Tot zonde gemaakt
Reeds werd er op gewezen, dat deze woorden niet mogen worden verstaan, als willen zij zeggen: tot zondaar gemaakt. Christus was geen zondaar, heeft geen zonde gekend en is op generlei wijze een schuldige. Hij is het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.
De zonde der wereld moet dan ook niet worden opgevat als de som van alle overtredingen der mensheid, als waren deze alle in een strafregister der mensheid opgetekend en tot een aanklacht verenigd. Dit doet niets te kort aan het woord, dat God onze overtredingen uitdelgt.
De zaak grijpt veel dieper en gaat onze bevatting verre te boven.
De Heilige Schrift stelt ons voor een gans bijzondere en gans enige openbaring van de Raad Gods. (Vgl. Efeze 1).
Dat de zonde in de wereld gekomen is, is een onmiskenbaar feit.
Hoe de zonde in de wereld gekomen is, wordt ons verklaard : door de ongehoorzaamheid van één mens en de verleiding des satans. Christus noemt de satan een mensenmoorder van den beginne en de vader der leugen. Daarin ligt besloten, dat in hem de zonde een oorsprong nam en dat hij de dood des mensen op het oog had.
Nochtans blijven er verschillende vragen over : hoe het mogelijk was, dat in Gods schepping de zonde inkwam ? Dat God nooit en te nimmer Auteur der zonde kan zijn, maar dat deze toch ook niet in de wereld, Zijn wereld, kan gekomen zijn buiten God om, als een macht buiten Zijn Almacht en buiten Zijn wil.
Zo ligt er achter het feit, dat de zonde in de wereld kwam, een ondoorgrondelijk mysterie.
Mogelijk hangt het ook daarmede samen, dat de mens de zonde veeltijds niet ernstig neemt. In ieder geval is dit op zich zelf een zondig verschijnsel, want God neemt de zonde wel ernstig.
Hoewel toch het bewustzijn van goed en kwaad en de aanklacht van het geweten op zich zelf reeds getuigen, dat wij in strijd met onze levenswet bestaan, ontbreekt het niet aan pogingen, om let te doen voorkomen, alsof de mens een proces van ontwikkeling doormaakt, dat op normale wijze verlopen zou, zodat hij ter eniger tijd een harmonische saamleving zou bereiken. Het is niet alleen een kenmerk van de hoogmoedige geest der negentiende eeuw, die de mens als de smid van zijn eigen geluk wilde beschouwen, al kwam de zonde daarin karakteristiek uit.
Ook theologen nemen de Heilige Schrift op dit punt niet altijd ernstig, gelijk in de verscheidenheid van pelagiaanse dwalingen aan de dag treedt, terwijl anderen aan het kruis van de Christus' een uitlegging geven, welke voor een ernstig nemen der zonde in de „verkondiging" hoogst bedenkelijk is.
Wat is zonde ? En hoe zullen wij daarvan iets verstaan ?
De catechismus zegt: Uit de wet is de kennis der zonde. Dat wil dus zeggen, dat wij uit de overtredingen der wet leren, dat wij zondaren zijn. Het heilig gebod Gods, ons ten leven gegeven, is ons ten dode geworden, aangezien wij de gehoorzaamheid niet brengen, welke God van ons vordert.
Zo leren wij de zonde kennen aan de toets der wet op onze handel en wandel. In zoverre betekent zonde zondige daden, overtredingen van Gods geboden, die ons schuldig stellen voor God en de mensen. En indien de zonde niet dieper wordt gevat dan zó, behoeft men zich niet te verwonderen, dat daaruit een streven kan opkomen van werkheiligheid en z.g. wettische vroomheid, die als pelagianisme en pharizeïsme worden aangemerkt en niet ten onrechte.
De gereformeerde theologie is bij zulk een oppervlakkige opvatting dan ook niet blijven staan. Zij wijst op de zondestaat, waarin de gevallen mens leeft. De overtreding van 's Heeren gebod heeft hem van een staat van gerechtigheid in een van ongerechtigheid gestort. Zij heeft verstaan, dat één overtreding, .— zij moge door ons groot of klein worden geacht, — onherroepelijk en onherstelbaar beslissend moest zijn en geen terugkeer in de staat der gerechtigheid 'mogelijk maakt.
Uit dien hoofde stelde zij zich steeds te weer tegen alle vormen van werkheiligheid en pelagianisme, leerde zij een nieuwe gehoorzaamheid uit de kracht des geloofs.
Zij verstond dus, dat de zonde een macht is, welke heerschappij voert over de gevallen mens. Hij is gevangen in de strikken der zonde, zodat gans zijn leven daardoor wordt verdorven. Zondige daden zijn dus uitingen der zonde en daarom kan de toets der wet leiden tot ontdekking der zonde.
De zonde een macht, die heerschappij voert.
Hoe kan de zonde een macht zijn ? De zonde is toch geen schepping van God, zij heeft geen positief bestand. Zij ademt niet op uit het scheppende Woord Gods. Daarom spreken de theologen van een ens negativum, iets, dat alleen maar ontkenning is. Niet erkennen van de waarheid Gods, zich niet onderwerpen aan Zijn gebod, dus Gods Woord en gebod verachten.
Hoe kan dan zonde een macht zijn ? Hoe kan dat als zij geen schepping is ? Het is duidelijk, dat zulks alleen kan zijn, als de zonde haar macht rooft, rooft uit de geschapen machten. Daarom is de zonde roof aan God. Want alle machten, die er zijn, zijn van God verordineerd. De zonde heerst als een rover, die heerst met wat het zijne niet is. De zonde bouwt haar heerschappij bij emancipatie van de door God geschapen machten.
Zonde is daarom wanorde, verstoring van Gods orde door de machten der goddelijke orde. Zonde drijft een spel met het heilige Gods en is roof uit het heiligdom, oprichting van een heerschappij tegen God met de wapenen, welke uit het arsenaal van Gods schepping worden gesmeed en daarom Majesteitsschennis van de hoogste graad en rebellie van de ergste soort. God bestrijden met de door God gegeven machten.
Wie zal God beroven en het geroofde straffeloos wegdragen ?
Daarom is er een toelating Gods in, dat de zonde heerschappij voert.
Hier is het woord toelating Gods alleszins gerechtvaardigd. Tegenwoordig spreekt men van het geduld Gods. Maar het is duidelijk, dat de theologie zulk een woord als toelating of geduld niet kan missen.
Het is ook duidelijk, dat zonder dat de zonde niet kan zijn en dat God, die te rein van ogen is dan dat Hij het kwade kan zien, die roof der zonde niet kan gedogen, zodat het bij de toelating niet blijven kan. Veeleer sluit de heerschappij der zonde in, dat zij dienstbaar wordt gemaakt aan de openbaring van Zijn heerlijkheid. De heerschappij der zonde kan niet bestendigd blijven, maar de toelating is ook een teken Zijner ontferming, hoewel de zonde niet ongestraft kan blijven van wege Zijn gerechtigheid.
Alle dingen zijn door het Woord gemaakt. Zo is er dan ook geen macht dan door het Woord. Alle macht is van God verordineerd en het is de Zoon, die ook de macht naar de wil des Vaders geschapen heeft. Zo wederstreeft de zonde de Wil des Vaders, maar zij is ook een gruwelijk misbruik van het werk des Zoons.
Alle zonde is onmiddellijke aanranding van de scheppende arbeid des Zoons. Zij treft God allereerst in de Zoon en wijl Hij het werk des Vaders werkt, treft zij in Hem de Vader.
Daarom is het van zo bijzondere betekenis, dat de Zoon zegt: dat een iegelijk, die enig woord zal spreken tegen de Zoon het zal hem vergeven worden. Dat is een woord van de Middelaar. Dat woord ontdekt ons aan de verborgenheid, dat een wereld, ondanks de zonde, nog bestaan kan. Daarin betoont Hij Zijn bereidheid de zonde der wereld op Zich te nemen, gelijk Hij dat ook doet en heeft gedaan aan het Kruis.
Hij is tot zonde gemaakt. Dat kan dus nooit betekenen, dat Hij tot een overtreder is gemaakt, want Hij heeft geleden als 'n straffeloos Lam. De zonde wordt openbaar in de overtreding van Gods gebod. Hij kon vragen : Wie uwer overtuigt Mij van zonde ? In Hem is geen schuld gevonden. Niet door de wereldlijke macht, maar ook niet voor de Vierschaar Gods.
Hij is Zijn heilig kind Jezus. Zonde is ongrijpbaar. Men kan niet spreken van zonde op en voor zich zelf. Want zonde op en voor zich zelf is er niet. Zondigen kan alleen het redelijk zedelijk schepsel. Het schepsel kan zondigen, omdat het niet iets op zich zelf is, want het leeft alleen uit de scheppende daad Gods. Het is niet onafhankelijk, alsof het de grond van zijn bestaan in zich zelf had. Indien het schepsel zich zelf leefde, zou het geen schepsel zijn, zijn leven in zich zelf dragende, zou het tegen dat leven niet kunnen ingaan.
Daarom kan slechts grove onwetendheid en goddeloosheid God en zonde verenigen, of God tot Auteur der zonde maken.
Zonde is ontkenning van het schepsel zijn, ontkenning van de Schepper en verachting Zijner Majesteit, weigering om Gode te leven en Hem te dienen. Zo is dan de zonde een verkeerde en opstandige gezindheid, een verdorven hart. En wijl in het hart de uitgangen des levens zijn, zijn alle deze uitgangen des levens verdorven.
Dat alles is zo verre van de Christus als de hemel van de aarde, en de gerechtigheid van de ongerechtigheid.
Als Christus tot zonde is gemaakt, is Hij dus gemaakt tot iets, wat in Hem niet was — en ook niet zijn kon, omdat Hij het leven in Zich zelf had en het Leven was.
Christus de Zoon, de Schepper tot zonde gemaakt !
Alle dingen zijn door Hem, het Woord, gemaakt. In de wereld, die Hij gemaakt heeft, is de zonde ingekomen.
Heeft Hij dan misschien iets niet goed gemaakt, zodat de zonde aanleiding heeft gevonden in die were|d ?
Het is wel zo, dat zonde alleen in de geschapen wereld kon inkomen, in zoverre zou men kunnen zeggen, dat de zonde buiten de schepping geen aanleiding zou gevonden hebben. Maar de Heilige Geest neemt alle gedachten weg, die op enige wijze de aanleiding of oorzaak der zonde in de Zoon zouden willen zoeken, omdat Hij de dingen geschapen heeft. Want Hij verkondigt de lof des Zoons, als Hij betuigt, dat God het werk der schepping overziende, sprak : Zie, het was zeer goed ! (Genesis 1 : 31).
Doch, welk een liefde tot het zondig schepsel wordt ons geopenbaard, als die Christus de zonde der wereld op zich neemt, alsof Hij de aanleiding en oorzaak der zonde ware ! Want dat is het, als Hij tot zonde gemaakt is. Hij heeft zich aan het oordeel Gods onderworpen, alsof Hij schuldig ware. Volkomen vrijwillig heeft Hij dat gedaan, omdat het de Wil des Vaders was, dat het Lam Gods de zonde der wereld zou wegnemen. Hij heeft dat gedaan, als de grote Hogepriester.
Als Hij tot zonde gemaakt werd, is Hij in de plaats — niet maar van een zondige mens —, maar van de zonde gaan staan. Aan Hem is de zonde als zonde geoordeeld en Hij is der zonde gestorven.
Dat is zeer radicaal en zeer absoluut. Men zou haast vragen, hoe het mogelijk is, dat de wereld ook na de dood des Heeren van zonde en ellende vol is. De zonde der wereld weggenomen ! Is dat dan eigenlijk njet zo ?
Men zou toch verwachten, dat de zonde in de gehele wereld ware opgehouden, als Christus de zonde der wereld heeft weggenomen.
De ervaring leert, dat dat niet het geval is. Wie het derhalve zo zou willen verstaan, moet het Evangelie toch misverstaan, want het is klaarblijkelijk zo niet.
Sommigen willen dit standpunt toch vasthouden. De zonde is wel weggenomen, maar men merkt het in deze wereld niet. Eerst in een toekomende wereld zal dat blijken.
Duidelijk is alleen, dat men met deze wereld, de wereld van heden, waarin wij leven, geen raad weet.
Zonde is dan zo iets als een werkelijkheid, die eigenlijk geen werkelijkheid meer is, en welke derhalve ook niet ernstig meer kan genomen worden.
Een en ander schijnt zijn oorzaak te vinden in het feit, dat men bij de kruisdood des Heeren staan blijft.
De kruisdood moge getuigen van de wegneming der zonde, omdat Christus de vloek der zonde gedragen heeft tot in de dood des kruises, de vloekdood. Doch, als Christus nu eens in het graf gebleven was, zou men dan ook geloven, dat de zonde der wereld weggenomen was ?
Wie zou er zelfs nog over de Man van Nazareth spreken ?
En toch zijn er ook in onze tijd, die menen, dat het niet van zoveel belang is, of Christus waarlijk is opgestaan ja dan neen. De apostel Paulus leert daaromtrent echter anders. Als Christus niet is opgestaan, zijn wij nog in de zonde en is ons geloof ijdel! Daarom moeten wij bij de kruisdood niet blijven staan, alsof daarin de verlossing ware besloten. Christus is tot zonde gemaakt, opdat in Hem een nieuwe mens zou opstaan. In de opstanding wordt het eerst duidelijk, waartoe Hij in onze dood is ingegaan.
Uit de opstanding van Christus blijkt het absolute en radicale van de wegneming der zonde, n.l. in de nieuwigheid des levens.
Die nieuwigheid des levens, de kracht Zijner opstanding heeft zich niet medegedeeld aan de in zonde gevallen mensheid.
De wereld is op de Paasmorgen niet in een nieuw leven opgestaan, maar zovelen Hem aangenomen hebben, heeft hij macht gegeven kinderen Gods te worden.
De Heilige Geest werkt in het verborgene en leidt ze in de kennis der Waarheid en in de kracht Zijner opstanding, die daartoe naar Gods heilig voornemen geroepen zijn.
Het moet eerst Pinksterfeest worden in de harten.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1949
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's