernakels, enz. In die weg staat de Wetgeving op Sinaï als een machtige daad Gods, waaraan de apostel Paulus zeer bijzondere betekenis toekent : De dood heeft geheerst van Adam tot Mozes. Dit woord verschijnt nog in bijzonder licht, als diezelfde apostel er op wijst, dat er geen overtreding is, als er geen Wet is.

De dood begon alzo in zijn heerschappij gebroken te worden, toen de Wet inkwam, omdat zij de overtreding openbaar maakte en daarmede de heerschappij des doods aan het licht bracht.

Eerst uit de ontdekking der Wet ging het licht op over zonde en dood. En dat niet alleen, maar in het aangezicht van de Wet kan de profetie des heils de hoop van een nieuwe dageraad overeenkomstig de beloften Gods wekken. In deze zin verstaan wij ook, dat de Wet een opvoeder of tuchtmeester wordt genoemd, die naar Christus leidt.

Zo wordt de Wet op de weg des heils geplaatst als een werkzame dienaresse, een kracht Gods in de dienst der profetie. Daarom spreken wij van het ambt der Wet. Wet en profetie gaan hand aan hand en de Wet is in zekere zin de kracht der profetie, welke naar de belofte des heils uitdrijft, om de genade Gods te omhelzen.

Heeft nu de kerk zich vergist, als zij van ouds de weg der openbaring als de weg des heils en derhalve als de weg des geloofs heeft verstaan ?

Heeft zij zich vergist, als zij in de weg van Israël haar weg heeft gezien, omdat God die alzo heeft geleid ?

Heeft zij de Wet Gods misbruikt, als zij deze heeft geëerd als een tuchtmeester Gods die naar Christus leidt, om met de apostel te ontdekken, dat de Wet, welke haar ten leven was gegeven, ten dode is geworden, opdat zij van alle menselijke gerechtigheid zou leren afzien, de gerechtigheid Gods in Christus leerde zoeken en zó in de uitnemende kennis van Christus het heil te vinden ?

Dit alles toch is geenszins in strijd met Christus' Woord : „Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven".

Zo waarlijk Hij de Weg is, zo waarlijk is Hij ook de opperste Leidsman en Voleinder des geloofs en de hoogste Profeet en Leraar, die in deze weg Zijn volk leidt.

Als Christus zegt: Ik ben de Weg, dan geldt dat ook van Zijn openbaring en van Zijn leiding in het geloof.

De nieuwe leer echter laat de ganse weg der openbaring en der leidingen Gods inkrimpen tot een enkel punt, hetwelk niet meer dan een raakpunt zou zijn aan onze geschiedenis.

Wie daarmede instemt, kan geen begin en geen einde meer onderscheiden, want deze vallen samen in één punt. De ganse historie wordt opgerold in dat éne punt, zodat in dat éne punt alle historische momenten saamvallen en tegelijkertijd worden opgeheven. Het maakt daarbij dus weinig uit, of men b.v. de verhouding Wet en Evangelie omgekeerd voorstelt.

In de gang der historie kan men de weg echter niet omkeren.

Er is een weg van de wieg naar het graf, maar er is geen weg van het graf naar de wieg. 

Indien men de weg tot een mathematisch punt herleidt, is alle richting en distantie verdwenen.

Zo wordt de weg der openbaring tot één punt van openbaring saamgetrokken, en zo wordt ook de weg des geloofs tot een enkel moment van geloven. Men wil van leiding Gods en van bevinding van de mens niets weten.

De heilsweg wordt op deze wijze van haar historische waarheid en werkelijkheid beroofd, het leven des geloofs vervliegt tot een ijdele idee. Zo gaat ook de orde des heils in de vervluchtiging op.

De weg der openbaring loopt van de Sinaï naar Golgotha, en het geloof volgt die weg aan de hand van de Geest der profetie. Daarom Wet en Evangelie. Uit de Wet is de kennis der zonde en slechts de kennis der zonde kan uitdrijven naar 't Evangelie.

Deze weg kan niet worden omgekeerd, zoals sommigen willen leren, die een nieuwe leer schijnen aan te hangen, waarmede noch de kerk, noch de wereld gediend kan zijn, omdat zij ten enenmale in strijd is met het Woord.

Omkering van de weg des heils betekent in dit geval ontkenning van een heilsweg. De nadruk valt op weg.

Niemand zal kunnen beweren, dat dit in overeenstemming met het leven der kerk is.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

DE WEG DES HEILS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 2 juni 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's