De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

De waarde des geloofs

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

De waarde des geloofs

11 minuten leestijd

Zo luidt de titel van het laatste Hoofdstuk van Berkouwer : Geloof en rechtvaardiging. Prof. B. spreekt van correlatie tussen geloof en rechtvaardigmaking, edoch, ondanks de schone passages ook in dit hoofdstuk, wordt de correlatie niet duidelijker.

Het gaat voornamelijk om het sola fide, sola gratia, alleen door het geloof uit loutere genade, het eigenlijk reformatorische, en niet uit de werken.

Desniettemin is het geloof noodzakelijk, en het is de mens, die gelooft. De rechtvaardiging van de zondaar kan echter in het geloof geen grond hebben, ook niet als voorgezien geloof, zodat het geloof toch weer verdienstelijk zou zijn en het „uit loutere genade" verduisterd zou worden.

Daarom legt prof. B. zware nadruk op hel feit, dat het rechtvaardigmakend geloof gave, werkelijke gave Gods is en geen anthropologische mogelijkheid, geen mogelijkheid dus vanuit de mens.

Het vraagstuk is belangrijk genoeg om et bij stil te staan en bovendien actueel in de theologische vraagstelling van heden. Wij hebben trouwens de indruk, dat prof. B. aan de invloed van de huidige theologische discussie, waaraan hij zo ijverig deelneemt, niet ontkomt, zodat zijn probleemstelling daardoor min of meer gebonden is. In ieder geval komt het ons voor, dat de Bijbelse anthropologie daarbij tekort schiet. Dit nu is van te meer betekenis, omdat de z.g.n. nieuwe theologie juist op dit punt verwantschap vertoont met wijsgerige beschouwingen, die met de Bijbelse anthropologie op gespannen voet staan.

Vandaar b.v., dat wij gereserveerd staan tegenover de uitdrukking ,,menselijke mogelijkheid".

Als prof. B. op blz. 201 tot de conclusie schijnt te komen, dat het rechtvaardigmakend geloof niet doorzichtig wordt vanuit een of andere anthropolische mogelijkheid, omdat het een werkelijke gave Gods is, moet zulk een conclusie als onjuist worden afgewezen.

Wij stemmen volledig toe, dat het rechtvaardigmakend geloof niet uit de mens is, en niet uit de mens kan zijn.

Deze onmogelijkheid schuilt echter niet daarin, dat het geloof gave Gods is, maar zij vindt haar oorzaak in het karakter der gerechtigheid, waarom het gaat. Die gerechtigheid is n.l. niet een gerechtigheid van de mens, geen menselijke gerechtigheid, maar gerechtigheid Gods in Christus, een hemelse gerechtigheid, die met Christus bij God verborgen is.

Die gerechtigheid ligt alzo ver boven en buiten de mens. Hij kan derhalve op generlei wijze deel verkrijgen aan die gerechtigheid Gods dan van uit die gerechtigheid. Het rechtvaardigmakend geloof is derhalve reeds een gave uit deze gerechtigheid, wijl het de mens daarin doet delen, m.a.w. een gave Gods. Het is daarom wel volkomen juist als prof. B. van correlatie van geloof en rechtvaardiging spreekt, omdat het rechtvaardigmakend geloof — door de gereformeerde theologie terecht aldus onderscheiden en gekwalificeerd — gave en werking van de gerechtigheid Gods in de mens is.

Deze gave Gods wordt door de Heilige Schrift zelfs als een gave van macht omschreven: Want zovelen Hem aangenomen hebben, heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, n.l. die in Zijn Naam geloven. (Joh. 1 vs. 12).

Deze Schrift geeft derhalve veeleer aanleiding tot een tegengestelde conclusie, als waartoe prof. B. vanwege de gave schijnt te willen besluiten : De gave Gods schenkt de mens, aan wie zij ten deel valt, niet maar de mogelijkheid, maar de macht kinderen Gods te worden.

Dat ligt trouwens in het wezen der nieuwe gerechtigheid, wijl zij is de gerechtigheid waaraan het kindschap Gods is verbanden. Men kan zelfs zeggen : de nieuwe gerechtigheid is het kindschap Gods en het kindschap Gods is de nieuwe gerechtigheid.

Christus is opgestaan als de Eersteling onder vele broederen. Zijn opstanding is de opstanding Zijner broederen. (Vgl. ook 1 Joh. 3 vs. 2).

Men is gewoon geworden te spreken van het heit. Dat is ook juist, maar daaraan is ook een kosmische kant, welke onder invloed van een heersend universalisme de aandacht van de saamhang van de gerechtigheid Gods in Christus en het kindschap Gods afleidt.

Het geloof is Gods gave, zegt prof. B., maar niet een donum superadditum, een toegevoegde gave boven het gewoon of ,,natuurlijk" menselijke. (Dit is een uitdrukking uit de Roomse anthropologie). Hij omschrijft dit verder in een zinsnede : De ongelovige is niet in mindere mate mens. (bladz. 201).

Ook hier stuiten wij weer op een gedachtengang, die eer verwarrend dan verhelderend werkt, omdat geen rekening wordt gehouden met de Bijbelse anthropologie.

Het is wel juist, dat de gave des geloofs geen donum superadditum is, en ook, dat de ongelovige niet in mindere mate mens is dan de gelovige. Doch ook in deze woorden vermoeden wij iets van de invloed van de huidige problematiek, al houden wij prof. B. niet voor een bestrijder van de antithese.

Er kan n.l. op Schriftuurlijk standpunt geen sprake zijn van een toegevoegde gave, of van een in mindere mate mens zijn, omdat de Heilige Schrift van een andere, een nieuwe mens in Christus handelt. Niet een meer o[ minder mens-zijn, maar een ander mens-zijn. Paulus leert ons klaar en duidelijk tweeërlei mens : de uit Adam geborene psychische mens en de pneumatische (geestelijke) mens, welke is de Heere uit de hemel. Wij dragen allen het beeld van de psychische mens. Daarin is geen sprake van meer of minder mens-zijn.

Maar het kindschap Gods is aan de he­melse mens gebonden, want zodanig de hemelse is, zodanig zijn ook de hemelsen. (1 Cor. 15 vs. 45 v.v.). Het rechtvaardigmakend geloof wordt derhalve wederbarend genoemd, wijl het een regenererende kracht uit de hemel is.

Ook merkt prof. B. op, dat het geloof (bedoeld is dit rechtvaardigmakend geloof) niet een speciale vorm van het algemeen geloof is.

Inderdaad is dit juist, hoewel ook deze stelling niet wordt toegelicht uit de Bijbelse anthropologie, waardoor meer klaarheid zou ontstaan.

Het z.g. algemeen geloof toch heeft zijn oorsprong in een geheel andere situatie. Dat algemeen geloof, in zijn verschillende vormen en strevingen, vindt zijn grond in een gans andere heilsweg dan die der rechtvaardiging door het geloof van het Evangelie. Het heeft betrekking op de weg der menselijke gerechtigheid, de gerechtigheid van de psychische mens, welke is een weg der werken.

Volgens de Schrift werd de mens goed geschapen. Hij beantwoordde dus aan zijn wezen. Dat was zijn gerechtigheid, en hij stond onder de roeping, die gerechtigheid te bewaren bij het licht des Woords (Joh. 1 vs. 4), opdat hij in die weg zijn bestemming mocht bereiken. De gaven Gods schonken hem het vermogen of de macht om zijn gerechtigheid te bewaren. Deze menselijke gerechtigheid is dus gans en al onderscheiden van de gerechtigheid Gods in Christus.

Van menselijke mogelijkheid gesproken, de Schrift en de ervaring leren, dat de breuk met zijn gerechtigheid ook in de macht van de mens is geweest, want de zonde is in de wereld gekomen, zijnde overtreding van des mensen levenswet, welke is de bepaling zijner gerechtigheid.

Die mogelijkheid is de mogelijkheid van het redelijk-zedelijk wezen, de mogelijkheid der zedelijke vrijheid. De zedelijke vrijheid brengt ons weer in de sfeer van macht. De goddelijke gaven geven macht. 

Pilatus had macht van boven. Kunsten en wetenschappen bloeien op uit gaven Gods, en hoezeer toont heel ons cultuurleven, dat die gaven voor de mens ook macht betekenen.

Er is gerede grond om van correlatie te spreken van Gods gaven en menselijke macht, zodat ongerechtigheid ook verschijnt onder het aspect misbruik van de macht, welke aan de gaven verbonden is.

De Bijbelse anthropologie heeft dan ook niets gemeen met het moderne negativisme, om niet te spreken van nihilisme, en veroordeelt dit als miskenning en verachting van de gaven Gods.

De psychische mens moge op en voor zichzelf niets zijn, dat is echter bij nader inzien een stelling zonder zin, omdat de psychische mens op en voor zich zelf niet bestaat. Een mens op en voor zich zelf is een onderstelling der verbeelding, welke in de theologie niet thuis behoort. Wie een mens op en voor zich zelf wil beschouwen, stelt zich daarmede buiten de leer der Heilige Schrift.

Maar nu het algemeen geloof.

Dat de mens zonder geloof niet kan leven is een. onweersprekelijke waarheid. Dat algemeen geloof steunt op ervaring, op gewoonte, op verstand, en wat al niet meer. Het is zó algemeen, dat velen er zelfs niet bij stilstaan, dat zij zoveel op geloof leven. Alleen, dit is veelal niet gericht op God, maar op allerlei menselijke gronden.

Vanwaar echter dat algemeen geloof ? Als dat zulk een voorname functie in ons aardse leven vervult, kan het een zinvolle grond niet missen, ook al is men zich daarvan niet bewust.

Daarom worden wij ter verklaring weer geleid naar de oorspronkelijke reine mens. Hij was door zijn Schepper gezet op een weg, die, mits hij volhardde in gerechtigheid, naar zijn eeuwige bestemming zou voeren.

Kwam daarbij ook geloof te pas ?

Wij hebben er reeds op gewezen, dat de mens van de beginne niet zonder het Woord Gods is geweest. Dat Woord was hem tot een licht, maar dan moest hij ook bij dat licht wandelen, d.w.z. dat Woord geloven en erkennen de Majesteit Gods. Geloven en gehoorzamen zijn daarom één, zoals ook ongeloof en ongehoorzaamheid niet gescheiden kunnen worden.

Aangezien het geloof alzo de voornaamste kracht was, welke de psychische mens op het pad zijner gerechtigheid kon bewaren, en zelfs het voornaamste kenmerk zijner gerechtigheid betekende, bracht het ongeloof hem ten val. Maar zo, aan zich zelf overgelaten, kon hem slechts de dood wachten. Daarom kan ook het algemeen geloof nog niet zijn grond in de mens zelf hebben, want de mens heeft geen grond, in zichzelf. Ook het algemeen geloof, dat zulk een belangrijke functie in het leven vervult, kan slechts verklaring vinden in de dragende Grond van het schepselmatige leven. Die Grond is genade. Immers de hemelse genade alleen kan grond en oorzaak zijn, dat de scheppingsordeningen niet ophielden, toen de mens in zonde viel. Genade alleen heeft die ordeningen van 's mensen leven in stand gehouden, die dit aardse leven mogelijk maken, menselijke mogelijkheden ook in een verloren wereld. Zo kon het zijn, dat de mens zijn vertrouwen ging stellen op die ordeningen en deze tot zijn goden maakte. Het algemeen geloof verkeert de heerlijkheid Gods in de heerlijkheid van het schepsel, ofschoon God zich niet onbetuigd heeft gelaten.

Uit dien hoofde heeft prof. B. volkomen recht, als hij zegt, dat het rechtvaardigmakend geloof niet een vorm is van het algemeen geloof.

Doch dit , neemt niet weg, dat het rechtvaardigmakend geloof ook de ijdelheid van het algemeen geloof buiten de kennis van die Grond der genade ontdekt. Ook dit algemeen geloof wordt geregenereerd door het rechtvaardigmakend geloof, zodat het alle gaven ook in dit leven uit Gods Vaderlijke hand ontvangt.

Het algemeen geloof wordt van zijn afgodisch karakter gezuiverd en in het rechtvaardigmakend geloof opgenomen. De 19e Psalm wordt in zijn profetische kracht en waarheid verstaan.

Opdat het sola fide niet door enige verdienste van 's mensen zijde worde bezoedeld, zet men verschillende schermen daarom heen, waardoor het gevaar dreigt, dat het licht op het sola fide wordt verduisterd. De Schriftgeleerden van vroeger bouwden een tuin om de Wet, de Schriftgeleerden van tegenwoordig maken een tuin om het geloof.

Geen menselijke mogelijkheid, vooral geen kwaliteit van de mens, zo waarschuwt men, en met zeker recht. Het pelagianisme zit de zondaar in het bloed. De mens wat en God wat, zo mogelijk de mens alles. God zelf zijn, of niets, een gat in de materie. Alles of niets, dat is de hoogmoed der zonde en de vertwijfeling van het ongeloof.

De genade leert, dat de zondaar voor God verdoemelijk is, en het rechtvaardigmakend geloof kent een nieuwe mens in Christus, in Wie hij meer is dan overwinnaar. Daarom is het geloof niet leeg, maar de gelovige mens leert zichzelf kennen in zijn ijdelheid. .Het geloof is kracht Gods, rechtvaardigheid Gods in Christus en leven uit Zijn leven.

Men bevordert de zuiverheid en de waardigheid des geloofs niet, door het als ledig voor te stellen. De gave Gods kan nooit ledig zijn. Het is bovendien een werking van dat Woord, dat niet ledig wederkeert, want het geloof is uit het gehoor en het gehoor door het Woord Gods,

Waar de wedergeboorte wordt verstaan als een werking van Woord en Geest in de mens, kan men het geloof niet ledig noemen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

De waarde des geloofs

Bekijk de hele uitgave van donderdag 9 juni 1949

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's